ECLI:NL:GHARL:2017:2396

Het is vaste jurisprudentie van het hof dat, hoewel de kantonrechter weliswaar een zekere beoordelingsruimte heeft bij de behandeling van een verzoek om een proceskostenvergoeding, het in beginsel niet redelijk is om proceskosten voor rekening van een betrokkene te laten blijven wanneer het aanvechten van een beslissing leidt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken van die beslissing. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een verzoek om een proceskostenvergoeding wordt ingewilligd wanneer de betrokkene (deels) in het gelijk wordt gesteld door de kantonrechter.
Het hof stelt vast dat de gemachtigde in zijn nadere toelichting op het beroep feitelijk slechts de inhoud van het verweerschrift heeft onderschreven en zijn eerder gedane verzoeken heeft herhaald. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het indienen van de nadere toelichting in dit geval niet kan worden aangemerkt als een voor vergoeding in aanmerking komende proceshandeling.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:2396” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:2333

Het hof dient de vraag te beantwoorden of sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Desgevraagd heeft de gemachtigde informatie overgelegd waaruit blijkt dat hij geslaagd is voor zijn doctoraalexamen rechtsgeleerdheid. Voorts heeft de gemachtigde aangevoerd dat de B.V. tevens op commerciële basis juridische adviezen verstrekt, ten bewijze waarvan hij een uittreksel van de Kamer van Koophandel heeft overgelegd. Uit het uittreksel blijkt dat de activiteiten bestaan uit: “Human resource management … Het geven van juridisch advies en ondersteuning op aller gebied, in het bijzonder ondernemings- en arbeidsrecht.” Uit de overgelegde informatie blijkt niet dat het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte, taakuitoefening. Het verlenen van rechtsbijstand is bijkomstig van aard. Zeker waar het betreft het onderhavige rechtsgebied, heeft het niet meer dan een incidenteel karakter. Het hof oordeelt dat niet sprake is geweest van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:2333” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:2142

De gemachtigde voert aan dat geen sprake is geweest van parkeren maar van laden en lossen. Voor het hof is van belang dat de gemachtigde heeft verklaard dat de betrokkene de auto heeft laten stilstaan en de auto heeft verlaten om zich bij een winkelbedrijf te oriënteren op de aankoop van een stofzuiger, niet om een reeds gekochte stofzuiger op te halen, waarbij het hof nog in het midden laat of een stofzuiger een goed is van enig gewicht of omvang. Gelet op de verklaring van de verbalisant en hetgeen door de betrokkene is aangevoerd, stelt het hof vast dat het voertuig van de betrokkene gedurende enige tijd op de betreffende plaats heeft gestaan. Naar het oordeel van het hof is er sprake van parkeren in de zin van artikel 1, aanhef en onder ac, van het RVV 1990.
Naar het oordeel van het hof is genoegzaam aannemelijk geworden dat de gemachtigde beroepsmatig rechtsbijstand verleent. De omstandigheid dat hij dat in dit geval aan zijn meerderjarige, niet bij hem inwonende, dochter verleent, doet hieraan niet af. Naar het oordeel van het hof komen de gevraagde kosten voor zover gemaakt voor vergoeding in aanmerking.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:2142” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:784

Welke wegingsfactor moet worden toegepast, is afhankelijk van het gewicht van de zaak. Het begrip ‘gewicht van de zaak’ dient te worden opgevat als het belang en de ingewikkeldheid van de in administratief beroep of in de (hoger) beroepsfase als geheel voorliggende geschilpunten, zonder verdere differentiatie naar de ontwikkeling van het geschil in de betreffende fase van de procedure. De tekst van (de bijlage bij) het Besluit proceskosten bestuursrecht noch de toelichting ervan biedt een aanknopingspunt om binnen een fase in de procedure verschillende wegingsfactoren toe te passen. Voorts verzet de systematiek van het Besluit proceskosten bestuursrecht – gelet op het forfaitaire karakter – zich tegen een dergelijke interpretatie. Slechts in geval van bijzondere omstandigheden kan er aanleiding bestaan om op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht van dit uitgangspunt af te wijken (ECLI:NL:GHAMS:2013:4500 en ECLI:NL:CRVB:2015:2800). Het bestaan van dergelijke bijzondere omstandigheden heeft de kantonrechter niet gesteld.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:784” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:10

Hangende de procedure bij de kantonrechter heeft de officier van justitie de inleidende beschikking vernietigd. De gemachtigde heeft de officier van justitie geantwoord dat de betrokkene het beroep bij de kantonrechter wil intrekken onder de voorwaarde van toewijzing van proceskostenvergoeding. Er is een ingebrekestelling verstuurd, maar de officier van justitie verbeurt geen dwangsom wegens het niet tijdig beslissen. De officier van justitie heeft de ambtshalve bevoegdheid tot het vergoeden van proceskosten, maar de WAHV kent niet de bevoegdheid om de officier van justitie te verzoeken van die bevoegdheid gebruik te maken. Er is geen sprake van een aanvraag van een beschikking in de zin van de Awb.
Het appelverbod wordt doorbroken omdat is verzuimd aan de gemachtigde een uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter te sturen.
In dit geval bestaat er aanleiding om alleen de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep te vergoeden. De betrokkene heeft zelf beroep bij de officier van justitie en kantonrechter ingesteld. Hangende de procedure bij de kantonrechter heeft de gemachtigde zich in het geding gevoegd. Dat de gemachtigde de betrokkene heeft geadviseerd alvorens deze zijn beroepschriften heeft ingediend, maakt dat niet anders.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:10” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:7804

De kantonrechter heeft de beslissing van de officier van justitie vernietigd en de inleidende beschikking is in stand gebleven. Om die reden ziet het hof geen grond voor het oordeel dat voor het indienen van het beroepschrift tegen de inleidende beschikking een vergoeding toegekend had moeten worden. Evenmin ziet het hof grond voor het oordeel dat de kantonrechter een hogere wegingsfactor had moeten toepassen. Artikel 13a, eerste lid, van de WAHV brengt mee dat de kantonrechter een zekere beoordelingsruimte heeft bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre een verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding moet worden ingewilligd. Het antwoord op de vraag, welke wegingsfactor moet worden toegepast, is afhankelijk van het gewicht van de zaak. Het is bij uitstek de over het beroep oordelende kantonrechter die het gewicht van die zaak kan beoordelen. Deze beoordeling door de kantonrechter kan in hoger beroep slechts marginaal worden getoetst.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:7804” verder

ECLI:NL:CRVB:2015:2800

De Raad stelt voorop dat het mogelijk is om in (hoger) beroep te komen uitsluitend tegen de beslissing over de vergoeding van proceskosten. Zie ECLI:NL:CRVB:2011:BU4522.
Het feit dat de gemachtigde procedeert op basis van ‘no cure no pay’ en dat betrokkene ermee heeft ingestemd dat een eventuele proceskostenvergoeding aan zijn gemachtigde wordt uitbetaald, betekent niet dat in een dergelijk geval een procesbelang voor de betrokkene ontbreekt. Aan toekenning van een vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand staat immers niet in de weg dat die bijstand is verleend op basis van ‘no cure no pay’. Uitgangspunt van het in het Bpb opgenomen forfaitaire vergoedingsstelsel is dat voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand kosten in rekening worden gebracht. Nu sprake is van een forfaitair stelsel, is de hoogte van de werkelijk in rekening gebrachte kosten voor de beantwoording van de vraag of een tegemoetkoming in de gemaakte proceskosten moet worden toegekend, niet relevant.
De rechtbank heeft voor alle proceshandelingen het gewicht van de zaak als gemiddeld aangemerkt, maar het bijwonen van de zitting als licht (factor 0,25). Dit oordeel heeft de rechtbank niet gemotiveerd. Anders dan de rechtbank, ziet de Raad geen aanleiding om in dit geval een andere wegingsfactor dan gemiddeld te hanteren met betrekking tot het bijwonen van de zitting.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2015:2800” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:3993

Gemachtigde heeft aan het hof medegedeeld, dat het hoger beroep niet gehandhaafd wordt. Hierbij is verzocht om een kostenvergoeding. De advocaat-generaal kan in geval van intrekking van het beroep omdat de advocaat-generaal geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de kosten worden veroordeeld. Besluit proceskosten bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. Voor een beroepschrift ontvangen vóór 1 januari 2015 bedraagt het tarief voor rechtsbijstand per punt € 487,- en niet € 490,-. Artikel IV, vierde lid, Regeling indexering bedragen Algemene wet bestuursrecht, Besluit proceskosten bestuursrecht en de Wet griffierechten in burgerlijke zaken.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:3993” verder

ECLI:NL:GHARL:2014:7701

In de procedure bij de officier van justitie heeft de gemachtigde een slechts als pro forma aan te merken beroepschrift ingediend. Specifiek op de zaak betrekking hebbende gronden heeft hij pas schriftelijk aangevoerd nadat hij is uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter. De kosten van de beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de fase van het beroep bij de officier van justitie worden beschouwd als niet redelijkerwijs gemaakt en niet vergoed. Sanctie ter zake van snelheidsoverschrijding, gemeten met behulp van de boordsnelheidsmeter van een dienstvoertuig van de politie. Nu is verzuimd om op de snelheid volgens de ijktabel de verplichte voorgeschreven correctie toe te passen, is een te hoge sanctie toegepast. De inleidende beschikking wordt in hoger beroep alsnog gewijzigd.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2014:7701” verder

ECLI:NL:GHARL:2014:137

Gronden van het beroep en wanneer op grond van artikel 6:5 juncto 6:6 Awb wel of niet de verplichting bestaat de indiener in de gelegenheid te stellen binnen een daartoe gestelde termijn (nadere) gronden op te geven. Het hof herhaalt de overwegingen uit zijn arrest van 12 januari 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:195). De door de kantonrechter gegeven motivering kan diens beslissing om de beslissing van de officier van justitie te vernietigen niet dragen. In deze zaak wordt zijn beslissing echter slechts vernietigd voor zover daarbij geen vergoeding voor proceskosten is toegekend. De officier van justitie heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard nu de verzuimbrief in strijd met 6:17 Awb niet naar de gemachtigde is gezonden. Proceskostenvergoeding.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2014:137” verder

ECLI:NL:GHAMS:2013:4500

Noch de tekst van de (bijlage bij) het Besluit proceskosten bestuursrecht, noch de toelichting ervan bieden een aanknopingspunt voor een differentiatie van de toe te passen wegingsfactor binnen één fase in de procedure. Ook de systematiek van het Besluit verzet zich hiertegen. Onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2013:BZ6822, verwerpt het Hof de stelling van de heffingsambtenaar dat er geen aanleiding bestaat voor het toekennen van een kostenvergoeding voor het taxatierapport omdat de gemachtigde op basis van het ‘no-cure-no-paybeginsel’ werkt. Het standpunt van de heffingsambtenaar dat bij de toekenning van punten onder het Besluit per proceshandeling bekeken dient te worden welke partij in welk stadium in het gelijk wordt gesteld, is niet gebaseerd op enige rechtsregel.

Lees “ECLI:NL:GHAMS:2013:4500” verder

ECLI:NL:HR:2013:915

Het Hof heeft bij de vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase geen betekenis toegekend aan de door de heffingsambtenaar vastgestelde ‘Beleidsregel toepassing van wegingsfactoren bij vergoeding in de bezwaarfase 2010’. Zoals in het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2293, is beslist, dient de beoordelende instantie zelfstandig – op grond van een eigen waardering – te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt. Indien de gewichtscategorie van een zaak in het kader van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase ter discussie staat bij een rechter die over de feiten oordeelt, dient die rechter dan ook zelfstandig te bepalen in welke gewichtscategorie de zaak valt, met toepassing van de regels die op grond van artikel 7:15, lid 4, Awb zijn gesteld in het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechter is daarbij niet gebonden aan het oordeel van het bestuursorgaan en kan de juistheid van het oordeel van het bestuursorgaan met betrekking tot deze factor volledig toetsen. Hij is daarbij derhalve niet gebonden aan beleidsregels die het bestuursorgaan ter zake heeft vastgesteld, voor zover die leiden tot een lagere vergoeding dan naar het eigen oordeel van de rechter op zijn plaats is.

Lees “ECLI:NL:HR:2013:915” verder

ECLI:NL:HR:2013:BZ6822

De enkele omstandigheid dat belanghebbende met de taxateur een overeenkomst op basis van “no cure no pay” heeft gesloten op grond waarvan de vergoeding die zij aan de taxateur moet betalen wordt gesteld op het bedrag dat ter zake wordt toegekend als kostenvergoeding, staat aan een vergoeding van de kosten van taxatie niet in de weg (ECLI:NL:HR:2012:BX0904).
Het betoog dat een eenmaal toegepaste wegingsfactor, gelet op de systematiek van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), voor elke volgende fase van de procedure blijft gelden, faalt. Een dergelijke regel ligt niet besloten in het Bpb of in de systematiek ervan. ’s Hofs oordeel over het gewicht van de zaak in de beroepsfase is, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie slechts beperkt toetsbaar. ’s Hofs oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
Voor de toepassing van artikel 7:15, lid 2, Awb en het Bpb is sprake van één bezwaar indien dit is gericht tegen meerdere op één aanslagbiljet vermelde besluiten; een andersluidende uitleg van deze bepalingen en het Bpb zou te veel afbreuk doen aan de door de wetgever om dit verband beoogde eenvoud (ECLI:NL:HR:2012:BX0904). Hetzelfde geldt voor het bezwaar tegen in één geschrift opgenomen WOZ-beschikkingen. Wel kan de omstandigheid dat het bezwaar op meer dan één besluit betrekking heeft een rol spelen bij het bepalen van de wegingsfactor voor het gewicht van de zaak.

Lees “ECLI:NL:HR:2013:BZ6822” verder

ECLI:NL:RVS:2013:BZ3975

Besluit waarbij verweerder een deel van de door appellant op grond van de Wob verzochte documenten heeft verstrekt, waaronder een akte van aanstelling. Naar aanleiding van het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift is bij besluit alsnog een ontbrekend stuk, een wijzigingsbesluit, verstrekt onder toekenning van een proceskostenvergoeding met de wegingsfactor “zeer licht” (0,25). De Afdeling overweegt dat nu het primaire besluit niet strekt tot openbaarmaking van het wijzigingsbesluit, dient dit besluit te worden aangemerkt als een weigering het wijzigingsbesluit openbaar te maken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, kan het in bezwaar alsnog verstrekken van dit document niet anders worden aangemerkt dan als een openbaarmaking in de zin van de Wob. Het geschil was gelet hierop inhoudelijk van aard. De Afdeling is van oordeel dat de behandeling van een zaak in de bezwaar- en beroepsprocedure in beginsel behoort tot de categorie gemiddeld, tenzij er duidelijke redenen zijn hiervan af te wijken. Van dergelijke redenen is in de voorliggende zaak niet gebleken.

Lees “ECLI:NL:RVS:2013:BZ3975” verder

ECLI:NL:HR:2012:BX0904

De werkzaamheden van een taxateur dienen te worden aangemerkt als van bijzondere aard. De mate waarin dergelijke werkzaamheden van bijzondere aard zijn, wordt vooral bepaald door de aard van de te taxeren onroerende zaak. Naarmate de taxatie van een object naar haar aard complexer is, kan toepassing van een hoger uurtarief gerechtvaardigd zijn. Toepassing van het maximale uurtarief komt eerst in aanmerking indien het object van dien aard is dat de taxatie daarvan zeer complex is. Niet de hoogte van het in rekening gebrachte, of in de markt gangbare, uurtarief maatgevend, maar de aard van de werkzaamheden wordt bepaald door de aard van het te taxeren object. Het oordeel van het Hof dat de werkzaamheden van de taxateur niet van bijzondere aard zijn, van een onjuiste rechtsopvatting uitgaat, kan echter niet tot cassatie leiden. In het oordeel van het Hof dat aan belanghebbende een kostenvergoeding ter zake van het taxatierapport kan worden toegekend tegen een uurtarief van € 50 inclusief omzetbelasting, ligt besloten dat de werkzaamheden voor de taxatie van een woning, niet in die mate van bijzondere aard zijn dat de vergoeding moet worden gebaseerd op een ander uurtarief dan € 50 inclusief btw. De vaststelling van de hoogte van de vergoeding voor een taxatieverslag blijkt in de praktijk in procedures over de toepassing van de Wet WOZ regelmatig aanleiding te geven tot geschillen. In aanmerking genomen dat de beslissing over het te hanteren uurtarief vooral van feitelijke aard is, is het wenselijk dat de gerechten in feitelijke instantie beleid ontwikkelen voor een uniforme toepassing van bij de vaststelling van een vergoeding te hanteren uurtarieven. Deze zullen zich moeten richten naar de aard van de te taxeren objecten.

Lees “ECLI:NL:HR:2012:BX0904” verder

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4522

De Raad stelt voorop dat het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen de hoogte van de proceskostenveroordeling. De rechtbank heeft het gewicht van de zaak als zeer licht (factor 0,25) aangemerkt, maar heeft dit oordeel niet gemotiveerd. De Raad stelt vast dat het beroep was gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, waarbij de gemachtigde van appellante heeft betoogd dat de brief van appellante van 1 februari 2009 als een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand moet worden aangemerkt en de brief van 13 maart 2009 van het College als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De Raad is van oordeel dat de gewichtfactor van deze zaak als gemiddeld (factor 1) moet worden aangemerkt. Het standpunt van het College dat de rechtbank het gewicht van de zaak terecht als zeer licht heeft aangemerkt, omdat appellante geen belang meer had bij een uitspraak nu zij inmiddels een aanvraag had ingediend, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft het beroep immers niet niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een procesbelang, terwijl de later ingediende aanvraag om bijstand niet afdoet aan de zwaarte van de in beroep te beoordelen zaak.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2011:BU4522” verder

ECLI:NL:RVS:2010:BM5620

Ingevolge artikel 8:69 van de Awb doet de rechtbank uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting. Dat appellant zich hierover niet heeft kunnen uitlaten omdat hij noch een gemachtigde ter zitting is verschenen, komt voor zijn eigen risico. Nu artikel 6:13 van de Awb noch een andere rechtsregel er aan in de weg staat dat in beroep nieuwe gronden tegen een besluit worden aangevoerd, heeft de rechtbank ten onrechte deze eerst in beroep aangevoerde gronden buiten beschouwing gelaten. De bij de rechtbank ingediende nadere memorie moet worden aangemerkt als een nader stuk als bedoeld in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb en is het stuk niet opgenomen als proceshandeling in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. Als vergoeding voor de schending van de redelijke termijn geleden immateriële schade wordt uitgegaan van € 500,00 per half jaar.

Lees “ECLI:NL:RVS:2010:BM5620” verder

ECLI:NL:RVS:2009:BI9696

De Afdeling heeft blijkens haar uitspraak van 5 juli 2006 afgezien van een inhoudelijke behandeling van het verzoek wegens het ontbreken van gegevens en bescheiden. Nu de Afdeling toen ook geen toepassing heeft gegeven aan artikel 8:73, tweede lid, van de Awb en het onderzoek niet heeft heropend, staat de eerdere afwijzing van het verzoek er in dit geval niet aan in de weg alsnog een zelfstandig verzoek om schadevergoeding kan indienen, voorzien van gegevens en bescheiden. Nu de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 juni 2007 evenwel terecht ongegrond heeft verklaard, ziet de Afdeling geen aanleiding tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Het college heeft eveneens terecht geen aanleiding gezien tot vergoeding van immateriële schade wegens schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

Lees “ECLI:NL:RVS:2009:BI9696” verder

ECLI:NL:RVS:2008:BD8321

Uitgangspunt van het in de bijlage bij het besluit opgenomen forfaitaire vergoedingsstelsel en in de jurisprudentie is dat voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand kosten in rekening worden gebracht. Nu sprake is van een forfaitair stelsel is voorts de hoogte van de werkelijk in rekening gebrachte kosten voor de beantwoording van de vraag of een tegemoetkoming in de gemaakte proceskosten moet worden toegekend, niet relevant. Evenmin is het aan de rechter om te treden in de beoordeling van de ter zake door de betrokkene en de gemachtigde gemaakte afspraken. Dit oordeel sluit aan bij het gestelde in de Nota van toelichting bij het Besluit (Stb. 1993, 763), dat de regeling “een eenvoudige regeling die de justitiabele zekerheid geeft en de taak van de bestuursrechter niet onnodig verzwaart” is. Het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is onjuist. Dat de gemachtigde van [appellante] het verzoek om openbaarmaking opzettelijk bij de verkeerde administratieve eenheid heeft ingediend – wat daar van zij – vormt geen grond voor een andersluidend oordeel. Dat het verzoek niet intern is doorgestuurd naar de eenheid die belast is met de behandeling van verzoeken als de onderhavige, ligt immers in de risicosfeer van de minister.

Lees “ECLI:NL:RVS:2008:BD8321” verder

ECLI:NL:RVS:2008:BC3024

Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van de niet openbaar gemaakte stukken stelt de Afdeling vast dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het belang waarop de korpsbeheerder zich bij de niet openbaar gemaakte passages heeft beroepen, aan de orde is.
Vaststaat dat appellant om vergoeding van verletkosten heeft verzocht. Appellant, een freelance journalist, heeft zijn verzoek voldoende gespecificeerd door zijn uren toe te lichten en door een lijst met adviestarieven voor freelance journalisten over te leggen. Naar het oordeel van de Afdeling had de rechtbank hem daarom een vergoeding van € 53,09 x 3 uur moeten toekennen.

Lees “ECLI:NL:RVS:2008:BC3024” verder