ECLI:NL:GHARL:2017:2398

Gesteld wordt dat de termijnoverschrijding het gevolg is geweest van te late doorzending van post door de bewindvoerder van de betrokkene. Om die reden is niet tijdig beroep ingesteld. Het hof heeft eerder geoordeeld dat het niet tijdig doorzenden van post door een curator, kennelijk als gevolg van het ontbreken van afspraken hierover tussen de betrokkene en de curator, een omstandigheid is die voor rekening van de betrokkene behoort te komen (vgl. het arrest van het hof van 28 december 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:10526). Dit uitgangspunt geldt evenzeer in zaken waar sprake is van een bewindvoerder. De omstandigheid dat de inleidende beschikking niet tijdig naar de betrokkene is doorgezonden maakt – wat daarvan ook zij – niet dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:2398” verder

ECLI:NL:GHARL:2017:1272

Nu het beroepschrift van de betrokkene reeds was ingetrokken, had de kantonrechter slechts te oordelen over de proceskostenvergoeding. Het hof is van oordeel dat de beslissing van de kantonrechter dient te worden gelezen als een beslissing in de zin van artikel 13b van de WAHV. Dat de kantonrechter heeft overwogen dat het niet redelijk is om de proceskosten te vergoeden, omdat het beroepschrift – waarin om proceskostenvergoeding is verzocht – te laat is ingediend maakt het voorgaande niet anders. Artikel 14, eerste lid, WAHV eist niet dat de sanctie onderwerp van geschil is geweest bij de kantonrechter. Onder deze bepaling moet worden verstaan dat hoger beroep mogelijk is indien, na de beslissing van de kantonrechter, een sanctie van meer dan € 70,- resteert. Het hof stelt vast dat aan deze voorwaarde niet is voldaan nu de sanctie, voorafgaand aan de beslissing van de kantonrechter, door de officier van justitie ongedaan is gemaakt.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:1272” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:9749

De inleidende beschikking is blijkens het dossier verzonden naar het adres in Duitsland, en blijkbaar terecht gekomen bij [X], woonachtig op hetzelfde adres. Er is sprake van naamsverwarring. De officier van justitie heeft de brief van [X] ten onrechte opgevat als beroepschrift van betrokkene. De officier van justitie had, gelet op artikel 6, eerste lid, WAHV, het beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen zekerheid is gesteld. Het is echter in een situatie als deze, waarin de indiener niet aansprakelijk kan worden gesteld voor betaling van de opgelegde sanctie, in strijd met doel en strekking van de regeling van de zekerheidsstelling om te verlangen dat aan die verplichting wordt voldaan. Vernietiging beslissing van de officier van justitie en het beroep tegen de inleidende beschikking is niet-ontvankelijk.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:9749” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:9599

De betrokkene heeft destijds tijdig beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking bij de Belastingdienst Apeldoorn. Betrokkene had tevens een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting ontvangen. Ter onderbouwing is een kopie van het beroepschrift van de betrokkene overgelegd. Als bijlage bij dit beroepschrift heeft de betrokkene een kopie van de inleidende beschikking bijgevoegd. Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat uit deze brief duidelijk blijkt dat deze (mede) betrekking heeft op de onderhavige sanctie en dat de betrokkene de bedoeling had daartegen beroep in te stellen. Aldus kan deze brief worden aangemerkt als een beroepschrift tegen de inleidende beschikking. De Belastingdienst had het beroepschrift moeten doorzenden naar de juiste instantie.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:9599” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:4277

De kantonrechter heeft, na te hebben vastgesteld dat de inleidende beschikking is ingetrokken door de officier van justitie, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang. Om vast te kunnen stellen dat geen beroep tegen de beslissing van de kantonrechter open staat, dient vast te staan dat de inleidende beschikking ten tijde van de beslissing van de kantonrechter niet meer bestond. Uit de stukken blijkt dit niet; de door de betrokkene overgelegde stukken hebben betrekking op een andere zaak. Uit een opgevraagd recent zaakoverzicht van het CJIB blijkt dat in deze zaak geen intrekking of vernietiging van de beschikking heeft plaatsgevonden. Het appelverbod in artikel 14, eerste lid, WAHV is dan ook niet van toepassing. Het hof vernietigt de beslissing en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:4277” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:2387

Betrokkene beroep heeft beroep ingesteld bij de officier van justitie. In dit beroepschrift stond het volgende vermeld: “Naar aanleiding van ons telefonisch contact, hierbij beroep! Is er sprake van identiteitsfraude?” In eerdere uitspraken heeft het hof reeds uitgemaakt dat met de gronden van het beroep de redenen worden bedoeld die de indiener heeft om een besluit vernietigd, gewijzigd of herroepen te krijgen. Als zodanig is ook de enkele opmerking dat sprake is van identiteitsfraude een grond, zij het in het algemeen – zonder nadere onderbouwing – niet licht leidend tot vernietiging van de inleidende beschikking. Het hof stelt dan ook vast dat het beroep tegen de inleidende beschikking een – zij het zeer summiere – grond bevat. De officier van justitie had het beroep tegen de inleidende beschikking derhalve niet niet-ontvankelijk kunnen verklaren.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:2387” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:2040

Het dossier bevat een niet ondertekend beroepschrift van de betrokkene. De betrokkene is in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens binnen twee weken na dagtekening van deze brief in te dienen. Niet gebleken is dat een reactie bij de rechtbank is binnengekomen. Blijkens de door de advocaat-generaal ingewonnen inlichtingen heeft de betrokkene tijdig en op de voorschreven wijze gereageerd op de brief van de griffier van de rechtbank, met dien verstande dat de betrokkene het ondertekende beroepschrift naar de CVOM in plaats van de rechtbank heeft gezonden. Ingevolge artikel 11, eerste lid, WAHV en artikel 6:15 Awb rustte op de CVOM de plicht om het alsnog ondertekende beroepschrift door te zenden naar de rechtbank. Dit is nagelaten.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:2040” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:178

Anders dan de officier van justitie heeft de kantonrechter wel een schriftelijke machtiging van [naam B] verlangd. De griffier van de kantonrechter heeft [naam B] bij brief uitgenodigd voor de zitting. Daarbij is hij erop gewezen dat niet is gebleken dat hij gemachtigd is om namens de kentekenhoudster beroep in te stellen. Voorts is hij in de gelegenheid gesteld om de vereiste machtiging over te leggen. Uit de stukken blijkt niet dat de betrokkene de gelegenheid om het verzuim – binnen de gestelde termijn – te herstellen heeft benut. De kantonrechter heeft derhalve op goede gronden vastgesteld dat de betrokkene heeft verzuimd alsnog een machtiging te overleggen en het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:178” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:211

In het beroepschrift worden de naam en adresgegevens van de gemachtigde, de naam van de betrokkene en een CJIB-nummer genoemd. Het hof constateert dat het genoemde CJIB-nummer niet overeenkomt met het CJIB-nummer van de onderhavige zaak. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat geen beroep is ingesteld. Het genoemde CJIB nummer heeft betrekking op een zaak van een ander, zodat niet kan worden vastgesteld dat in een andere zaak beroep is ingesteld. Daar komt nog bij dat in het beroepschrift de inhoud van het administratieve beroepschrift en van de beslissing van de officier van justitie is weergegeven. De onjuiste vermelding van het CJIB-nummer zou kunnen worden beschouwd als het ontbreken van een omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht, zodat sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, sub c, Awb. Uit de stukken blijkt echter niet dat de gelegenheid is gesteld dit verzuim te herstellen.
Het beroepschrift is naar het oordeel van het hof niet aan te merken als een pro forma beroepschrift. In het beroepschrift wordt namelijk niet aangegeven dat het beroep nog nader zal worden gemotiveerd. Gelet daarop bestond voor de officier van justitie geen verplichting om (de gemachtigde van) de betrokkene in de gelegenheid te stellen binnen een daartoe gestelde termijn (nadere) gronden op te geven en heeft de officier van justitie het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:211” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:35

De betrokkene woont in Duitsland, betwist de inleidende beschikking te hebben ontvangen en legt een uittreksel uit het bevolkingsregister over. Gelet op dat uittreksel rijst twijfel aan de juistheid van het bij het CJIB geregistreerde adres van de betrokkene. Onvoldoende vast staat dat de inleidende beschikking op de juiste wijze bekend is gemaakt. Dit leidt tot het oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat niet tijdig beroep is ingesteld tegen de inleidende beschikking. In dit geval wordt ook de inleidende beschikking vernietigd. De betrokkene heeft daarvan ruim twee jaar na de gedraging pas kennis genomen en is in zijn verdedigingsbelang geschaad door de overschrijding van de voorgeschreven termijn van bekendmaking van de inleidende beschikking.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:35” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:9703

Betrokkene heeft een e-mailbericht aan de rechtbank heeft verzonden met als bijlage een document waarin zij hoger beroep aantekent tegen de beslissing van de kantonrechter. Ingevolge artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Het verzenden van een e-mail met bijlagen, voldoet niet aan het schriftelijkheidsvereiste. Bovendien kan bij verzending per e-mail niet worden voldaan aan de eis dat het beroepschrift wordt ondertekend. De griffier van de rechtbank heeft de betrokkene niet gewezen op de onjuiste wijze waarop zij hoger beroep wilde instellen en haar evenmin gelegenheid gegeven het verzuim te herstellen binnen een haar daartoe gestelde termijn. Het hof acht geen redenen aanwezig om de betrokkene in de gelegenheid te stellen het verzuim te herstellen. Daartoe acht het hof doorslaggevend dat ten tijde van de ontvangst van het e-mailbericht de termijn voor het instellen van hoger beroep was verstreken.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:9703” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:9698

Betrokkene heeft een e-mailbericht aan de rechtbank heeft verzonden met als bijlage een document waarin zij hoger beroep aantekent tegen de beslissing van de kantonrechter. Ingevolge artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Het verzenden van een e-mail met bijlagen, voldoet niet aan het schriftelijkheidsvereiste. Bovendien kan bij verzending per e-mail niet worden voldaan aan de eis dat het beroepschrift wordt ondertekend. De griffier van de rechtbank heeft de betrokkene niet gewezen op de onjuiste wijze waarop zij hoger beroep wilde instellen en haar evenmin gelegenheid gegeven het verzuim te herstellen binnen een haar daartoe gestelde termijn. Naar het oordeel van het hof dient de betrokkene alsnog in de gelegenheid te worden gesteld haar verzuim bij het instellen van hoger beroep te herstellen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:9698” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:9695

Naar het oordeel van het hof heeft de gemachtigde het hoger beroep onvoorwaardelijk ingetrokken en separaat verzocht om vergoeding van proceskosten. Een dergelijk verzoek om vergoeding van proceskosten kan niet op grond van artikel 13a, in samenhang met artikel 20d, vierde lid, van de WAHV worden beoordeeld, aangezien het hof niet meer dient te beslissen op het hoger beroep. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, eerste volzin, in samenhang met artikel 20d, vierde lid, van de WAHV kan de advocaat-generaal bij afzonderlijke uitspraak in de kosten worden veroordeeld, in het geval van intrekking van het hoger beroep omdat de advocaat-generaal geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen. Daarvan is in dit geval geen sprake. De advocaat-generaal heeft immers geconcludeerd tot bevestiging met verbetering van gronden van de beslissing van de kantonrechter, zodat de inleidende sanctiebeschikking volledig in stand blijft.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:9695” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:8774

Indien een ander dan de betrokkene beroep instelt, kan de kantonrechter van degene die het beroep heeft ingesteld een schriftelijke machtiging verlangen. Wordt de gevraagde machtiging niet verstrekt of voldoet het niet aan de eisen, dan kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener van het beroep de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen. Uit de stukken blijkt niet dat de gelegenheid is geboden het verzuim te herstellen.
Niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten. In dit verband overweegt het hof dat gemachtigde in de procedure, voor zover deze is gericht tegen de beslissing van de kantonrechter, op eigen titel procedeert zodat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor zover in deze zaak wel namens de betrokkene procedeert, wordt de betrokkene niet in het gelijk gesteld.
De officier van justitie kon in dit geval van het horen afzien omdat het beroep kennelijk ongegrond is. Het beroepschrift gaat over snelheid maar de sanctie betreft een roodlichtgedraging. Uit het beroepschrift zelf blijkt reeds aanstonds dat de bezwaren ongegrond zijn en over die conclusie is redelijkerwijs geen twijfel mogelijk. Daaraan doet niet af dat de officier van justitie ambtshalve onderzoek heeft gedaan.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:8774” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:8751

De wetgever heeft ervoor gekozen bepaalde administratieve handelingen met betrekking tot het beroep bij de kantonrechter te laten verrichten door de CVOM. De gemachtigde heeft pro-forma beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie inzake een verkeersboete. In afwijking van de Algemene wet bestuursrecht, wordt het beroepschrift ingediend bij de officier van justitie die op het administratief beroep heeft beslist. Bij een beroep bij de kantonrechter is uitsluitend de kantonrechter bevoegd om vast te stellen dat de gronden van het beroep ontbreken en vervolgens de betrokkene, dan wel de gemachtigde van de betrokkene, in de gelegenheid te stellen dit verzuim te herstellen en eventueel consequenties te verbinden aan het niet (tijdig) verstrekken van de gronden van het beroep. Uit de stukken blijkt niet dat de gemachtigde de gelegenheid is geboden de gronden van het beroep aan te vullen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:8751” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:8666

De betrokkene is door de kantonrechter niet op juiste wijze geïnformeerd over de wijze waarop zij de tot € 70,- verlaagde zekerheid diende te voldoen, en de betrokkene binnen de gestelde termijn voor de zekerheidstelling pogingen heeft ondernomen om aan die verplichting te voldoen, kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim was. Het hof is van oordeel dat wanneer de kantonrechter de te betalen zekerheid verlaagt, hij de betrokkene bij zijn beslissing ook dient te informeren over de wijze waarop de zekerheid dient te worden gesteld, te weten door tijdige overschrijving van het verlaagde bedrag op het door het CJIB voor WAHV-zaken gebruikte rekeningnummer NL28 RBOS 0569 9888 88, onder vermelding van het (zestiencijferige) CJIB-nummer. Dat heeft de kantonrechter niet gedaan.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:8666” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:7840

Niet is gebleken dat de bevoegdheid om beroep bij de kantonrechter in te stellen, is gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven, zodanig dat dit gebruik blijk zou geven van kwade trouw. Het hof is – anders dan de kantonrechter – van oordeel dat de gemachtigde de ingediende beroepsgronden voldoende heeft onderbouwd. Dat de gemachtigde in een kort tijdsbestek een veelheid aan stukken heeft ingezonden levert geen misbruik van procesrecht op. Dit geldt temeer nu deze stukken grotendeels betrekking hebben op het Wob-verzoek en de afhandeling hiervan, terwijl de Wob-procedure los staat van de beroepsprocedure op grond van de WAHV, zodat deze correspondentie in de onderhavige procedure buiten beschouwing dient te blijven. Hieraan doet niet af dat de gemachtigde gebruik heeft gemaakt van verschillende briefkenmerken. De kantonrechter heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en ten onrechte niet inhoudelijk behandeld, en zal daarom de zaak terugwijzen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:7840” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:7843

Ingevolge het bepaalde in artikel 14 van de WAHV kan hoger beroep bij het gerechtshof worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie meer bedraagt dan € 70,-. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt € 23,-. Het hof is van oordeel dat, wanneer een beroep wordt gedaan op schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging, dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling en dit beroep gegrond moet worden geacht, doorbreking van het appelverbod van artikel 14, eerste lid, WAHV gewettigd is. Daaronder valt niet de omstandigheid dat de kantonrechter mogelijk een onjuiste beslissing heeft gegeven. De beoordeling van die beslissing kan immers slechts plaatsvinden, wanneer de wijze van totstandkomen ervan zodanig gebrekkig is, dat het appelverbod zou moeten worden doorbroken. Daarvan is in casu geen sprake. Hoger beroep is niet-onvankelijk.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:7843” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:7011

De termijn voor het indienen van een verzetschrift eindigde met toepassing van de Algemene Termijnenwet op maandag 2 juni. Het verzetschrift is gedateerd 29 mei en is blijkens een daarop gesteld stempel op dinsdag 10 juni ter griffie van de rechtbank ingekomen. De enveloppe waarin het verzetschrift is verzonden, ontbreekt, zodat niet kan worden vastgesteld dat de betrokkene het verzetschrift niet uiterlijk op 2 juni ter post heeft bezorgd. In aanmerking genomen dat maandag 9 juni een algemeen erkende feestdag was als bedoeld in de Algemene Termijnenwet, eindigde de termijn van een week, genoemd in artikel 6:9, tweede lid, Awb, gelet op de Algemene Termijnenwet, op 10 juni 2014. Gelet hierop is het verzet bij de kantonrechter tijdig ingesteld. Ter zitting van het hof heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de betrokkene op geloofwaardige wijze de ontvangst van de aanmaningen heeft betwist. Het hof sluit zich daarbij aan.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:7011” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:4691

Het bedrag van te stellen zekerheid gelijktijdig is in drie zaken verlaagd tot € 75,-, zodat de totale som € 225,- bedraagt. Indien een betrokkene in de procedure bij de kantonrechter met redenen omkleed aanvoert dat hij niet in staat is zekerheid te stellen, zal de kantonrechter de betrokkene in de gelegenheid moeten stellen op een openbare zitting te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht. Niet gebleken is dat de betrokkene tijdens deze zitting, noch tijdens de eerdere zitting, voldoende in de gelegenheid is gesteld zijn draagkrachtverweer te onderbouwen. Gelet hierop, en in aanmerking genomen dat de betrokkene stelt dat hij tijdens de eerdere zitting gevraagd heeft de zekerheid op nihil te stellen, is het hof van oordeel dat de betrokkene redelijkerwijs in de veronderstelling kon komen te verkeren dat hij nogmaals in de gelegenheid zou worden gesteld om zijn financiële situatie nader toe te lichten en (nog) niet de verlaagde zekerheid heeft gesteld.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:4691” verder