ECLI:NL:GHARL:2018:9801

Als je met redenen omkleed en met stukken onderbouwd dat aan het verkeersteken (parkeerverbodszone) geen geldend verkeersbesluit ten grondslag lag, geeft het hof aanleiding om oplegging van een sanctie achterwege te laten.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2018:9801” verder

ECLI:NL:GHARL:2017:1934

De kantonrechter heeft overwogen om de feitcode te wijzigen van R584 (parkeerverbod) in R315b (parkeren op trottoir/voetpad), dat het beroep ongegrond zal worden verklaard en dat een kostenveroordeling daarom niet aan de orde is. Het hof stelt vast dat de betrokkene heeft geparkeerd op een trottoir. Beletselen voor wijziging van de feitcode zijn gesteld noch gebleken. Gelet hierop had de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond moeten verklaren en de aan de betrokkene opgelegde administratieve sanctie moeten wijzigen in voormelde zin. Aldus zou de betrokkene tevens in het gelijk zijn gesteld. In een zodanig geval bestaat aanleiding voor inwilliging van het verzoek om toekenning van vergoeding van proceskosten.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:1934” verder

ECLI:NL:GHARL:2017:980

Voor zover de betrokkene stelt dat het zonebord E1 slechts geldt voor de zijde van de weg waar het is geplaatst, moet dit verweer worden verworpen. Artikel 65, tweede lid, RVV 1990, waarin is bepaald dat een verkeersbord E1 alleen geldt voor de zijde van de weg waar het is geplaatst, vindt – gelet op artikel 66 RVV 1990 – binnen een parkeerverbodszone geen toepassing.
Het betoog van de betrokkene dat in combinatie met het verkeersbord E1 een bord E10 ‘parkeerschijfzone’ geplaatst had moeten worden, berust op een onjuiste lezing van de regelgeving. Een verkeersbord E10 duidt een parkeerschijfzone aan en houdt geen verband met een verkeersbord E1. Verkeersbord E10 wordt in artikel 66, derde lid, van het RVV 1990 slechts genoemd om aan te duiden dat deze bepaling ook op parkeerschijfzones van toepassing is.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:980” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:5382

Betrokkene kreeg een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “Parkeren in strijd met parkeerverbod (bord E1) (al dan niet in zone)”. Namens de betrokkene wordt aangevoerd dat betrokkene heeft geparkeerd op een braakliggend terrein. Gelet op de stukken in het dossier, in het bijzonder de door de gemachtigde overgelegde foto’s en de toelichting die hij ter zitting heeft gegeven, stelt het hof vast dat het voertuig niet op de rijbaan stond geparkeerd, maar op een braakliggend terrein. Onder verwijzing naar het arrest van dit hof van 23 mei 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:3927) overweegt het hof dat het parkeerverbod aangegeven met verkeersbord E1 zich niet tot dit terrein uitstrekt. Dat is niet anders bij een parkeerverbodszone als bedoeld in artikel 66 van het RVV 1990.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:5382” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:4962

Namens betrokkene wordt onder meer aangevoerd dat de betrokkene in de berm heeft geparkeerd en dat de parkeerverbodszone, slechts voor de rijbaan en niet voor de berm gelding heeft. Gelet op de foto’s en hetgeen namens betrokkene hierover is aangevoerd, stelt het hof vast dat het voertuig van de betrokkene niet op de rijbaan stond geparkeerd, maar in de berm. Onder verwijzing naar het arrest van dit hof van 23 mei 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:3927) overweegt het hof dat het parkeerverbod aangegeven met bord E1 als bedoeld in bijlage 1 van het RVV 1990 zich niet uitstrekt over de berm van de weg. Dat is niet anders bij een parkeerverbodszone als bedoeld in artikel 66 van het RVV 1990.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:4962” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:4584

Gemachtigde voert aan dat betrokkene in de berm op een verhard gedeelte stond geparkeerd en dat het parkeerverbod, aangeduid met verkeersbord E1, slechts voor de rijbaan en niet voor de berm gelding heeft. Het hof stelt vast dat niet op de rijbaan stond geparkeerd, maar op de met grastegels bedekte en verharde berm. Onder verwijzing ECLI:NL:GHARL:2016:3927 overweegt het hof dat voor de uitleg van het begrip weg in de zin van artikel 65, tweede lid, van het RVV 1990 geen aansluiting bij het begrip weg als bedoeld in artikel 1, onder b van de WVW 1994 dient te worden gezocht en dat het parkeerverbod aangegeven met verkeersbord E1 zich niet uitstrekt over de berm van de weg.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:4584” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:4404

Gelet op de ingestuurde foto’s en de definitie van een parkeerstrook is naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat het voertuig was geparkeerd op een daartoe bestemd weggedeelte. Het verschil in de bestrating ten opzichte van de rijbaan, de schuin oplopende oprijband alsmede de onderbroken langsmarkering zijn daarvoor aanwijzingen. Contra-indicaties voor een bestemming tot parkeren op de plaats waar het voertuig van betrokkene was geplaatst, zoals een kruis in de bestrating of een bord voor laden en lossen, ontbreken. De verklaring van de verbalisant, inhoudende dat op de strook nooddeuren uitkomen, doet niet af aan het feit dat betrokkene voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de strook een tot parkeren bestemd weggedeelte was. Dat kan anders zijn als betrokkene voor de nooddeuren had geparkeerd.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:4404” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:3927

Verkeersbord E1 (parkeerverbod) verbiedt niet het parkeren in de berm. Het voertuig was geparkeerd in de berm in een gebied waar verkeersbord E1 gold en dat ingevolge het Verdrag van Wenen inzake verkeerstekens (d.d. 8-11-1968) een verkeersbord slechts gelding kan hebben voor de rijbaan (carriageway), zodat niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Aangezien de bepalingen uit het Verdrag voor de Wegenverkeerswet 1994 gaan, doet niet ter zake dat in de Wegenverkeerswet 1994 is bepaald dat de berm onderdeel van de weg is. De reikwijdte ervan is beperkt tot de rijbaan. De Nota van Toelichting op artikel 10 van het RVV 1990 en de beperking die het derde lid van artikel 65, derde lid, van het RVV 1990 aanbrengt op de reikwijdte van de gelding van de borden E1, E2 en E3 van de bijlage 1 van het RVV 1990 leiden tot de conclusie, dat het bord E1 niet verbiedt om in de berm te parkeren. Het hof zoekt voor de uitleg van het begrip weg in de zin van artikel 65 tweede lid van het RVV derhalve geen aansluiting bij het begrip weg als bedoeld in artikel 1, onder b van de WVW 1994.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:3927” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:3804

De bepalingen in (de uitvoeringsvoorschriften van) het BABW zijn gericht tot de wegbeheerder en het staat niet ter beoordeling van de individuele weggebruiker of een verkeersteken terecht en overeenkomstig de voorschriften is geplaatst. Derhalve diende de betrokkene gevolg te geven aan het bord E1 en stond het haar niet vrij naar eigen inzicht van dat gebod af te wijken. Dat is slechts anders in het geval dat de situatie klaarblijkelijk zo afwijkend is van die waarop het verkeersteken betrekking heeft dat bij het gevolg geven aan dat teken de veiligheid op de weg in gevaar zou worden gebracht (vgl. HR 4 december 1984, VR 1985, 39). Uit de bepalingen van het RVV en het BABW volgt dat de parkeerverbodszone in dit geval wordt begrensd door het verkeersbord dat de zone aangeeft en een in samenhang met dat bord geplaatst bord dat het einde van de zone aangeeft. Hieruit volgt dat het parkeerverbod geldt voor beide zijden van de weg. Bovendien volgt hieruit dat geen verplichting bestaat voor de wegbeheerder herhalingsborden te plaatsen binnen een zone of anderszins kenbaar te maken dat sprake is van een parkeerverbodszone. Dat in andere situaties wel herhalingsborden of andere verkeerstekens zijn geplaatst, maakt dat niet anders. Dat de betrokkene zich niet of onvoldoende heeft gerealiseerd dat zij zich (nog steeds) binnen een parkeerverbodszone bevond, is een omstandigheid die binnen de risicosfeer van de betrokkene dient te blijven.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:3804” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:3074

Onder onmiddellijk laden of lossen van goederen dient te worden verstaan het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is. De enkele omstandigheid dat er kennelijk circa 15 minuten nodig waren om de kast ter plekke te brengen, brengt reeds mee dat van de vereiste onmiddellijkheid geen sprake meer is. Het voertuig heeft niet uitsluitend stilgestaan zo lang als nodig was voor het ononderbroken verrichten van handelingen dat redelijkerwijs noodzakelijk was om de kast te lossen. Voor het bepalen of sprake is van de redelijkerwijs noodzakelijke handelingen is mede van belang of er een alternatief was. In dit geval had de betrokkene ervoor kunnen kiezen om de kast uit te laden en tijdelijk in de hal van het flatgebouw neer te zetten, de auto te verplaatsen naar een plaats waar het toegelaten en mogelijk was te parkeren met een auto met aanhangwagen en daarna terug te komen en de kast naar de woning op de vijfde verdieping te brengen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:3074” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:1558

Het hof heeft reeds eerder uitgemaakt dat de WAHV geen gevolgen verbindt aan het niet voorafgaand aan de zitting verstrekken van door de kantonrechter verlangde informatie. De WAHV kent geen bepaling -zoals artikel 8:58 Awb- met betrekking tot het tijdstip dat nog aanvullende stukken kunnen worden ingediend bij de kantonrechter. Behandeling van een zaak ter zitting van de kantonrechter in het kader van de WAHV heeft onder meer tot doel om partijen in de gelegenheid te stellen te reageren op de in het dossier aanwezige stukken.
De officier van justitie heeft om een aanvullend proces-verbaal verzocht, maar de verbalisant heeft geen aanvullend proces-verbaal opgemaakt over de bebording ter plaatse ten tijde van de gedraging. Het hof deelt niet het standpunt van de officier van justitie dat het niet responderen op een verzoek om aanvullende informatie niet kan leiden tot de conclusie dat de verklaring van de verbalisant onvoldoende is om vast te stellen dat de gedraging is begaan. Gelet op het proces-verbaal van de zitting is voor de kantonrechter leidend geweest, dat de door hem noodzakelijk geachte informatie niet werd verstrekt. Nu op basis van hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd twijfel bestond aan de ambtsedige verklaring over de aanwezigheid van de bebording en de verbalisant deze twijfel niet heeft weggenomen door middel van een aanvullend proces-verbaal, heeft de kantonrechter naar het oordeel van het hof aanleiding kunnen zien het beroep gegrond te verklaren.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:1558” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:9486

De betrokkene stelt dat de werking van het verkeersbord met betrekking tot de parkeerzone voor vergunninghouders is opgeheven doordat er bij de betreffende parkeerplaats een bord staat waaruit volgt dat die parkeerplek tussen 18.00 en 24.00 uur is bestemd voor minder validen. Niet betwist is dat de betreffende parkeerplaats zich in een parkeerzone voor vergunninghouders bevindt, hetgeen wordt aangegeven door middel van verkeersborden. Het bord E6 duidt op de aanwezigheid van een gehandicaptenparkeerplaats. Het onderbord geeft een nadere uitleg hiervan. Daarmee is naar het oordeel van het hof aangegeven dat de betreffende parkeerplaats slechts gedurende de bepaalde uren – te weten 18.00 en 24.00 uur- heeft te gelden als een gehandicaptenparkeerplaats. Dit brengt mee dat het tussen die uren ook voor niet-vergunninghouders is toegestaan ter plaatse te parkeren, mits is voldaan aan de voorwaarden van artikel 26 van het RVV 1990. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de betrokkene niet bestrijdt dat hij het voertuig met voormeld kenteken op voormelde tijd ter plaatse heeft geparkeerd, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:9486” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:4227

De kantonrechter heeft overwogen dat het voertuig van de betrokkene had geparkeerd in de berm in een gebied waar verkeersbord E1 (een parkeerverbod) gold en dat ingevolge het Verdrag van Wenen inzake verkeerstekens een verkeersbord slechts gelding kan hebben voor de rijbaan (carriageway), zodat niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Aangezien de bepalingen uit het Verdrag voor de Wegenverkeerswet 1994 gaan, doet naar het oordeel van de kantonrechter niet ter zake dat in de Wegenverkeerswet 1994 is bepaald dat de berm onderdeel van de weg is. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene gegrond verklaard. Gelet op de stukken in het dossier en op hetgeen de gemachtigde ter terechtzitting van het hof desgevraagd heeft verklaard, acht het hof niet aannemelijk dat de gemachtigde van betrokkene het voertuig volledig in de berm had geparkeerd. Nu de gemachtigde naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van het hof niet heeft betwist dat de auto op de rijbaan stond geparkeerd, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:4227” verder