ECLI:NL:GHARL:2017:2799

De officier van justitie geeft aan dat er drie pogingen zijn gedaan de betrokkene te horen, maar dat deze pogingen geen resultaat hebben gehad. Het hof is van oordeel dat de officier van justitie de betrokkene onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord in de onderhavige zaak. Dat er meerdere pogingen zijn gedaan om hem telefonisch te horen, is daartoe onvoldoende.
Artikel 3, eerste lid van de RVV 1990 betrekking heeft op het normale gebruik van de weg, en is dus niet van toepassing is op bijzondere manoeuvres. Het hof is dan ook van oordeel dat de verkeerssituatie niet noodzaakten tot het niet zoveel mogelijk rechts houden.
De proceskosten ten aanzien van de ter zitting verschenen doorgemachtigde worden vergoed en niet die van de eveneens verschenen als eerste gemachtigde. Daarom worden de kosten vergoedt, die de doorgemachtigde heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting in hoger beroep.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:2799” verder

ECLI:NL:GHARL:2017:2626

Het hof heeft vastgesteld dat de gemachtigde, anders dan de in het administratief beroepschrift gestelde blote ontkenning van de gedraging, in geen enkel stadium van de beroepsprocedures op enigerlei wijze onderbouwd verweer heeft gevoerd tegen de opgelegde sanctie. Daarnaast is hij niet bij de kantonrechter verschenen noch heeft hij in hoger beroep verzocht te worden gehoord, terwijl hij erover klaagt dat de officier van justitie hem ten onrechte niet heeft gehoord. Gelet daarop kan de wijze waarop de gemachtigde heeft geprocedeerd niet redelijkerwijs geacht worden het belang van de betrokkene te dienen. Dit belang was hier immers gelegen in het aanvechten van de opgelegde sanctie. Daarom zal het hof het verzoek tot vergoeding van proceskosten afwijzen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:2626” verder

ECLI:NL:GHARL:2017:2396

Het is vaste jurisprudentie van het hof dat, hoewel de kantonrechter weliswaar een zekere beoordelingsruimte heeft bij de behandeling van een verzoek om een proceskostenvergoeding, het in beginsel niet redelijk is om proceskosten voor rekening van een betrokkene te laten blijven wanneer het aanvechten van een beslissing leidt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken van die beslissing. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een verzoek om een proceskostenvergoeding wordt ingewilligd wanneer de betrokkene (deels) in het gelijk wordt gesteld door de kantonrechter.
Het hof stelt vast dat de gemachtigde in zijn nadere toelichting op het beroep feitelijk slechts de inhoud van het verweerschrift heeft onderschreven en zijn eerder gedane verzoeken heeft herhaald. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het indienen van de nadere toelichting in dit geval niet kan worden aangemerkt als een voor vergoeding in aanmerking komende proceshandeling.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:2396” verder

ECLI:NL:GHARL:2017:2368

Gemachtigde voert aan dat de betrokkene ten tijde van de gedraging al bijna drie jaar niet meer bestond. De onderneming is weliswaar overgedragen, maar niet aan een opvolgend rechtspersoon. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de betrokkene ten tijde van het opleggen van de sanctie reeds voor derden kenbaar was opgehouden te bestaan. Dit brengt mee dat er geen bevoegdheid bestond voor het opleggen van de sanctie. Dit lijdt enkel tot uitzondering indien de niet-natuurlijke persoon wordt voortgezet door een andere niet-natuurlijke persoon.
Het hof ziet aanleiding om slechts de kosten van indiening van de nadere toelichting op het hoger beroep voor vergoeding in aanmerking te brengen nu daarbij voor het eerst de grond die leidt tot vernietiging van de beslissingen naar voren is gebracht.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:2368” verder

ECLI:NL:GHARL:2017:1759

De door de betrokkene verzochte vergoeding voor kosten van professionele juridische bijstand is door de kantonrechter afgewezen. In dit verband stelt het hof vast dat de beroepschriften tegen de inleidende beschikking en de beslissing van de officier van justitie zijn ondertekend door de betrokkene zelf. In de beroepschriften is ook niet aangegeven dat beroep wordt ingesteld namens de betrokkene. Voorts blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter dat de betrokkene in persoon is verschenen. Op grond daarvan is het hof van oordeel dat geen sprake is van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dat de betrokkene directeur is van [naam] B.V. en dat voor de beroepschriften gebruik is gemaakt van het briefpapier van die B.V., maakt dit niet anders.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:1759” verder

ECLI:NL:GHARL:2017:1521

In het beroepschrift bij de kantonrechter heeft de gemachtigde geen gronden aangevoerd tegen de oplegging van de sanctie. Ook is de gemachtigde niet ter zitting van de kantonrechter verschenen om daartegen een inhoudelijk verweer te voeren. Evenmin heeft de gemachtigde in hoger beroep enige grond aangevoerd tegen de oplegging van de administratieve sanctie. De gemachtigde heeft, anders dan de in het administratief beroepschrift gestelde blote ontkenning van de gedraging, in geen enkel stadium van de beroepsprocedures op enigerlei wijze onderbouwd verweer heeft gevoerd tegen de opgelegde sanctie. Daarnaast is hij niet bij de kantonrechter verschenen noch heeft hij in hoger beroep verzocht te worden gehoord, terwijl hij erover klaagt dat de officier van justitie hem ten onrechte niet heeft gehoord. Gelet daarop kan de wijze waarop de gemachtigde heeft geprocedeerd niet redelijkerwijs geacht worden het belang van de betrokkene te dienen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:1521” verder

ECLI:NL:GHARL:2017:1486

Dat de kantonrechter een toe te passen bepaling buiten toepassing heeft gelaten door niet op zijn verzoek om proceskostenvergoeding in te gaan, komt er in de kern op neer dat de kantonrechter een onjuiste beslissing heeft genomen door geen proceskostenvergoeding toe te kennen. Het is vaste jurisprudentie van dit hof dat de omstandigheid dat de kantonrechter een onjuiste beslissing heeft genomen, geen grond kan vormen voor doorbreking van het appelverbod. De omstandigheid dat de beslissing van de kantonrechter verband zou houden met het buiten toepassing laten van een bepaling vormt -en in zoverre komt het hof terug op eerder arrest van het hof- geen grond om de wet terzijde te schuiven en de zaak ondanks het in de wet opgenomen verbod te behandelen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:1486” verder

ECLI:NL:GHARL:2017:1272

Nu het beroepschrift van de betrokkene reeds was ingetrokken, had de kantonrechter slechts te oordelen over de proceskostenvergoeding. Het hof is van oordeel dat de beslissing van de kantonrechter dient te worden gelezen als een beslissing in de zin van artikel 13b van de WAHV. Dat de kantonrechter heeft overwogen dat het niet redelijk is om de proceskosten te vergoeden, omdat het beroepschrift – waarin om proceskostenvergoeding is verzocht – te laat is ingediend maakt het voorgaande niet anders. Artikel 14, eerste lid, WAHV eist niet dat de sanctie onderwerp van geschil is geweest bij de kantonrechter. Onder deze bepaling moet worden verstaan dat hoger beroep mogelijk is indien, na de beslissing van de kantonrechter, een sanctie van meer dan € 70,- resteert. Het hof stelt vast dat aan deze voorwaarde niet is voldaan nu de sanctie, voorafgaand aan de beslissing van de kantonrechter, door de officier van justitie ongedaan is gemaakt.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:1272” verder

ECLI:NL:GHARL:2017:1114

Ter beoordeling van het hof is of in dit geval sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De gemachtigde heeft aangegeven als accountant en belastingadviseur al jaren bedrijven en particulieren bij te staan in bezwaar-, beroeps- en hoger beroepszaken. Het hof is van oordeel dat uit de door de gemachtigde overgelegde informatie niet blijkt dat het verlenen van rechtsbijstand ten aanzien van het onderhavige rechtsgebied (WAHV-zaken) een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte, taakuitoefening. Ten aanzien van de gemachtigde is gebleken dat zijn werkzaamheden zich over het algemeen beperken tot zaken van fiscale aard. Het hof is daarom van oordeel dat geen sprake is geweest van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De kantonrechter heeft terecht geen aanleiding gezien hiervoor een vergoeding toe te kennen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:1114” verder

ECLI:NL:GHARL:2017:1119

De gemachtigde bepleit doorbreking van het appelverbod en voert daartoe aan dat sprake is van schending van het beginsel van hoor en wederhoor. De kantonrechter, die kennelijk niet kon afleiden dat sprake was van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, had volgens de gemachtigde op de zitting om verduidelijking hieromtrent moeten vragen. De zaak is blijkens het proces-verbaal van de kantonrechter behandeld op een openbare zitting. De betrokkene is op deze zitting verschenen en heeft het woord gevoerd. Daarmee is aan het vereiste van hoor en wederhoor voldaan. De stelling van de gemachtigde dat het beginsel van hoor en wederhoor verder gaat en een verplichting inhoudt voor de kantonrechter om specifieke vragen te stellen, vindt geen steun in het recht. Dat de kantonrechter in de visie van de betrokkene een onjuiste beslissing zou hebben genomen op het verzoek om een proceskostenvergoeding, rechtvaardigt geen doorbreking van het appelverbod.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:1119” verder

ECLI:NL:GHARL:2017:1037

Nog daargelaten de mededeling dat de gemachtigde nog vier weken behoeft om de definitieve gronden te formuleren, overweegt het hof het volgende. In het beroepschrift bij de kantonrechter heeft de gemachtigde geen gronden aangevoerd tegen de oplegging van de sanctie. Ook is de gemachtigde niet ter zitting van de kantonrechter verschenen om inhoudelijk verweer te voeren. Evenmin heeft de gemachtigde in hoger beroep enige grond aangevoerd tegen de oplegging van de administratieve sanctie. Daarnaast heeft de gemachtigde niet op enigerlei wijze aannemelijk gemaakt dat betrokkene een redelijk belang heeft bij het alsnog bieden van de gelegenheid tot het aanvullen van gronden tegen de sanctie.
De wijze waarop de gemachtigde heeft geprocedeerd kan niet redelijkerwijs worden geacht het belang van de betrokkene te dienen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:1037” verder

ECLI:NL:GHARL:2017:1004

Gemachtigde is niet in hoger beroep ter zitting verschenen, terwijl hij daar eerst zelf om heeft verzocht en erover klaagt dat hij niet door de officier van justitie is gehoord en dat hij niet behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. Gemachtigde heeft in zijn hoger beroepschrift geen gronden tegen de administratieve sanctie naar voren gebracht, terwijl hij erover klaagt dat hij zowel in de procedure bij de officier van justitie als in de procedure bij de kantonrechter niet in de gelegenheid is gesteld om de gronden van het beroep in te dienen. Naar het oordeel van het hof kan de wijze waarop de gemachtigde in dit geval heeft geprocedeerd niet redelijkerwijs worden geacht het belang van de betrokkene te dienen. Afwijzing verzoek tot vergoeding van proceskosten.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:1004” verder

ECLI:NL:GHARL:2017:5

De gemachtigde stelt in zijn kostenverzoek de wegingsfactor 1,0 (gemiddeld) te hanteren, in verband met de internationale context Duits-Nederlands van de zaak. Het hof is van oordeel dat de wegingsfactor 0,5 (licht) dient te worden toegepast, nu het gewicht van de zaak dit rechtvaardigt. De omstandigheid dat de gemachtigde meer tijd nodig heeft voor proceshandelingen in verband met vertalingen doet hieraan niet af. De proceshandelingen die de gemachtigde heeft verricht met het oog op de WOB-procedure kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen in het kader van deze zaak. Het betreft hier een aparte, van de WAHV los staande procedure.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:5” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:10316

De beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd omdat gemachtigde niet is opgeroepen voor de zitting. De gemachtigde is ter zitting van het hof verschenen, waar hij verbaasd reageerde op de stelling van de advocaat-generaal dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie te laat is ingediend en dat niet gesteld is dat dit verschoonbaar kan worden geacht. De gemachtigde verzocht om aanhouding van het onderzoek ter zitting, om een en ander met de betrokkene te kunnen bespreken. Het hof heeft dit verzoek afgewezen, omdat de gemachtigde op geen enkel moment in de procedure met de betrokkene heeft gesproken, terwijl dat wel voor de hand zou hebben gelegen, alsmede dat op zijn weg had gelegen om hierover met de betrokkene te spreken en hem zonodig mee te nemen naar de zitting van het hof. Gelet daarop kan de wijze waarop de gemachtigde heeft geprocedeerd niet redelijkerwijs geacht worden het belang van de betrokkene te dienen. Dit belang was hier immers (vooreerst) gelegen in het ontvankelijk doen zijn van het beroep.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:10316” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:9412

(4) Op basis van de mandaatconstructie is komen vast te staan dat de medewerker van de CVOM, die op het beroep heeft beslist, daartoe bevoegd was.
*De verbalisant is op juiste wijze beëdigd en was bevoegd om de sanctie op te leggen. De akte van beëdiging van de verbalisant is namens de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie ondertekend door een met name genoemde teammanager BTR van de Dienst Justis. Het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar bepaalt dat de minister van Veiligheid en Justitie de BOA beëdigt en ten behoeve van de beëdiging een akte van beëdiging opmaakt. De bevoegdheid van de minister om een BOA te beëdigen, kon worden uitgeoefend door zijn staatssecretaris en is ook aan deze opgedragen.
*Sanctie kan worden opgelegd aan een rechtspersoon jonger dan 12 jaar. Een redelijke uitleg van artikel 3, tweede lid, WAHV, brengt mee dat deze leeftijdsgrens slechts ziet op natuurlijke personen.
*Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding. De Stichting heeft de autobestuurster gemachtigd. Zij heeft op haar beurt de gemachtigde ingeschakeld die statutair bestuurder van de Stichting is. Hij kan niet tevens worden aangemerkt als een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:9412” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:9185

De betrokkene had zijn voertuig uitgeleend en heeft een schriftelijke verklaring van de bestuurder ingebracht, waarin die bestuurder erkent de bestuurder te zijn geweest. Bij oplegging van een administratieve sanctie aan de kentekenhouder, wordt aan deze niet een gedraging als bedoeld in artikel 2 van de WAHV verweten, maar op de kentekenhouder komt slechts de last te rusten het bedrag van de opgelegde administratieve sanctie voor de bestuurder, als degene die zich aan de desbetreffende gedraging heeft schuldig gemaakt, te voldoen.
De kantonrechter is slechts gehouden de proceskosten te vergoeden indien de gemachtigde voorafgaand aan de beslissing daarom heeft verzocht. Gemachtigde heeft niet om vergoeding van proceskosten verzocht.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:9185” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:9160

De kantonrechter heeft de sanctie gematigd en het verzoek van de betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen. Artikel 13a, eerste lid, eerste volzin, van de WAHV bepaalt dat de kantonrechter bij uitsluiting bevoegd is een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Nu het bedrag van de sanctie is gematigd, is de betrokkene (gedeeltelijk) in het gelijk gesteld door de kantonrechter. Als uitgangspunt heeft te gelden dat in een zodanig geval aanleiding bestaat voor inwilliging van het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding, gemaakt in de procedure bij de kantonrechter. Dat is slechts anders indien geoordeeld zou moeten worden dat er sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Daarvan is in deze zaak niet gebleken.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:9160” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:8115

Proceskostenvergoeding afgewezen. De wijze waarop de gemachtigde heeft geprocedeerd, kan niet redelijkerwijs geacht worden het belang van de betrokkene te dienen. Gemachtigde is niet ter zitting van de kantonrechter verschenen, terwijl de gemachtigde erover klaagde niet door de officier van justitie te zijn gehoord. Evenmin heeft de gemachtigde van in hoger beroep gebruik gemaakt van de mogelijkheid om te worden gehoord. Daarnaast heeft de gemachtigde in zijn beroepschrift bij de kantonrechter geen (andere) gronden tegen het opleggen van de administratieve sanctie naar voren gebracht, terwijl hij erover klaagde dat hem geen termijn was gegeven voor het aanvullen van de gronden. Gemachtigde heeft in zijn beroepschrift bij de officier van justitie gesteld dat de betrokkene ontkent op de pleeglocatie aanwezig te zijn geweest, terwijl hij staande was gehouden en in hoger beroep stelt dat hij geen andere mogelijkheid had dan te handelen zoals hij heeft gedaan.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:8115” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:7389

De officier van justitie heeft het namens de betrokkene ingestelde beroep tegen de inleidende beschikking bij beslissing gegrond verklaard en de inleidende beschikking vernietigd. Het geschil beperkt zich tot de afwijzing door de officier van justitie van het namens de betrokkene ingediende verzoek tot vergoeding van kosten. Vergoeding van kosten in de fase van het administratief beroep vindt ingevolge het tweede lid van artikel 7:28 Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitsluitend plaats indien het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Het hof is van oordeel dat de inleidende beschikking is herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Het tijdig ingediende verzoek tot vergoeding van kosten in de fase van het administratief beroep dient derhalve te worden toegewezen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:7389” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:6327

Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen als te vergoeden reiskosten slechts in aanmerking de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse, dan wel een kilometervergoeding van € 0,28 indien openbaar vervoer niet of niet voldoende mogelijk is. In bijzondere gevallen kan hiervan worden afgeweken. Gelet op de omstandigheid dat de betrokkene in Israël woonachtig is, is openbaar vervoer niet voldoende mogelijk. Het Hof stelt de reiskosten voor de vlucht vast op € 700,-. Voor wat betreft de reiskosten Schiphol – Leeuwarden, geldt dat er geen termen aanwezig zijn de reiskosten op basis van een kilometervergoeding toe te kennen aangezien niet is gebleken dat eiser onvoldoende mogelijkheid heeft gehad om met het openbaar vervoer te reizen. Daarvan uitgaande komt daarvoor een bedrag van € 50,70 voor vergoeding in aanmerking.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:6327” verder