ECLI:NL:GHARL:2016:155

De betrokkene voert aan dat hij een identiteitskaart heeft afgegeven waarop zijn naam en gegevens zijn vermeld. De betrokkene is van mening dat het niet nodig is om een dubbel identiteitsbewijs bij zich te houden aangezien de agent het rijbewijs van de betrokkene kon verifiëren met de originele identiteitskaart. Artikel 160 van de WVW 1994 regelt het toezicht dat, of de controle die, wordt verricht om na te gaan of de regels gesteld bij of krachtens de WVW 1994 worden nageleefd. In dit kader is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht om bij een controle het rijbewijs af te gegeven, zodat op eenvoudige wijze kan worden gecontroleerd of de bestuurder het voertuig mag besturen. Gelet op het voor overwogene volgt het hof de opvatting van de betrokkene, dat hij door het tonen van zijn identiteitskaart voldoende inzicht heeft gegeven in zijn gegevens, niet. Die opvatting miskent het belang van de politie bij een snelle afwikkeling van de controle. Dat de politie door middel van de gegevens op de identiteitskaart thans eenvoudig op elektronische wijze kan controleren of een betrokkene over een rijbewijs beschikt, doet aan het voorgaande niet af. Dit ontslaat de betrokkene niet van de verplichting om op eerste vordering het rijbewijs ter inzage af te geven en de controle door de politie niet te frustreren.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:155” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:4255

Met de term ‘op eerste vordering’ wordt beoogd weggebruikers in te scherpen dat aan de vordering onverwijld gevolg moet worden gegeven zonder voorafgaande inbrenging van bezwaren of weigeringen om daaraan gevolg te geven, waardoor de opsporingsambtenaar tot herhaling van zijn vordering zou worden genoopt. De opvatting dat de bepaling zo moet worden uitgelegd dat een termijn moet worden geboden om aan de vordering te voldoen, nu de politie thans eenvoudig op elektronische wijze kan controleren of een iemand over een rijbewijs beschikt, is niet juist.
Met betrekking tot de vraag of de verbalisant onmiddellijk kon overgaan tot het opleggen van een sanctie, stelt het hof het volgende voorop. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de WAHV zijn de ambtenaren bevoegd tot het opleggen van een sanctie. Die discretionaire bevoegdheid houdt in dat de ambtenaar een zekere ruimte heeft om te beslissen of hij een sanctie oplegt dan wel volstaat met een waarschuwing. De enkele constatering dat een gedraging is verricht, kan het opleggen van een sanctie al rechtvaardigen. Het is niet aan de rechter om een oordeel te vormen over de wijze waarop de verbalisant gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid.
De verbalisant hoeft bij de toepassing van zijn bevoegdheid geen rekening te houden met de in tv-programma’s getoonde werkwijze van collega’s.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:4255” verder