ECLI:NL:RVS:2009:BI9696

De Afdeling heeft blijkens haar uitspraak van 5 juli 2006 afgezien van een inhoudelijke behandeling van het verzoek wegens het ontbreken van gegevens en bescheiden. Nu de Afdeling toen ook geen toepassing heeft gegeven aan artikel 8:73, tweede lid, van de Awb en het onderzoek niet heeft heropend, staat de eerdere afwijzing van het verzoek er in dit geval niet aan in de weg alsnog een zelfstandig verzoek om schadevergoeding kan indienen, voorzien van gegevens en bescheiden. Nu de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 juni 2007 evenwel terecht ongegrond heeft verklaard, ziet de Afdeling geen aanleiding tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Het college heeft eveneens terecht geen aanleiding gezien tot vergoeding van immateriële schade wegens schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

Lees “ECLI:NL:RVS:2009:BI9696” verder

ECLI:NL:RVS:2008:BG8294

De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant. Sedert de ontvangst door het college van het bezwaarschrift zijn ten tijde van deze uitspraak van de Afdeling elf jaar en ruim twee maanden verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden. Niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De Afdeling zal, uitgaande van een tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden.

Lees “ECLI:NL:RVS:2008:BG8294” verder

ECLI:NL:RVS:2005:AT5682

Het koetshuis vormt een functionele eenheid met en is ondergeschikt aan de woning. Daarom dient het koetshuis aangemerkt te worden als een bijgebouw. Het koetshuis staat voor een klein deel achter de woning en verder geheel achter de woning. De voorgevel van de woning is de gevel gelegen aan de ontsluitingsweg aan de zijde van de woningen, omdat dit de naar de weg gekeerde gevel van de woning is. Parallel aan de voorgevel van de woningen bevindt de in geding zijnde dakkapel zich aan de voorgevel van het koetshuis. De dakkapel is derhalve gebouwd op het voordakvlak van het bijgebouw. Plaatsing van de dakkapel komt niet voor vrijstelling in aanmerking en er bestaat derhalve geen concreet uitzicht op legalisatie. De rechtbank is op goede gronden tot het oordeel gekomen dat het college de dakkapel terecht niet heeft aangemerkt als een bouwvergunningsvrij bouwwerk.

Lees “ECLI:NL:RVS:2005:AT5682” verder

ECLI:NL:RVS:2000:AA7505

Basketbalveld c.a. past niet in bestemming “Groendoeleinden”. Het geldende bestemmingsplan voorziet niet in een aanlegvergunningstelsel. De aanleg van een basketveld verdraagt zich niet met de op het perceel rustende bestemming “Groendoeleinden”, omdat de aldus bestemde gronden slechts mogen worden gebruikt voor groenvoorzieningen en paden. In aanmerking genomen dat in ieder geval een functionele relatie bestaat tussen de basketbalpalen, de trapdoelen en de niet toegestane verharding van de grond, moet worden geoordeeld dat, daargelaten of deze bouwwerken als wel toegestane speeltoestellen in de zin van de planvoorschriften kunnen worden aangemerkt, het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Dat de naast de basketbalpalen en trapdoelen vergunde tennistafel en meetingpoint wellicht in overeenstemming met dit plan zijn, maakt dit niet anders. De in de bouwaanvraag begrepen bouwwerken dienen als een geheel te worden beschouwd. Bouwvergunning voor het bouwplan in zijn totaliteit had moeten worden geweigerd.

Lees “ECLI:NL:RVS:2000:AA7505” verder