ECLI:NL:GHARL:2016:784

Welke wegingsfactor moet worden toegepast, is afhankelijk van het gewicht van de zaak. Het begrip ‘gewicht van de zaak’ dient te worden opgevat als het belang en de ingewikkeldheid van de in administratief beroep of in de (hoger) beroepsfase als geheel voorliggende geschilpunten, zonder verdere differentiatie naar de ontwikkeling van het geschil in de betreffende fase van de procedure. De tekst van (de bijlage bij) het Besluit proceskosten bestuursrecht noch de toelichting ervan biedt een aanknopingspunt om binnen een fase in de procedure verschillende wegingsfactoren toe te passen. Voorts verzet de systematiek van het Besluit proceskosten bestuursrecht – gelet op het forfaitaire karakter – zich tegen een dergelijke interpretatie. Slechts in geval van bijzondere omstandigheden kan er aanleiding bestaan om op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht van dit uitgangspunt af te wijken (ECLI:NL:GHAMS:2013:4500 en ECLI:NL:CRVB:2015:2800). Het bestaan van dergelijke bijzondere omstandigheden heeft de kantonrechter niet gesteld.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:784” verder

ECLI:NL:HR:2013:BZ6822

De enkele omstandigheid dat belanghebbende met de taxateur een overeenkomst op basis van “no cure no pay” heeft gesloten op grond waarvan de vergoeding die zij aan de taxateur moet betalen wordt gesteld op het bedrag dat ter zake wordt toegekend als kostenvergoeding, staat aan een vergoeding van de kosten van taxatie niet in de weg (ECLI:NL:HR:2012:BX0904).
Het betoog dat een eenmaal toegepaste wegingsfactor, gelet op de systematiek van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), voor elke volgende fase van de procedure blijft gelden, faalt. Een dergelijke regel ligt niet besloten in het Bpb of in de systematiek ervan. ’s Hofs oordeel over het gewicht van de zaak in de beroepsfase is, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie slechts beperkt toetsbaar. ’s Hofs oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
Voor de toepassing van artikel 7:15, lid 2, Awb en het Bpb is sprake van één bezwaar indien dit is gericht tegen meerdere op één aanslagbiljet vermelde besluiten; een andersluidende uitleg van deze bepalingen en het Bpb zou te veel afbreuk doen aan de door de wetgever om dit verband beoogde eenvoud (ECLI:NL:HR:2012:BX0904). Hetzelfde geldt voor het bezwaar tegen in één geschrift opgenomen WOZ-beschikkingen. Wel kan de omstandigheid dat het bezwaar op meer dan één besluit betrekking heeft een rol spelen bij het bepalen van de wegingsfactor voor het gewicht van de zaak.

Lees “ECLI:NL:HR:2013:BZ6822” verder

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4522

De Raad stelt voorop dat het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen de hoogte van de proceskostenveroordeling. De rechtbank heeft het gewicht van de zaak als zeer licht (factor 0,25) aangemerkt, maar heeft dit oordeel niet gemotiveerd. De Raad stelt vast dat het beroep was gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, waarbij de gemachtigde van appellante heeft betoogd dat de brief van appellante van 1 februari 2009 als een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand moet worden aangemerkt en de brief van 13 maart 2009 van het College als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De Raad is van oordeel dat de gewichtfactor van deze zaak als gemiddeld (factor 1) moet worden aangemerkt. Het standpunt van het College dat de rechtbank het gewicht van de zaak terecht als zeer licht heeft aangemerkt, omdat appellante geen belang meer had bij een uitspraak nu zij inmiddels een aanvraag had ingediend, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft het beroep immers niet niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een procesbelang, terwijl de later ingediende aanvraag om bijstand niet afdoet aan de zwaarte van de in beroep te beoordelen zaak.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2011:BU4522” verder