ECLI:NL:GHARL:2016:9671

De griffier van de rechtbank heeft een mededeling van de CVOM ontvangen dat het adres van de betrokkene gewijzigd is. Bijgevoegd is een schrijven van de CVOM dat retour afzender is ontvangen wegens ‘verhuist’. De betrokkene voert aan de beslissing van de kantonrechter niet te hebben ontvangen. In verband hiermee kon de griffier van de rechtbank niet zonder meer gebruik maken van het adres in het beroepschrift, om de beslissing aan de betrokkene toe te zenden, maar had hij nader onderzoek moeten doen naar het adres van de betrokkene. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat de beslissing naar het juiste adres is verzonden, zodat de beroepstermijn niet is aangevangen. Het hoger beroep is derhalve tijdig ingesteld.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:9671” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:5515

De gemachtigde heeft aangevoerd dat de beschikking niet op de voorgeschreven wijze aan de betrokkene bekend is gemaakt en dat de betrokkene eerst door middel van een executiemededeling van het Bundesamt für Justiz van 17 juli 2014 kennis heeft genomen van de beschikking. De gedraging betreft een inbreuk op een Nederlands verkeersvoorschrift. Op de beslissing tot oplegging van een sanctie naar aanleiding van die gedraging zijn de voorschriften van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) van toepassing. In geval een gedraging als voormeld op Nederlands grondgebied is verricht door een (rechts)persoon die woonachtig is in dan wel gevestigd is op het grondgebied van een andere lidstaat van de EU, worden de beslissing tot oplegging van de sanctie en de procedure van bezwaar en beroep beheerst door het Nederlandse recht.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:5515” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:4926

De gemachtigde heeft de CVOM in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het beroep. In het onderhavige geval is de beslissing op het administratief beroep, weliswaar binnen de daarvoor geldende termijn genomen, maar is deze vervolgens als gevolg van een technische storing bij het CJIB niet aan de betrokkene en de gemachtigde gezonden. Uit het dossier blijkt echter dat de officier van justitie bij separate brief aan de gemachtigde heeft bericht dat het verzoek om een kostenvergoeding wordt afgewezen. Gelet hierop is de gemachtigde binnen de geldende termijn geïnformeerd over het feit dat er een beslissing is genomen op het beroep en dat het beroep niet gegrond is verklaard. Onder deze omstandigheden is voldaan aan de strekking van de toepasselijke beslistermijn.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:4926” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:4607

De beslissing van de officier van justitie is op 4 februari aan de gemachtigde verzonden. De afzonderlijk verzonden motivering van die beslissing van 25 januari, is bij brief van 12 maart nogmaals aan de gemachtigde toegezonden. De gemachtigde heeft bij brief van 20 februari verzocht alsnog de door de officier van justitie afzonderlijk verzonden motivering, die hij niet heeft ontvangen, te mogen ontvangen. Zoals het hof in ECLI:NL:GHARL:2015:4145 heeft geoordeeld, geldt ten aanzien van de door de officier van justitie afzonderlijk verzonden motivering van de beslissing niet dat op voorhand aannemelijk is dat zij zijn verzonden. Het hof is van oordeel dat nu de door het CJIB verzonden beslissing d.d. 4 februari 2013 geen beslissing van de officier van justitie inhoudt, de beslissing van de officier van justitie d.d. 25 januari eerst bij brief van 12 maart is bekendgemaakt.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:4607” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:42

Uit het dossier blijkt dat de kantonrechter op 8 februari heeft beslist en dat de beslissing op diezelfde dag zou zijn verzonden. Verder volgt op geen enkele wijze uit het dossier dat de beslissing daadwerkelijk aan de betrokkene is toegezonden. Het hof acht dit onvoldoende om aannemelijk te achten dat verzending heeft plaatsgevonden. Uit de stukken kan derhalve niet worden afgeleid dat (en zo ja wanneer) de beroepstermijn is aangevangen. Gelet daarop kan een termijnoverschrijding niet worden vastgesteld. Dat wordt niet anders doordat de betrokkene nadien nog stukken van het CJIB heeft ontvangen, zoals een betalingsoverzicht na beroep bij de kantonrechter van het CJIB en aanmaningen. Aan die omstandigheid komt niet hetzelfde rechtsgevolg toe als aan een (rechtsgeldige) verzending van de beslissing van de kantonrechter. Door toezending van het betalingsoverzicht na beroep bij de kantonrechter vangt niet een beroepstermijn aan.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:42” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:35

De betrokkene woont in Duitsland, betwist de inleidende beschikking te hebben ontvangen en legt een uittreksel uit het bevolkingsregister over. Gelet op dat uittreksel rijst twijfel aan de juistheid van het bij het CJIB geregistreerde adres van de betrokkene. Onvoldoende vast staat dat de inleidende beschikking op de juiste wijze bekend is gemaakt. Dit leidt tot het oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat niet tijdig beroep is ingesteld tegen de inleidende beschikking. In dit geval wordt ook de inleidende beschikking vernietigd. De betrokkene heeft daarvan ruim twee jaar na de gedraging pas kennis genomen en is in zijn verdedigingsbelang geschaad door de overschrijding van de voorgeschreven termijn van bekendmaking van de inleidende beschikking.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:35” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:5906

Het instellen van administratief beroep kan worden beschouwd als het indienen van een aanvraag als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, Awb. Dat dit administratief beroep zich richt tegen een ambtshalve gegeven beschikking doet daaraan niet af. Bij brief heeft de gemachtigde de officier van justitie verzocht een beslissing te nemen op zijn beroepschrift en is de officier van justitie in gebreke gesteld. Volgens het zaakoverzicht van het CJIB is de beslissing van de officier van justitie echter reeds, voor het einde van de termijn, aan de betrokkene toegezonden. Het hof heeft in ECLI:NL:GHLEE:2009:BP3020 overwogen dat, gelet op de vaste werkwijze van het CJIB bij de verzending van stukken, de kans op fouten daarbij nagenoeg is uitgesloten. Op grond daarvan mag worden aangenomen dat verzending daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het ligt vervolgens op de weg van de betrokkene om de ontvangst van de beslissing van de officier van justitie op niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. De betrokkene is daar niet in geslaagd. De omstandigheid dat de beslissing niet is verzonden aan de gemachtigde, brengt niet mee dat de officier van justitie niet op het beroep heeft beslist.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:5906” verder

ECLI:NL:RVS:2014:4682

Als uitgangspunt geldt dat, in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat het besluit naar het juiste adres is verzonden.
Van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb is sprake als duidelijk is dat de belanghebbende het bestuursorgaan maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Daarvan is sprake indien voldoende duidelijk is op welke aanvraag het geschrift betrekking heeft. Het faxbericht kan, gelet op de bewoordingen, worden aangemerkt als een ingebrekestelling in de zin van artikel 4:17 van de Awb. Ingevolge het derde lid van dit artikel was het college na deze ingebrekestelling een dwangsom verschuldigd.

Lees “ECLI:NL:RVS:2014:4682” verder

ECLI:NL:GHARL:2014:7747

De betrokkene heeft het beroepschrift tegen de inleidende beschikking ingediend bij de RDW in plaats van bij de CVOM. Ook op de RDW rust de doorzendplicht.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2014:7747” verder

ECLI:NL:RVS:2014:967

Als uitgangspunt geldt dat, in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. De Belastingdienst/Toeslagen heeft in dit geval in beroep weliswaar een uitdraai uit het Eldoc-systeem overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat op 9 januari 2012 een brief aan de gemachtigde met het besluit op bezwaar is aangemaakt maar, anders dan in de door hem in het verweerschrift aangehaalde zaak (ECLI:NL:RVS:2012:BV2442), geen printafdrukken overgelegd uit een postregistratiesysteem of een verzendadministratie, noch enig ander stuk waarmee hij de verzending van de brief van 9 januari 2012 aannemelijk heeft gemaakt.

Lees “ECLI:NL:RVS:2014:967” verder

ECLI:NL:GHARL:2014:1408

In een geval als deze, waarin door de betrokkene het verweer is gevoerd dat hij de inleidende beschikking noch de beide aanmaningen heeft ontvangen, is voor de beantwoording van de vraag of de beschikking onherroepelijk is, beslissend of op grond van een in het kader van de procedure van artikel 27 WAHV verricht onderzoek, zo nodig aan de hand van door de officier van justitie te verstrekken gegevens, door de kantonrechter wordt vastgesteld dat het verweer van de betrokkene als onjuist moet worden verworpen, omdat blijkt dat deze de genoemde poststukken wel heeft ontvangen, dan wel deze niet heeft ontvangen ten gevolge van een hem toe te rekenen omstandigheid. In beginsel is het aan de officier van justitie om aannemelijk te maken dat aan één van de voorwaarden is voldaan, maar van een betrokkene mag worden verwacht dat hij niet volstaat met de enkele ontkenning dat hij de betreffende poststukken heeft ontvangen, doch, voor zover in zijn vermogen ligt, nadere gegevens verschaft ter staving van dat verweer.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2014:1408” verder

ECLI:NL:HR:2013:969

Ingevolge het bepaalde in artikel 6:17 van de Awb had de beslissing van de officier van justitie niet (alleen) aan de betrokkene, maar (ook) aan de gemachtigde moeten worden verzonden. De omstandigheid dat de beslissing van de officier van justitie niet is verzonden aan de gemachtigde, waardoor de gemachtigde niet op hoogte is geraakt van die beslissing, brengt niet mee dat de officier van justitie niet op het beroep heeft beslist.

Lees “ECLI:NL:HR:2013:969” verder

ECLI:NL:RVS:2012:BV2442

Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. De Belastingdienst heeft informatie verstrekt over de wijze waarop hij de besluiten omtrent aanvragen van zorgtoeslagen geautomatiseerd vaststelt, uitprint en per batch aan TNT Post ter verzending aanbiedt. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 35 van de Awir blijkt dat de achtergrond van de afwijking die in deze bepaling staat, de geautomatiseerde werkwijze bij de Belastingdienst is die erop neerkomt dat besluiten van de Belastingdienst veelal op een latere dag zijn gedateerd dan die waarop de feitelijke bekendmaking plaatsvindt.

Lees “ECLI:NL:RVS:2012:BV2442” verder

ECLI:NL:RVS:2011:BQ4617

De hoogste bestuursrechters hanteren alle als uitgangspunt dat, in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Deze precisering van de benadering van het bewijs van ontvangst van niet-aangetekend verzonden stukken sluit aan bij de rechtspraak van de Hoge Raad en draagt aldus bij aan de rechtseenheid in het bestuursrecht.

Lees “ECLI:NL:RVS:2011:BQ4617” verder

ECLI:NL:RVS:2010:BN4254

In geval van niet aangetekende verzending van besluiten of andere rechtens van belang zijnde documenten, dient het bestuursorgaan aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. Indien het bestuursorgaan de verzending van het stuk aannemelijk heeft gemaakt, ligt het op de weg van de geadresseerde om de ontvangst ervan op een niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. Eerst dan is het aan het bestuursorgaan dat het stuk heeft verzonden om de ontvangst daarvan aannemelijk te maken. Met het plaatsen van het verzendstempel is slechts aannemelijk dat de brief de behandelende afdeling heeft verlaten. Met het stempel is echter niet aannemelijk gemaakt dat de brief daadwerkelijk via het centraal afhaalpunt en de postkamer het gemeentehuis heeft verlaten en naar het postadres is verzonden. Omdat op de postkamer geen registratie heeft plaatsgevonden van de verzending naar het postadres, heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat de brief is verzonden naar dit postadres.

Lees “ECLI:NL:RVS:2010:BN4254” verder

ECLI:NL:GHLEE:2009:BP3020

Het is het hof ambtshalve bekend dat het CJIB voor de vervaardiging en aanbieding ter verzending van poststukken gebruikt maakt van de diensten van een printermailservicebedrijf. Het aanmaken, uitdraaien op papier, voegen in een enveloppe en aanbieden aan TNT Post geschiedt ook door middel van een geautomatiseerd systeem. Het CJIB geeft de verzenddatum van de beschikking mee. De logistiek bij het printermailservicebedrijf is zodanig ingericht, dat de beschikkingen vóór de verzenddatum aan TNT Post worden aangeboden. Er is sprake van een interne kwaliteitscontrole bij het printermailservicebedrijf. Zo vindt een vergelijking plaats van het totale aantal aan TNT Post aangeboden stukken en het totale aantal door het CJIB aangeleverde zaken. Gecontroleerd wordt of hetzelfde aantal documenten wordt uitgeprint als dat aan TNT Post wordt aangeboden.

Lees “ECLI:NL:GHLEE:2009:BP3020” verder

ECLI:NL:RVS:2008:BC7639

De toenmalige gemachtigde heeft geen afschrift van het besluit ontvangen, waardoor het bezwaarschrift door de gemachtigde na afloop van de bezwaartermijn is ingediend. Het optreden van een gemachtigde heeft tot gevolg dat het contact met een belanghebbende in beginsel via die gemachtigde verloopt en dat, indien een besluit aan de bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde wordt toegezonden, de bekendmaking op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden.
Volgens vaste jurisprudentie is het, ingeval van niet aangetekende verzending van besluiten, aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden.

Lees “ECLI:NL:RVS:2008:BC7639” verder

ECLI:NL:RVS:2007:BB6318

Het enkele feit dat, ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift, geen schriftelijke machtiging aan het college is overgelegd betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat iemand niet als gemachtigde kan worden aangemerkt. Een bestuursorgaan is niet verplicht een machtiging te verlangen.
Het optreden van een gemachtigde tot gevolg heeft dat het contact met een belanghebbende in beginsel via de gemachtigde loopt en dat, indien een besluit aan de bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde wordt toegezonden, sprake is van een bekendmaking op de voorgeschreven wijze.
Volgens vaste jurisprudentie dient, ingeval van niet aangetekende verzending van besluiten of andere rechtens van belang zijnde documenten, het bestuursorgaan aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. Indien het bestuursorgaan de verzending van het desbetreffende stuk aannemelijk heeft gemaakt, ligt het op de weg van de geadresseerde om de ontvangst ervan op niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen.

Lees “ECLI:NL:RVS:2007:BB6318” verder

ECLI:NL:HR:2006:AZ4416

In beginsel is het aan de inspecteur om aannemelijk te maken dat de aanmaning op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd of aangeboden, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst of aanbieding van de aanmaning op dat adres. Dit brengt mee dat de inspecteur in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste adres. Het ligt vervolgens op de weg van de belastingplichtige voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de aanmaning niet op zijn adres is ontvangen of aangeboden; voldoende is dat op grond van hetgeen de belastingplichtige aanvoert ontvangst of aanbieding redelijkerwijs moet worden betwijfeld. Het staat de feitenrechter vrij om zodanige twijfel gerechtvaardigd te achten op grond van naar zijn oordeel geloofwaardige ontkenning door de belastingplichtige dat de aanmaning op zijn adres is ontvangen of aangeboden. Slaagt de belastingplichtige erin eerdergenoemd vermoeden te ontzenuwen, dan zal de ontvangst of aanbieding van de aanmaning slechts aannemelijk geoordeeld kunnen worden indien de inspecteur daarvan nader bewijs levert.

Lees “ECLI:NL:HR:2006:AZ4416” verder

ECLI:NL:RVS:2000:AA6457

Bestuursorgaan hoeft niet aannemelijk te maken dat niet-aangetekende verzending van het besluit wel is ontvangen. Appellante heeft aangevoerd dat zij het besluit van 26-11-1997 eerst op 29 juni 1998 in kopie heeft ontvangen, waarna zij zo spoedig mogelijk een bezwaarschrift heeft ingediend. Het besluit van 26-11-1997 is niet aangetekend verzonden. In aanmerking genomen evenwel de door de Staatssecretaris verstrekte informatie over de wijze waarop aanvragen van huursubsidie geautomatiseerd worden afgedaan, moet het ervoor worden gehouden dat de verzending inderdaad op 26-11-1997 heeft plaatsgevonden. Het besluit was voorzien van de juiste tenaamstelling en adressering. Aangezien het zoekraken van op normale wijze ter post bezorgde brieven op het traject tussen verzender en ontvanger tot de hoge uitzondering behoort, acht de Afd. niet aannemelijk dat het besluit appellante niet heeft bereikt. De enkele stelling van appellante dat zij wel vaker brieven niet heeft ontvangen, biedt in dit geval onvoldoende grond voor het oordeel dat sprake is van een niet ongeloofwaardige ontkenning.

Lees “ECLI:NL:RVS:2000:AA6457” verder