ECLI:NL:GHARL:2017:1934

De kantonrechter heeft overwogen om de feitcode te wijzigen van R584 (parkeerverbod) in R315b (parkeren op trottoir/voetpad), dat het beroep ongegrond zal worden verklaard en dat een kostenveroordeling daarom niet aan de orde is. Het hof stelt vast dat de betrokkene heeft geparkeerd op een trottoir. Beletselen voor wijziging van de feitcode zijn gesteld noch gebleken. Gelet hierop had de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond moeten verklaren en de aan de betrokkene opgelegde administratieve sanctie moeten wijzigen in voormelde zin. Aldus zou de betrokkene tevens in het gelijk zijn gesteld. In een zodanig geval bestaat aanleiding voor inwilliging van het verzoek om toekenning van vergoeding van proceskosten.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:1934” verder

ECLI:NL:GHARL:2017:980

Voor zover de betrokkene stelt dat het zonebord E1 slechts geldt voor de zijde van de weg waar het is geplaatst, moet dit verweer worden verworpen. Artikel 65, tweede lid, RVV 1990, waarin is bepaald dat een verkeersbord E1 alleen geldt voor de zijde van de weg waar het is geplaatst, vindt – gelet op artikel 66 RVV 1990 – binnen een parkeerverbodszone geen toepassing.
Het betoog van de betrokkene dat in combinatie met het verkeersbord E1 een bord E10 ‘parkeerschijfzone’ geplaatst had moeten worden, berust op een onjuiste lezing van de regelgeving. Een verkeersbord E10 duidt een parkeerschijfzone aan en houdt geen verband met een verkeersbord E1. Verkeersbord E10 wordt in artikel 66, derde lid, van het RVV 1990 slechts genoemd om aan te duiden dat deze bepaling ook op parkeerschijfzones van toepassing is.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:980” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:4584

Gemachtigde voert aan dat betrokkene in de berm op een verhard gedeelte stond geparkeerd en dat het parkeerverbod, aangeduid met verkeersbord E1, slechts voor de rijbaan en niet voor de berm gelding heeft. Het hof stelt vast dat niet op de rijbaan stond geparkeerd, maar op de met grastegels bedekte en verharde berm. Onder verwijzing ECLI:NL:GHARL:2016:3927 overweegt het hof dat voor de uitleg van het begrip weg in de zin van artikel 65, tweede lid, van het RVV 1990 geen aansluiting bij het begrip weg als bedoeld in artikel 1, onder b van de WVW 1994 dient te worden gezocht en dat het parkeerverbod aangegeven met verkeersbord E1 zich niet uitstrekt over de berm van de weg.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:4584” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:4404

Gelet op de ingestuurde foto’s en de definitie van een parkeerstrook is naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat het voertuig was geparkeerd op een daartoe bestemd weggedeelte. Het verschil in de bestrating ten opzichte van de rijbaan, de schuin oplopende oprijband alsmede de onderbroken langsmarkering zijn daarvoor aanwijzingen. Contra-indicaties voor een bestemming tot parkeren op de plaats waar het voertuig van betrokkene was geplaatst, zoals een kruis in de bestrating of een bord voor laden en lossen, ontbreken. De verklaring van de verbalisant, inhoudende dat op de strook nooddeuren uitkomen, doet niet af aan het feit dat betrokkene voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de strook een tot parkeren bestemd weggedeelte was. Dat kan anders zijn als betrokkene voor de nooddeuren had geparkeerd.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:4404” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:3804

De bepalingen in (de uitvoeringsvoorschriften van) het BABW zijn gericht tot de wegbeheerder en het staat niet ter beoordeling van de individuele weggebruiker of een verkeersteken terecht en overeenkomstig de voorschriften is geplaatst. Derhalve diende de betrokkene gevolg te geven aan het bord E1 en stond het haar niet vrij naar eigen inzicht van dat gebod af te wijken. Dat is slechts anders in het geval dat de situatie klaarblijkelijk zo afwijkend is van die waarop het verkeersteken betrekking heeft dat bij het gevolg geven aan dat teken de veiligheid op de weg in gevaar zou worden gebracht (vgl. HR 4 december 1984, VR 1985, 39). Uit de bepalingen van het RVV en het BABW volgt dat de parkeerverbodszone in dit geval wordt begrensd door het verkeersbord dat de zone aangeeft en een in samenhang met dat bord geplaatst bord dat het einde van de zone aangeeft. Hieruit volgt dat het parkeerverbod geldt voor beide zijden van de weg. Bovendien volgt hieruit dat geen verplichting bestaat voor de wegbeheerder herhalingsborden te plaatsen binnen een zone of anderszins kenbaar te maken dat sprake is van een parkeerverbodszone. Dat in andere situaties wel herhalingsborden of andere verkeerstekens zijn geplaatst, maakt dat niet anders. Dat de betrokkene zich niet of onvoldoende heeft gerealiseerd dat zij zich (nog steeds) binnen een parkeerverbodszone bevond, is een omstandigheid die binnen de risicosfeer van de betrokkene dient te blijven.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:3804” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:3074

Onder onmiddellijk laden of lossen van goederen dient te worden verstaan het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is. De enkele omstandigheid dat er kennelijk circa 15 minuten nodig waren om de kast ter plekke te brengen, brengt reeds mee dat van de vereiste onmiddellijkheid geen sprake meer is. Het voertuig heeft niet uitsluitend stilgestaan zo lang als nodig was voor het ononderbroken verrichten van handelingen dat redelijkerwijs noodzakelijk was om de kast te lossen. Voor het bepalen of sprake is van de redelijkerwijs noodzakelijke handelingen is mede van belang of er een alternatief was. In dit geval had de betrokkene ervoor kunnen kiezen om de kast uit te laden en tijdelijk in de hal van het flatgebouw neer te zetten, de auto te verplaatsen naar een plaats waar het toegelaten en mogelijk was te parkeren met een auto met aanhangwagen en daarna terug te komen en de kast naar de woning op de vijfde verdieping te brengen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:3074” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:1558

Het hof heeft reeds eerder uitgemaakt dat de WAHV geen gevolgen verbindt aan het niet voorafgaand aan de zitting verstrekken van door de kantonrechter verlangde informatie. De WAHV kent geen bepaling -zoals artikel 8:58 Awb- met betrekking tot het tijdstip dat nog aanvullende stukken kunnen worden ingediend bij de kantonrechter. Behandeling van een zaak ter zitting van de kantonrechter in het kader van de WAHV heeft onder meer tot doel om partijen in de gelegenheid te stellen te reageren op de in het dossier aanwezige stukken.
De officier van justitie heeft om een aanvullend proces-verbaal verzocht, maar de verbalisant heeft geen aanvullend proces-verbaal opgemaakt over de bebording ter plaatse ten tijde van de gedraging. Het hof deelt niet het standpunt van de officier van justitie dat het niet responderen op een verzoek om aanvullende informatie niet kan leiden tot de conclusie dat de verklaring van de verbalisant onvoldoende is om vast te stellen dat de gedraging is begaan. Gelet op het proces-verbaal van de zitting is voor de kantonrechter leidend geweest, dat de door hem noodzakelijk geachte informatie niet werd verstrekt. Nu op basis van hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd twijfel bestond aan de ambtsedige verklaring over de aanwezigheid van de bebording en de verbalisant deze twijfel niet heeft weggenomen door middel van een aanvullend proces-verbaal, heeft de kantonrechter naar het oordeel van het hof aanleiding kunnen zien het beroep gegrond te verklaren.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:1558” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:1519

Betrokkene is van opvatting dat hij daar ingevolge het bord E4 (parkeergelegenheid) mocht parkeren en dat het onderbord met de tekst “opladen elektrische personenauto’s” slechts een informatieve functie heeft en geen parkeerverbod inhoudt voor andere categorieën voertuigen. Uit de door de betrokkene overgelegde foto’s van de locatie blijkt dat de betreffende parkeerplaats is voorzien van een bord E4 met een onderbord met de tekst: “opladen elektrische personenauto’s”. De stelling dat het onderbord slechts een informatieve functie heeft en toelaat dat ook andere voertuigen dan elektrische personenauto’s daar parkeren vindt geen steun in het recht. Het hof is van oordeel dat door middel van de combinatie van het bord E4 met het onderbord duidelijk en ondubbelzinnig wordt aangeduid dat de betreffende parkeerplaats uitsluitend bestemd is voor het opladen van elektrische personenauto’s. Dat, zoals de betrokkene ter zitting heeft betoogd, de combinatie van bord en onderbord voor weggebruikers met een leesbeperking onduidelijk kan zijn, doet daaraan niet af.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:1519” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:10020

De betrokkene stelt dat niet duidelijk was aangegeven dat het voor hem op een bepaalde plek verboden was om te parkeren en dat uit het betreffende bord E08a en het onderbord niet blijkt dat personenauto’s in het weekend daar niet mogen parkeren. De betrokkene heeft de bebording samen met zijn echtgenote uitgebreid bekeken, er over nagedacht en meenden dat de bebording betekent dat personenauto’s er altijd mogen staan en vrachtwagens en bussen alleen ’s avonds en in het weekend. De betrokkene merkt daarbij op dat deze interpretatie van de bebording temeer aannemelijk is, nu de parkeervakken ter plaatse zijn ingericht voor gewone auto’s en niet voor vrachtwagens en bussen. De omschrijving van het bord E8 luidt: “Parkeergelegenheid alleen bestemd voor de voertuigcategorie of groep voertuigen die op het bord is aangegeven”. Het bord duidt er dus op dat het voor andere voertuigen dan vrachtwagens en bussen niet is toegestaan om op die parkeerplaats te parkeren. Het onderbord geeft een nadere uitleg hiervan. Een andere uitleg kan hieraan volgens het hof niet worden gegeven.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:10020” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:9486

De betrokkene stelt dat de werking van het verkeersbord met betrekking tot de parkeerzone voor vergunninghouders is opgeheven doordat er bij de betreffende parkeerplaats een bord staat waaruit volgt dat die parkeerplek tussen 18.00 en 24.00 uur is bestemd voor minder validen. Niet betwist is dat de betreffende parkeerplaats zich in een parkeerzone voor vergunninghouders bevindt, hetgeen wordt aangegeven door middel van verkeersborden. Het bord E6 duidt op de aanwezigheid van een gehandicaptenparkeerplaats. Het onderbord geeft een nadere uitleg hiervan. Daarmee is naar het oordeel van het hof aangegeven dat de betreffende parkeerplaats slechts gedurende de bepaalde uren – te weten 18.00 en 24.00 uur- heeft te gelden als een gehandicaptenparkeerplaats. Dit brengt mee dat het tussen die uren ook voor niet-vergunninghouders is toegestaan ter plaatse te parkeren, mits is voldaan aan de voorwaarden van artikel 26 van het RVV 1990. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de betrokkene niet bestrijdt dat hij het voertuig met voormeld kenteken op voormelde tijd ter plaatse heeft geparkeerd, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:9486” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:4227

De kantonrechter heeft overwogen dat het voertuig van de betrokkene had geparkeerd in de berm in een gebied waar verkeersbord E1 (een parkeerverbod) gold en dat ingevolge het Verdrag van Wenen inzake verkeerstekens een verkeersbord slechts gelding kan hebben voor de rijbaan (carriageway), zodat niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Aangezien de bepalingen uit het Verdrag voor de Wegenverkeerswet 1994 gaan, doet naar het oordeel van de kantonrechter niet ter zake dat in de Wegenverkeerswet 1994 is bepaald dat de berm onderdeel van de weg is. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene gegrond verklaard. Gelet op de stukken in het dossier en op hetgeen de gemachtigde ter terechtzitting van het hof desgevraagd heeft verklaard, acht het hof niet aannemelijk dat de gemachtigde van betrokkene het voertuig volledig in de berm had geparkeerd. Nu de gemachtigde naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van het hof niet heeft betwist dat de auto op de rijbaan stond geparkeerd, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:4227” verder

ECLI:NL:GHARL:2014:8214

Aan de betrokkene is op twee opeenvolgende data een sanctie opgelegd ter zake van “parkeren op een gelegenheid voor onmiddellijk laden lossen van goederen.” Voldoende aannemelijk is dat het voertuig gedurende de afwezigheid van de betrokkene niet is verplaatst. Het beroep op het door het hof ook voor WAHV-zaken aanvaarde beginsel, dat niemand tweemaal behoort te worden gesanctioneerd voor dezelfde gedraging, slaagt niet en leidt niet tot vernietiging van de tweede sanctie. Immers wanneer een eerder op het voertuig aangebrachte aankondiging van beschikking niet heeft kunnen bewerkstelligen dat de kentekenhouder een einde maakt aan de onwettige situatie, ligt het in de rede dat bij iedere volgende constatering van de gedraging opnieuw een sanctie wordt opgelegd. Een andere opvatting zou ertoe leiden dat het verbod wordt omzeild door éénmaal een sanctie te accepteren om vervolgens de verboden toestand als voortgezette handeling te laten voortbestaan.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2014:8214” verder