ECLI:NL:GHARL:2015:9033

De gedraging “niet stoppen voor rood licht” moet worden geacht te zijn verricht, indien komt vast te staan dat het desbetreffende voertuig voor rood licht niet is gestopt voor de stopstreep (vgl. HR 7 juni 1994, DD 1994, 381). Daaruit mag echter, gelet op het hiervoor aangehaalde artikel 68, eerste lid, onder c, van het RVV 1990, niet a contrario worden afgeleid dat indien de stopstreep is gepasseerd, de verplichting tot stoppen niet meer zou gelden. Ook indien op het moment waarop een bestuurder de stopstreep overschrijdt, het op enige afstand van die streep zich bevindende voor hem geldende verkeerslicht nog géén rood licht uitstraalt, kan niettemin worden gezegd dat die bestuurder “door rood licht rijdt”, wanneer hij het verkeerslicht voorbijrijdt als het inmiddels rood licht uitstraalt (HR 1 juli 1982, LJN AJ4885).
Weliswaar heeft de betrokkene voldoende aannemelijk gemaakt dat hij het verkeerslicht geel licht zag stralen toen hij de stopstreep passeerde, maar dat brengt op zichzelf niet mee dat redelijkerwijs twijfel bestaat of het verderop gelegen verkeerslicht rood licht uitstraalde, toen de betrokkene dat passeerde, gezien de afstand tussen het verkeerslicht en de stopstreep.
Voorts verzet het wettelijk systeem zich ertegen om de betrokkene, aan wie de cautie behoort te worden gegeven, als getuige te beëdigen; het stond de kantonrechter vrij de eigen verklaring van de betrokkene te waarderen zoals hij heeft gedaan.
Artikel 13a WAHV brengt mee dat in de WAHV procedure geen plaats is voor toekenning van wettelijke rente of een schadevergoeding.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:9033” verder

ECLI:NL:RVS:2014:188

De ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld en het processuele gedrag van appellant gedurende de gehele procesgang onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de als uitgangspunt gehanteerde termijnen gerechtvaardigd te achten. De gehanteerde redelijke termijn van vijf jaar voor zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan, vermoedelijk niet in strijd is met artikel 6, eerste lid, van het EVRM. In niet-punitieve procedures die volgen op primaire besluiten die bekend zijn gemaakt vóór 1 februari 2014 geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer dan drie jaar mogen duren en dat in niet-punitieve procedures die volgen op primaire besluiten die bekendgemaakt zijn gemaakt op of na 1 februari 2014 als uitgangspunt geldt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer dan twee jaar mogen duren. Tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden.

Lees “ECLI:NL:RVS:2014:188” verder

ECLI:NL:RBMNE:2013:3233

Van een tweedehands auto mag je verwachten dat de auto de eigenschappen bezit die nodig zijn voor normaal gebruik van de auto, te weten het deelnemen aan het verkeer. De auto moet deze eigenschappen bezitten bij aflevering, maar als een gebrek zich binnen zes maanden openbaart, wordt op grond van artikel 7:18 lid 2 BW bij een consumentenkoop, waarvan hier sprake is, uitgegaan van het vermoeden dat dit gebrek dan al bij aflevering aanwezig was.

Lees “ECLI:NL:RBMNE:2013:3233” verder

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6202

Vanaf de ontvangst door het Uwv in september 2003 van de bezwaarschriften van verzoekers tot de datum van die uitspraken is ruim acht jaar verstreken. Een periode van drie jaar en zes maanden tellen niet mee in verband met de procedure bij het Hof. De Raad is niet gebleken van omstandigheden die tot het oordeel moeten leiden dat een langere behandelingsduur dan vier jaar gerechtvaardigd was. De redelijke termijn is derhalve met ruim een half jaar overschreden. Ingevolge vaste rechtspraak acht de Raad in het algemeen een vergoeding gepast van € 500,– per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. In individuele gevallen kan van dit bedrag worden afgeweken. De Raad ziet daartoe geen aanleiding. Dat leidt tot een schadevergoeding van twee maal € 500,–, dit is € 1000,– per verzoeker.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2012:BY6202” verder

ECLI:NL:RVS:2012:BY5887

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM overschreden, indien de duur van de totale procedure onredelijk lang is. Voorts heeft, zoals volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, waarbij de Afdeling zich aansluit, voor de beslechting van het geschil aangaande een punitieve sanctie in beroep als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien, behoudens bijzondere omstandigheden, niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak is gedaan en dat deze termijn aanvangt op het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. Voor de bepaling van de redelijke termijn dient de tijd die gemoeid is geweest met het verkrijgen van een prejudiciële beslissing van het Hof echter niet te worden meegerekend indien het afwachten van die beslissing redelijk is.

Lees “ECLI:NL:RVS:2012:BY5887” verder

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7730

Veroordeling van de Staat tot betaling van schadevergoeding aan betrokkene wegens schending van de redelijke termijn. Volgens vaste rechtspraak van de Raad eindigt een procedure over het geschil en alle daarmee samenhangende kosten is beslist en die kosten tot uitbetaling zijn gekomen. Dit neemt niet weg dat in de onderhavige procedure uitsluitend de schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn door de rechter aan de orde is. De behandeling van het geding door de rechter is geëindigd met de uitspraak van de Raad. Die datum dient derhalve bij de vaststelling van de schade centraal te staan. Een verlenging van de behandelingsduur in hoger beroep vanaf de dag van verzending van de prejudiciële vraagstelling aan het HvJ EU tot en met de dag van de intrekking van deze vraagstelling, is gerechtvaardigd.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2012:BV7730” verder

ECLI:NL:CBB:2012:BV0842

Het College stelt in dit verband voorop dat appellanten in een procedure als de onderhavige geen rechten kunnen ontlenen aan het bepaalde in artikel 6 van het EVRM, aangezien deze procedure wat betreft appellanten geen betrekking heeft op enig burgerlijk recht of burgerlijke verplichting, maar op het algemeen belang dat gemoeid is met openbaarmaking van de aan de orde zijnde gegevens. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Sedert de ontvangst van het bezwaarschrift van appellanten, is ten tijde van deze uitspraak van het College bijna zes jaar en negen maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door verweerder twee jaar en drie maanden geduurd en heeft de behandeling van het beroep door het College, vanaf de ontvangst van het beroepschrift, ruim vier jaar en vijf maanden geduurd.

Lees “ECLI:NL:CBB:2012:BV0842” verder

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4029

Bij besluit heeft het Uwv appellantes bezwaar tegen het besluit van 13 oktober 2004 alsnog gegrond verklaard. Besloten is het recht op WW-uitkering te laten herleven over de periode van 7 oktober 2004 tot en met 23 mei 2005 en te zullen nabetalen. De Raad stelt vast dat met het nadere besluit geheel aan appellantes bezwaren is tegemoet gekomen, zodat appellante geen belang meer heeft bij de beoordeling van haar hoger beroep. De Raad zal dit hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. De behandeling van het hoger beroep door de Raad heeft vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift tot deze uitspraak vijf jaar en bijna vier maanden geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn is geschonden door de Raad. In de vervolgprocedure kan worden bezien in hoeverre een verlenging van de behandelingsduur in hoger beroep gerechtvaardigd is door de prejudiciële vraagstelling aan het HvJ EU.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2011:BR4029” verder

ECLI:NL:RVS:2011:BP3701

Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond bedraagt het toe te kennen bedrag aan schadevergoeding € 4000,00. De Afdeling heeft evenwel in de omstandigheid dat zij gezamenlijk beroepen hebben ingesteld, tegen andere besluiten en het bestreden besluit, aanleiding gezien dit bedrag te matigen met 90%, opdat het totaalbedrag van € 4000,00 in gelijke delen over hen wordt verdeeld. Deze matiging acht de Afdeling redelijk vanwege de matigende invloed die het instellen van gezamenlijke beroepen in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die deze appellanten hebben ondervonden vanwege de te lang durende procedure. Door gezamenlijk beroepen in te stellen hebben zij de voor- en nadelen van het voeren van deze procedure kunnen delen. Het feit dat een aantal klagers samen een procedure voert kan een dermate matigende invloed hebben op de mate van stress, ongemak en onzekerheid.

Lees “ECLI:NL:RVS:2011:BP3701” verder

ECLI:NL:CRVB:2010:BP0852

De rechtbank dient als een beroep wordt gedaan op overschrijding van de redelijke termijn een oordeel te geven, uitgaande van de behandelingsduren voor bezwaar en beroep, die in beginsel twee jaar bedraagt. De schadeprocedure, waarin uitsluitend de schade in verband met de redelijke termijn aan de orde is, dient niet in aanmerking te worden genomen bij de vaststelling van de schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Een procedure over de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid eindigt pas als over het geschil en alle daarmee samenhangende kosten is beslist en die kosten tot uitbetaling zijn gekomen. Niet is gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2010:BP0852” verder

ECLI:NL:CBB:2010:BN6785

Productschap Tuinbouw heeft appellanten niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaar, gericht tegen een aantal opgelegde naheffingen voor boomkwekerijproducten over de jaren 1998 tot en met 2002. Bezwaartermijn is overschreden en is niet verschoonbaar. Appellanten zijn terecht niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaar. De vraag of de redelijke termijn bij de behandeling van een geschil is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van partijen gedurende de gehele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellanten. Het College stelt vast dat de behandeling van het bezwaar en beroep in de onderhavige zaak – te rekenen vanaf de dag van ontvangst van het bezwaarschrift tot de dag van uitspraak van het College – bijna vijf jaar en acht maanden heeft geduurd, hetgeen een overschrijding van de redelijke termijn van bijna 2 jaar en acht maanden betekent.

Lees “ECLI:NL:CBB:2010:BN6785” verder

ECLI:NL:RVS:2010:BM5620

Ingevolge artikel 8:69 van de Awb doet de rechtbank uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting. Dat appellant zich hierover niet heeft kunnen uitlaten omdat hij noch een gemachtigde ter zitting is verschenen, komt voor zijn eigen risico. Nu artikel 6:13 van de Awb noch een andere rechtsregel er aan in de weg staat dat in beroep nieuwe gronden tegen een besluit worden aangevoerd, heeft de rechtbank ten onrechte deze eerst in beroep aangevoerde gronden buiten beschouwing gelaten. De bij de rechtbank ingediende nadere memorie moet worden aangemerkt als een nader stuk als bedoeld in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb en is het stuk niet opgenomen als proceshandeling in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. Als vergoeding voor de schending van de redelijke termijn geleden immateriële schade wordt uitgegaan van € 500,00 per half jaar.

Lees “ECLI:NL:RVS:2010:BM5620” verder

ECLI:NL:CRVB:2010:BM4034

In de eerste procedure is een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd te achten nu de hoorzitting in de eerste bezwaarfase op verzoek van betrokkene tot driemaal toe is uitgesteld. De Raad kan zich hierin vinden en gaat uit van een totale behandelingsduur van vier jaar en vier maanden. In het geding speelt daarbij nog mee dat bij de uitspraak van de Raad van 25 juni 2009 onherroepelijk is vastgesteld dat betrokkene geen aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering had, zodat aan de met de procedure gepaard gaande spanning en frustratie op dat moment een einde is gekomen. Indien een rechtbank of de Raad in een separate procedure de hoogte van de schadevergoeding vaststelt, mag deze procedure niet onnodig lang duren. De Raad neemt in aanmerking dat zowel de eerste als de tweede en de derde procedure betrekking had op betrokkenes recht op een WAO-uitkering, zodat deze procedures betrekking hadden op hetzelfde onderwerp. Van extra spanning en frustratie was door de tweede en de derde procedure derhalve geen sprake.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2010:BM4034” verder

ECLI:NL:RVS:2010:BM3243

Bij besluit heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een boete opgelegd van € 8000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Dat appellante het transport en de distributie van de haar uitgegeven dagbladen heeft uitbesteed en feitelijk niet in staat is om te controleren of de Wav wordt nageleefd, laat onverlet dat het op haar weg ligt om de nodige maatregelen te treffen teneinde overtreding van de Wav te voorkomen. De redelijke termijn was op het moment van het doen van uitspraak overschreden. De rechtbank heeft op 14 juli 2009 uitspraak gedaan. Op dat moment was de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 van het EVRM met meer dan zes maanden overschreden. Bij een zodanige overschrijding ligt een vermindering van de boete met 10%, met een maximum van € 2.500,00, in de rede. Naast deze vermindering is voor schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 van de Awb wegens overschrijding van de redelijke termijn geen plaats.

Lees “ECLI:NL:RVS:2010:BM3243” verder

ECLI:NL:RVS:2010:BM0214

Artikel 6 van het EVRM geldt ook in procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen. Het voornemen heeft geen rechtsgevolg en is derhalve niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. In zaken, waarin geen sprake is van een punitieve sanctie, mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren. Deze termijn en de daarbinnen gehanteerde verdeling is ook van toepassing geacht in een procedure over een reguliere verblijfsvergunning. Nu belangen voor asielzoekers bij duidelijkheid over hun verblijfsstatus niet zwaarder wegen dan de belangen van vreemdelingen in andere procedures van verblijfsrechtelijke aard, dient in asielzaken in beginsel van dezelfde termijn en de daarbinnen gehanteerde verdeling te worden uitgegaan, waarbij, gelet op de uitsluiting van de bezwaarschriftenprocedure in asielzaken, een termijn van ten hoogste vier jaar redelijk is. Daarbij mag de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep eveneens ten hoogste twee jaar duren.

Lees “ECLI:NL:RVS:2010:BM0214” verder

ECLI:NL:RVS:2010:BM0226

Bij besluit heeft de staatssecretaris een vennootschap een boete van € 8.000,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. De aan de vennootschap opgelegde boete is aan te merken als een punitieve sanctie, waarop artikel 6 van het EVRM van toepassing is. De redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, indien de duur van de totale procedure onredelijk lang is. Voorts heeft voor de beslechting van het geschil in eerste aanleg als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet en dat deze termijn aanvangt op het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. In de gevallen waarin de redelijke termijn met niet meer dan zes maanden is overschreden, wordt de boete verminderd met 5% met een maximum van € 2.500,00. In geval van een overschrijding van meer dan zes maanden ligt een vermindering met 10% met een maximum van € 2.500,00 in de rede.

Lees “ECLI:NL:RVS:2010:BM0226” verder

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2551

De redelijke termijn is gaan lopen op het moment van ontvangst van het bezwaar tegen het besluit. Ten tijde van de uitspraak van de rechtbank waren negen jaar en bijna zeven maanden verstreken. De redelijke termijn was met vijf jaar en bijna zeven maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 6.000,–. Nu de rechtbank de Staat tot een schadevergoeding van € 4.000,– en het Uwv tot een schadevergoeding van € 1.000,– heeft veroordeeld, in totaal € 5.000,–, moet worden geconcludeerd dat de rechtbank de schadevergoeding te laag heeft vastgesteld. Ten tijde van deze uitspraak zijn tien jaar en acht maanden verstreken. De redelijke termijn is derhalve met zes jaar en acht maanden overschreden. De toe te kennen schadevergoeding bedraagt thans derhalve € 7.000,–. Met de door de rechtbank aan de Staat opgelegde schadevergoeding van € 4.000,– is het aandeel van de Staat niet onderschat. Er komt derhalve € 3.000,– voor rekening van het Uwv. De Raad zal het Uwv tot deze schadevergoeding veroordelen.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2010:BM2551” verder

ECLI:NL:RVS:2010:BM0213

Het voornemen is niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, maar vormt een onderdeel van de procedure die voorafgaat aan de totstandkoming van het besluit op aanvraag. Van een geschil is eerst sprake als afwijzend op een aanvraag wordt beslist en daartegen beroep wordt ingesteld. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de redelijke termijn in deze situatie aanvangt op de datum waarop beroep is ingesteld tegen dat besluit. Voor zaken zoals deze, waarin het geschil aanvangt met het instellen van beroep tegen de afwijzing van een asielaanvraag, het beroep vervolgens gegrond wordt verklaard en de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag moet nemen, acht de Afdeling een termijn van ten hoogste twee jaar redelijk, waarbij de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar mag duren. Anders dan de staatssecretaris betoogt, moet in een geval als dit, waarin vernietiging door de rechtbank van een besluit waarbij een aanvraag is afgewezen, leidt tot herhaalde besluitvorming door de staatssecretaris op de oorspronkelijke aanvraag, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan worden toegerekend. De procedure heeft ruim twee jaar te lang geduurd.

Lees “ECLI:NL:RVS:2010:BM0213” verder

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3342

Met betrekking tot het verzoek tot vergoeding van schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn overweegt de Raad dat de redelijke termijn in een procedure als deze in beginsel niet is overschreden als de procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Het verzoek tot schadevergoeding betreft de door appellant geleden schade in de procedure over de korting op zijn AOW. De Raad deelt niet het standpunt van appellant dat bij de beoordeling van dit verzoek de onderhavige procedure in aanmerking moet worden genomen. De Raad is van oordeel dat er sprake is van twee te onderscheiden procedures en dat per procedure afzonderlijk dient te worden beoordeeld of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van appellant in de eerste procedure totdat die procedure is geëindigd, zijn nog geen vier jaar verlopen. Van een overschrijding van de redelijke termijn is derhalve geen sprake.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2009:BK3342” verder

ECLI:NL:RVS:2009:BJ4607

Zoals in de uitspraak van 3 december 2008 is overwogen, geldt het aan artikel 6 van het EVRM ten grondslag liggende beginsel van rechtszekerheid ook in procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen en noopt dat ertoe dat die procedures binnen een redelijke termijn worden beslecht, waarbij kan worden aangesloten bij de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over de uitleg van deze verdragsbepaling. Uit deze jurisprudentie volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn voor de beslechting van een procedure, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

Lees “ECLI:NL:RVS:2009:BJ4607” verder