ECLI:NL:GHARL:2016:4769

Betrokkene voert aan dat het vermeende bewijs illegaal is verkregen, doordat gebruik is gemaakt van een kentekenplaat die niet voldoet aan de Regeling eisen goedkeuring kentekenplaten 2000. De verbalisant verklaart dat de snelheidsmeting is verricht door middel van daartoe goedgekeurde meetapparatuur. Het hof ziet in hetgeen de betrokkene tegenover die verklaring stelt geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de snelheidsmeting. Uit de NMi-verklaring die de betrokkene heeft overgelegd blijkt dat de radar is ingebouwd in het voertuig waarbij de metingen worden verricht met afscherming tussen antennehuis en gemeten voertuig. De afscherming bestaande uit een kunststof kentekenplaat/kunststof achterruit is in de keuring betrokken geweest. Blijkens de NMi-verklaring voldeed de snelheidsmeter aan de Concept voorschriften meetmiddelen politie.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:4769” verder

ECLI:NL:GHARL:2014:1243

Het hof is van oordeel dat uit het zaakoverzicht genoegzaam blijkt dat verbalisant de gedraging heeft vastgesteld en de sanctie heeft opgelegd door de gegevens met betrekking tot de gedraging aan te leveren aan het CJIB. De verwijzing van de gemachtigde naar het arrest van het hof van 6 februari 2013, waarin het hof heeft overwogen dat het CJIB ten onrechte een aan de officier van justitie toegekende bevoegdheid – te weten het uitvaardigen van dwangbevelen – uitoefende, nu een geldig mandateringsbesluit ontbrak, treft dan ook geen doel. Daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake, nu immers het CJIB niet namens de aangewezen ambtenaar de sanctie oplegt, maar slechts verantwoordelijk is voor het neerleggen van de sanctie in een beschikking en voor toezending van die beschikking aan de betrokkene.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2014:1243” verder

ECLI:NL:RVS:2009:BJ8264

De enkele omstandigheid dat de adviescommissie door intrekking van het verzoek daartoe niet opnieuw advies heeft uitgebracht, betekent niet dat het besluit niet zorgvuldig is voorbereid. De Awb, noch het reglement van orde van de adviescommissie, schept de verplichting de adviescommissie in te schakelen en geen van beide verzet zich tegen intrekking van een adviesaanvraag.
In beginsel moet per document of onderdeel daarvan worden gemotiveerd dat aan de belangen die zich tegen openbaarmaking verzetten doorslaggevend gewicht toekomt, daarvan onder omstandigheden kan worden afgezien als dat zou leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen. Geanonimiseerde documenten die zijn verstrekt, komen naar aard en onderwerp in hoge mate overeen. Per passage motiveren zou leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen. Het college behoefde daarom in dit geval niet voor ieder document afzonderlijk een afweging te maken.

Lees “ECLI:NL:RVS:2009:BJ8264” verder

ECLI:NL:CRVB:2008:BD7033

Het zorgvuldigheidsbeginsel brengt met zich dat alvorens tot intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt overgegaan, de betrokkene op de hoogte dient te worden gesteld van de medische beperkingen die naar het oordeel van het bestuursorgaan voor hem gelden, alsmede van de functies die hij met deze beperkingen zou kunnen vervullen. De voorgehouden functies behoeven niet met de betrokkene te worden besproken. Wel is vereist dat het voor de betrokkene voldoende duidelijk is welke zijn arbeidsmogelijkheden zijn. Na confrontatie met de opvatting dat betrokkene geschikt is voor passende werkzaamheden, dient een uitlooptermijn te worden gegund. Deze confrontatie kan geschieden in een gesprek met de betrokkene. Ook een schriftelijke aanzegging is mogelijk. In het voorliggende geval heeft de aanzegging van de nieuwe, in de bezwaarfase geselecteerde functies alleen aan de gemachtigde van appellant plaatsgevonden. Deze aanzegging kan derhalve niet als startpunt van de uitlooptermijn gelden. Bestuursrechter moet schadevergoeding voor rechterlijke overschrijding redelijke termijn zelf afdoen.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2008:BD7033” verder

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7537

Arbeidsdeskundige heeft op 12 april 2000 in een brief medegedeeld dat hij tot de conclusie gekomen dat het verlies aan verdienvermogen minder dan 15% bedraagt. In deze brief staat vermeld dat appellante pas bezwaar kan maken als zij hieromtrent een officiële beslissing van het Uwv heeft ontvangen. De gemachtigde heeft bij brieven van 25 juli 2000, 9 juli 2001, 26 maart 2002 en 26 augustus 2004 verzocht om een beslissing. Uiteindelijk heeft het Uwv bij besluit van 6 september 2004 medegedeeld dat appellante vanaf 29 mei 1999 geen recht heeft op een uitkering op grond van de WAO. Naar vaste jurisprudentie van de Raad vangt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM aan als op zijn minst gesproken kan worden van een geschil tussen partijen. Over het algemeen zal dat zijn op het moment dat een bezwaarschrift wordt ingediend tegen het primaire besluit of, in voorkomende gevallen, tegen het uitblijven daarvan. In de bijzondere omstandigheden van dit geval is de Raad van oordeel dat de redelijke termijn is aangevangen met de brief van de gemachtigde van 25 juli 2000.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2008:BC7537” verder

ECLI:NL:RVS:2007:BA5515

Bij besluit heeft de gemeenteraad van Wassenaar het bestemmingsplan “Landelijk gebied 2004” vastgesteld. Met de vaststelling van het bestemmingsplan is, voor zover het betreft de plandelen van appellant, tevens een beslissing genomen omtrent zijn burgerlijke rechten en verplichtingen. Hiervan uitgaande begint de in artikel 6 EVRM bedoelde termijn in een bestemmingsplanzaak waarbij verweerder aan het desbetreffende plandeel goedkeuring heeft verleend, te lopen bij het indienen van de bedenkingen door betrokkene. Anders dan appellant heeft gesteld blijft de tijdsduur die is gemoeid met de voorbereiding en vaststelling van het bestemmingsplan, voor het bepalen van de ingangsdatum van de in artikel 6 EVRM bedoelde termijn buiten beschouwing. Nu sinds het inbrengen van bedenkingen door appellant op 26 april 2005 in de goedkeuringsfase ongeveer een half jaar en in de beroepsfase ongeveer 1,5 jaar zijn verstreken, tezamen ongeveer twee jaar, kan niet worden geoordeeld dat daarmee een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. Het verzoek om schadevergoeding dient dan ook reeds om deze reden te worden afgewezen.

Lees “ECLI:NL:RVS:2007:BA5515” verder

ECLI:NL:HR:2007:AZ8751

Op zichzelf is juist dat de toelating van een vluchteling tot Nederland de vluchteling in staat stelt hier te lande een nieuw bestaan op te bouwen. Dit betekent echter niet dat de toelating als vluchteling ertoe strekt deze in staat te stellen inkomen (uit betaalde arbeid) te verwerven. Het recht in Nederland betaalde arbeid te verrichten vloeit voort uit de toelating als vluchteling, en ontstaat pas nadat hij in Nederland als vluchteling is toegelaten. Zij strekt niet tot bescherming van enig vermogensrechtelijk belang van de vluchteling. Het belang van de vluchteling om inkomen uit arbeid te kunnen verwerven speelt bij de beoordeling tot toelating als vluchteling geen rol en de Staat dient bij zijn beslissing omtrent de toelating als vluchteling hiermee geen rekening te houden. Als de Staat in het kader van de procedure tot toelating een voor die procedure geldende regel heeft geschonden, heeft de aanvrager toegang tot de rechter om deze schending te doen herstellen. Deze schending geeft in beginsel echter geen recht op vergoeding van schade als hier door verweerster is gevorderd.

Lees “ECLI:NL:HR:2007:AZ8751” verder

ECLI:NL:RVS:2005:AT5682

Het koetshuis vormt een functionele eenheid met en is ondergeschikt aan de woning. Daarom dient het koetshuis aangemerkt te worden als een bijgebouw. Het koetshuis staat voor een klein deel achter de woning en verder geheel achter de woning. De voorgevel van de woning is de gevel gelegen aan de ontsluitingsweg aan de zijde van de woningen, omdat dit de naar de weg gekeerde gevel van de woning is. Parallel aan de voorgevel van de woningen bevindt de in geding zijnde dakkapel zich aan de voorgevel van het koetshuis. De dakkapel is derhalve gebouwd op het voordakvlak van het bijgebouw. Plaatsing van de dakkapel komt niet voor vrijstelling in aanmerking en er bestaat derhalve geen concreet uitzicht op legalisatie. De rechtbank is op goede gronden tot het oordeel gekomen dat het college de dakkapel terecht niet heeft aangemerkt als een bouwvergunningsvrij bouwwerk.

Lees “ECLI:NL:RVS:2005:AT5682” verder