ECLI:NL:GHARL:2017:1519

De CVOM heeft een brief aan de betrokkene gezonden, waarin is verzocht om de gronden van het beroepschrift toe te zenden. De betrokkene heeft de gronden aangevuld. Uit het verweerschrift van de advocaat-generaal blijkt dat de CVOM dit schrijven heeft ontvangen, doch dat dit in een verkeerd dossier is gevoegd. Nu is gebleken dat de betrokkene zijn beroepschrift heeft aangevuld met gronden voor zijn beroep, is er geen sprake van een verzuim dat kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het beroep van de betrokkene. Om die reden zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en de zaak terugwijzen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:1519” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:6694

De stelling dat de kantonrechter de gemachtigde een termijn had moeten geven om de gronden aan te vullen, is niet juist. Gemachtigde heeft in zijn pro forma beroepschrift niet om een termijn voor het indienen van gronden verzocht. Geen rechtsregel schrijft voor dat in dat geval een termijn moet worden gegeven voor het indienen van gronden. De gemachtigde heeft ruim de tijd gehad om voorafgaand aan de behandeling van het beroep door de kantonrechter nadere gronden in te zenden, maar heeft dit nagelaten. Evenmin is de gemachtigde ter openbare zitting van de kantonrechter verschenen om zijn bezwaren mondeling naar voren te brengen. Het hof concludeert dat de gemachtigde voldoende gelegenheid had tot aanvulling van zijn beroepschrift, maar er zelf voor heeft gekozen om daarvan geen gebruik te maken.
Motivering afzien hoorplicht is geen voorschrift van openbare orde.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:6694” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:6551

Gemachtigde heeft niet aan de kantonrechter gevraagd een termijn te geven voor het indienen dan wel aanvullen van de gronden. In het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie is verzocht het beroep gegrond te verklaren, de beschikking te vernietigen en dat nadere gronden van het beroep op een later moment zullen worden aangevuld. De kantonrechter heeft het beroep niet niet-ontvankelijk verklaard, terwijl evenmin een herstelgelegenheid is gegeven. Schending van artikel 6:6 van de Awb kan in dit geval dan ook niet aan de orde zijn. Het staat de kantonrechter vrij om een gebrekkig beroepschrift ook aanstonds ontvankelijk te achten. De gemachtigde heeft voldoende gelegenheid gehad om desgewenst nadere gronden in te dienen, geheel uit eigen beweging, dan wel naar aanleiding van de ontvangstbevestiging van het beroep of de uitnodiging voor de zitting. Ook had hij op de zitting van de kantonrechter de gronden van het beroep kunnen aanvullen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:6551” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:3591

Naar aanleiding van het arrest van het hof heeft de gemachtigde verzocht dat arrest terug te nemen, omdat de brieven waarbij de griffier van het hof de gemachtigde in de gelegenheid heeft gesteld binnen vier weken na de dagtekening van die brief de gronden van het beroep op te geven, nimmer door de gemachtigde zijn ontvangen. In de dossiers bevinden zich correct geadresseerde afschriften van een brief waarin de gemachtigde in de gelegenheid wordt gesteld om het verzuim de gronden van het beroep op te geven te herstellen. Nu deze brieven niet aangetekend zijn verzonden, kan het hof – mede in het licht van het ontbreken van een deugdelijke verzendadministratie – niet vaststellen dat de brieven daadwerkelijk zijn verzonden naar de gemachtigde. Het hof moet er daarom vanuit gaan dat de brieven van 7 januari 2016 niet naar de gemachtigde zijn verzonden.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:3591” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:2620

Betrokkene heeft een betalingskenmerk gebruikt dat enkel uit nullen bestond. Het CJIB heeft het bedrag vervolgens teruggestort, kennelijk zonder nader te onderzoeken voor welke zaak deze betaling was bestemd. Bij brief heeft de betrokkene de CVOM op deze gang van zaken gewezen en verzocht om daarop te reageren. Dat is niet gebeurd. Het hof oordeelt dat betrokkene tijdig heeft voldaan aan de verplichting tot zekerheidstelling. Daaraan kan niet afdoen dat de betrokkene bij de betaling niet het juiste kenmerk zou hebben opgeven. Het hof heeft eerder overwogen dat van het CJIB wordt verlangd dat voorafgaand aan een terugstorting wordt nagegaan waarop de betreffende betaling betrekking heeft en dat dit onderzoek – ook na contact met de betrokkene – niet tot resultaat heeft geleid. In zoverre heeft het CJIB een onderzoeksplicht. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat de betaling is verricht vanaf een bankrekening die op naam van de betrokkene is gesteld. Bovendien is op dezelfde dag vanaf dezelfde rekening van de betrokkene een betaling ontvangen, die door het CJIB (deels) op een andere zaak van de betrokkene is bestemd. Gegeven die omstandigheden valt niet zonder meer te begrijpen waarom het CJIB ter zake van onderhavige betaling over onvoldoende gegevens zou beschikken om te achterhalen op welke zaak de betaling betrekking had.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:2620” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:2040

Het dossier bevat een niet ondertekend beroepschrift van de betrokkene. De betrokkene is in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens binnen twee weken na dagtekening van deze brief in te dienen. Niet gebleken is dat een reactie bij de rechtbank is binnengekomen. Blijkens de door de advocaat-generaal ingewonnen inlichtingen heeft de betrokkene tijdig en op de voorschreven wijze gereageerd op de brief van de griffier van de rechtbank, met dien verstande dat de betrokkene het ondertekende beroepschrift naar de CVOM in plaats van de rechtbank heeft gezonden. Ingevolge artikel 11, eerste lid, WAHV en artikel 6:15 Awb rustte op de CVOM de plicht om het alsnog ondertekende beroepschrift door te zenden naar de rechtbank. Dit is nagelaten.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:2040” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:1633

De vraag of een beroepschrift de gronden van het beroep bevat, is niet een aspect van openbare orde waaromtrent het hof onafhankelijk van hetgeen is aangevoerd moet beslissen. Het gaat immers om de vraag of het beroepsorgaan in staat is om het beroep te behandelen, niet of het beroepsorgaan het beroep mag behandelen. De beoordeling van de beroepsgrond houdt verband met de beantwoording van de vraag of de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie terecht heeft vernietigd. In dit verband wijst het hof ook op artikel 13, eerste lid, WAHV, waaruit volgt dat eerst als het beroep gegrond wordt geacht, het besluit van de officier van justitie kan worden vernietigd. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in het administratief beroepschrift heeft aangevoerd dat, omdat onvoldoende informatie is verschaft om de beschikking op juistheid te kunnen toetsen, het beroep vooralsnog is beperkt tot de algemene ontkenning van de verweten gedraging. Het beroepschrift is niet geduid als pro forma beroepschrift. Naar het oordeel van het hof is -hoe algemeen geformuleerd ook- sprake van gronden van beroep. De officier van justitie heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De kantonrechter had het beroep tegen de beslissing gegrond moeten verklaren.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:1633” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:178

Anders dan de officier van justitie heeft de kantonrechter wel een schriftelijke machtiging van [naam B] verlangd. De griffier van de kantonrechter heeft [naam B] bij brief uitgenodigd voor de zitting. Daarbij is hij erop gewezen dat niet is gebleken dat hij gemachtigd is om namens de kentekenhoudster beroep in te stellen. Voorts is hij in de gelegenheid gesteld om de vereiste machtiging over te leggen. Uit de stukken blijkt niet dat de betrokkene de gelegenheid om het verzuim – binnen de gestelde termijn – te herstellen heeft benut. De kantonrechter heeft derhalve op goede gronden vastgesteld dat de betrokkene heeft verzuimd alsnog een machtiging te overleggen en het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:178” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:211

In het beroepschrift worden de naam en adresgegevens van de gemachtigde, de naam van de betrokkene en een CJIB-nummer genoemd. Het hof constateert dat het genoemde CJIB-nummer niet overeenkomt met het CJIB-nummer van de onderhavige zaak. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat geen beroep is ingesteld. Het genoemde CJIB nummer heeft betrekking op een zaak van een ander, zodat niet kan worden vastgesteld dat in een andere zaak beroep is ingesteld. Daar komt nog bij dat in het beroepschrift de inhoud van het administratieve beroepschrift en van de beslissing van de officier van justitie is weergegeven. De onjuiste vermelding van het CJIB-nummer zou kunnen worden beschouwd als het ontbreken van een omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht, zodat sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, sub c, Awb. Uit de stukken blijkt echter niet dat de gelegenheid is gesteld dit verzuim te herstellen.
Het beroepschrift is naar het oordeel van het hof niet aan te merken als een pro forma beroepschrift. In het beroepschrift wordt namelijk niet aangegeven dat het beroep nog nader zal worden gemotiveerd. Gelet daarop bestond voor de officier van justitie geen verplichting om (de gemachtigde van) de betrokkene in de gelegenheid te stellen binnen een daartoe gestelde termijn (nadere) gronden op te geven en heeft de officier van justitie het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:211” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:9029

Bij het wisselen van rijstrook heeft betrokkene het puntstuk overschreden. Betrokkene stelt dat van belang is dat hij het overige verkeer op geen enkele wijze in gevaar heeft gebracht of hinder heeft veroorzaakt. De betrokkene wijst erop dat het verkeer op de uitvoegstrook – ook in verband met de file – langzaam reed. Bovendien gaf de bestuurder die de betrokkene gelegenheid gaf om in te voegen hem een lichtsignaal. Mogelijk heeft die bestuurder geremd, zoals de verbalisant verklaart, maar dat was om de betrokkene ruimte te geven. Wat er overigens ook van zij van die stelling, tot het oordeel dat de sanctie achterwege moet blijven of gematigd moet worden, leidt deze stelling niet. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven om van de vastgestelde sancties af te wijken.
Officier van justitie heeft binnen de gestelde termijn beslist op het administratieve beroep van de betrokkene. Van belang is dat op grond van het bepaalde in artikel 7:24, derde lid, van de Awb deze beslistermijn wordt opgeschort vanaf de dag dat de indiener van het beroep in de gelegenheid is gesteld een verzuim te herstellen, tot de dag waarop dat verzuim is hersteld of de daartoe gestelde termijn is verstreken.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:9029” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:8774

Indien een ander dan de betrokkene beroep instelt, kan de kantonrechter van degene die het beroep heeft ingesteld een schriftelijke machtiging verlangen. Wordt de gevraagde machtiging niet verstrekt of voldoet het niet aan de eisen, dan kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener van het beroep de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen. Uit de stukken blijkt niet dat de gelegenheid is geboden het verzuim te herstellen.
Niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten. In dit verband overweegt het hof dat gemachtigde in de procedure, voor zover deze is gericht tegen de beslissing van de kantonrechter, op eigen titel procedeert zodat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor zover in deze zaak wel namens de betrokkene procedeert, wordt de betrokkene niet in het gelijk gesteld.
De officier van justitie kon in dit geval van het horen afzien omdat het beroep kennelijk ongegrond is. Het beroepschrift gaat over snelheid maar de sanctie betreft een roodlichtgedraging. Uit het beroepschrift zelf blijkt reeds aanstonds dat de bezwaren ongegrond zijn en over die conclusie is redelijkerwijs geen twijfel mogelijk. Daaraan doet niet af dat de officier van justitie ambtshalve onderzoek heeft gedaan.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:8774” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:8751

De wetgever heeft ervoor gekozen bepaalde administratieve handelingen met betrekking tot het beroep bij de kantonrechter te laten verrichten door de CVOM. De gemachtigde heeft pro-forma beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie inzake een verkeersboete. In afwijking van de Algemene wet bestuursrecht, wordt het beroepschrift ingediend bij de officier van justitie die op het administratief beroep heeft beslist. Bij een beroep bij de kantonrechter is uitsluitend de kantonrechter bevoegd om vast te stellen dat de gronden van het beroep ontbreken en vervolgens de betrokkene, dan wel de gemachtigde van de betrokkene, in de gelegenheid te stellen dit verzuim te herstellen en eventueel consequenties te verbinden aan het niet (tijdig) verstrekken van de gronden van het beroep. Uit de stukken blijkt niet dat de gemachtigde de gelegenheid is geboden de gronden van het beroep aan te vullen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:8751” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:8666

De betrokkene is door de kantonrechter niet op juiste wijze geïnformeerd over de wijze waarop zij de tot € 70,- verlaagde zekerheid diende te voldoen, en de betrokkene binnen de gestelde termijn voor de zekerheidstelling pogingen heeft ondernomen om aan die verplichting te voldoen, kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim was. Het hof is van oordeel dat wanneer de kantonrechter de te betalen zekerheid verlaagt, hij de betrokkene bij zijn beslissing ook dient te informeren over de wijze waarop de zekerheid dient te worden gesteld, te weten door tijdige overschrijving van het verlaagde bedrag op het door het CJIB voor WAHV-zaken gebruikte rekeningnummer NL28 RBOS 0569 9888 88, onder vermelding van het (zestiencijferige) CJIB-nummer. Dat heeft de kantonrechter niet gedaan.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:8666” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:4275

In het dossier bevindt zich een akte van volmacht, waarin iemand als bestuurder van de betrokkene machtigt om onder meer rechtsmiddelen aan te wenden. Uit deze akte blijkt dat bedoelde machtiging is verleend, in aanmerking genomen dat een beschikking is opgelegd waarmee de betrokkene zich niet kan verenigen. Gelet op de inhoud daarvan moet worden aangenomen dat de geldigheid van de machtiging niet beperkt is tot de dag waarop deze is gedateerd. Echter, in de akte van volmacht is niet de aan deze procedure ten grondslag liggende beschikking genoemd. Het document houdt dus geen bijzondere volmacht in. Gelet hierop kon de kantonrechter tot het oordeel komen dat de in het dossier aanwezige akte van volmacht niet toereikend was. Niet-ontvankelijkverklaring kan echter eerst volgen indien de gemachtigde in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen, het verzuim niet binnen de in de brief genoemde termijn is hersteld en in de brief is meegedeeld dat niet-ontvankelijkverklaring kan volgen als het verzuim niet binnen die termijn is hersteld.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:4275” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:4145

De regel dat op grond van de vaste werkwijze van de CVOM de verzending van de zekerheidsbrieven door de CVOM aannemelijk is, geldt niet voor de verzending van de motivering van de beslissing van de officier van justitie door de CVOM. Het hof verwijst naar het arrest ECLI:NL:GHARL:2015:2418 en overweegt dat gesteld noch gebleken is dat de werkwijze ten aanzien van de verzending van de motivering van de beslissing van de officier van justitie afwijkt van de werkwijze ten aanzien van verzuimbrieven.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:4145” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:3210

Betrokkene heeft onder bedreiging en mishandeling voor een viertal personen voertuigen op zijn naam laten zetten en hij had grote angst om met de kwestie in de openbaarheid te treden. Het heeft de gemachtigde en de begeleider van betrokkene dan ook veel overtuigingskracht gekost om de betrokkene zover te krijgen dat hij aangifte tegen de personen in kwestie heeft gedaan en beroep tegen de beschikkingen heeft ingesteld. Ter onderbouwing is een afschrift van de aangifte overgelegd, alsmede stukken waaruit blijkt dat er een politieonderzoek loopt naar deze personen en dat twee van deze personen na een achtervolging door de politie werden aangetroffen in een op naam van de betrokkene geregistreerd voertuig. Hetgeen namens de betrokkene is aangevoerd acht het hof aannemelijk. De advocaat-generaal heeft de aannemelijkheid daarvan ook niet in twijfel getrokken. Gelet op hetgeen is aangevoerd kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim is geweest. De termijnoverschrijding is dus verschoonbaar.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:3210” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:2999

De betrokkene heeft aangevoerd dat hij met het CJIB in onderhandeling was voor het aangaan van een betalingsregeling en dat het instellen van beroep hem tijdens dat overleg niet opportuun leek. Niet valt in te zien waarom de betrokkene vanwege het overleg met het CJIB niet in staat zou zijn geweest tijdig beroep in te stellen bij de officier van justitie. Hij had er immers voor kunnen kiezen om ter voorkoming van een termijnoverschrijding ongemotiveerd beroep in te stellen tegen de inleidende beschikking om in een latere fase eventueel de gronden van zijn beroep aan te vullen. Hetgeen de betrokkene aanvoert leidt daarom niet tot de conclusie dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene in deze zaken in verzuim is geweest.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:2999” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:2750

De gemachtigde heeft twee wegen bewandeld. In het traject tegen de opgelegde sanctie heeft de kantonrechter te Utrecht het beroep ongegrond verklaard. Daarnaast is bij brief van bij de kantonrechter van de rechtbank Gelderland beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beschikking door de officier van justitie. Het hof geeft aan wat de verschillende instanties ermee hadden moeten doen. De na de beslissing van de kantonrechter door de gemachtigde toegezonden stukken moesten worden doorgezonden naar de griffier van de rechtbank Utrecht teneinde deze in de gelegenheid te stellen deze stukken te beoordelen of het als beroepschrift tegen de beslissing van de kantonrechter moesten worden aangemerkt. Het beroepschrift, gericht aan de afdeling bestuursrecht van de rechtbank Arnhem, moest worden doorgezonden naar de griffier van de rechtbank Utrecht en niet naar de kantonrechter in de rechtbank Gelderland. Gelet hierop is het hof van oordeel dat het beroepschrift van de gemachtigde dient te worden aangemerkt als verschoonbaar niet tijdig ingediend hoger beroepschrift.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:2750” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:2723

Onder de inleidende beschikking is vermeld dat geen beroep kon worden ingesteld tegen de administratiekosten. Omdat de betrokkene enkel bezwaar had tegen de administratiekosten, heeft de betrokkene in eerste instantie geen beroep ingesteld. Toen hem door de opgelegde verhoging bleek dat wel administratiekosten in rekening werden gebracht, heeft hij alsnog beroep ingesteld. Dit beroep op verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding treft doel. In de destijds toegepaste rechtsmiddelverwijzing staat onder de inleidende beschikking ten onrechte dat tegen de administratiekosten geen beroep kan worden ingesteld. Door deze onjuiste rechtsmiddelverwijzing is ten onrechte de indruk gewekt dat tegen de oplegging van de administratiekosten geen beroep kon worden ingesteld. De termijnoverschrijding moet op deze grond verschoonbaar worden geacht (ECLI:NL:GHLEE:2012:BW8480).
Ook stelt het hof nog vast dat ten onrechte op 9 augustus de tweede verhoging is toegepast. De betrokkene heeft immers bij brief van 2 augustus, ontvangen op 3 augustus, beroep bij de officier van justitie ingesteld.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:2723” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:2418

De advocaat-generaal heeft de informatie verstrekt over de werkwijze bij verzending van brieven waarin een termijn wordt gegund een geconstateerd verzuim te herstellen. Het hof stelt vast dat uit de omstandigheid dat de verzuim-herstel-brief zich in het dossier van het hof bevindt niet meer blijkt dan dat de brief is aangemaakt. Of de brief vervolgens is geprint, in de postbak is gelegd, naar de postkamer is gebracht, in een envelop is gedaan en aan een medewerker van PostNL is aangeboden ter bezorging, wordt niet geregistreerd. Naar het oordeel van het hof is gelet hierop niet voldoende aannemelijk geworden dat de brief is verzonden aan de gemachtigde.
De gemachtigde heeft aangevoerd dat de foto van de gedraging zo onduidelijk is dat de beschikking niet kan worden gecontroleerd op juistheid. Naar het oordeel van het hof bieden de stukken in het dossier, in het bijzonder de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht van het CJIB, voldoende grond voor de conclusie dat de in de inleidende beschikking weergegeven gedraging is verricht.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:2418” verder