ECLI:NL:GHARL:2016:9160

De kantonrechter heeft de sanctie gematigd en het verzoek van de betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen. Artikel 13a, eerste lid, eerste volzin, van de WAHV bepaalt dat de kantonrechter bij uitsluiting bevoegd is een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Nu het bedrag van de sanctie is gematigd, is de betrokkene (gedeeltelijk) in het gelijk gesteld door de kantonrechter. Als uitgangspunt heeft te gelden dat in een zodanig geval aanleiding bestaat voor inwilliging van het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding, gemaakt in de procedure bij de kantonrechter. Dat is slechts anders indien geoordeeld zou moeten worden dat er sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Daarvan is in deze zaak niet gebleken.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:9160” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:6615

De stelling van de advocaat-generaal dat aan de doorzendplicht geen toepassing behoeft te worden gegeven in geval een professioneel gemachtigde beroep instelt, vindt geen steun in het recht. Artikel 6:15 Awb noch enige andere bepaling maakt een dergelijk onderscheid. Naar het oordeel van het hof volgt uit de aangehaalde passages onmiskenbaar dat met het schrijven is beoogd, voor het geval het verzoek niet wordt ingewilligd, zoals hier, een rechtsmiddel aan te wenden tegen de inleidende beschikking. De brief moet dan ook als administratief beroepschrift worden aangemerkt. Dit brengt mee dat het CJIB, gelet op de doorzendplicht van artikel 6:15, eerste lid, Awb, het beroepschrift had moeten doorzenden aan de CVOM.
De enkele stelling dat het faillissement bij gebrek aan baten is opgeheven vormt onvoldoende grond voor het oordeel dat de betrokkene niet in staat is de sanctie te betalen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:6615” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:6224

De advocaat-generaal heeft in de reactie op de nadere toelichting van de gemachtigde aangegeven aanleiding te zien om – gelet op de zeer geringe financiële draagkracht van de betrokkene – de sanctie te matigen tot € 30,-. Het hof acht hetgeen de gemachtigde omtrent de betrokkene zijn financiële situatie naar voren heeft gebracht voldoende aannemelijk. Deze omstandigheden brengen, naar het oordeel van het hof, mee dat de betrokkene niet in staat moet worden geacht om de opgelegde administratieve sanctie binnen afzienbare tijd, dat wil zeggen voor het moment dat hij, na het onherroepelijk worden van de sanctie, met de wettelijke verhogingen wordt geconfronteerd, geheel te voldoen. Daarom zal het hof, overeenkomstig het voorstel van de advocaat-generaal, de sanctie matigen tot € 30,-.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:6224” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:5321

De betrokkene heeft zijn voertuig blijkens de koopovereenkomst ingeruild voor een ander voertuig. Het voertuig wordt pas later bij de RDW aangemeld voor opname in de bedrijfsvoorraad en dat dus ook pas op die datum het vrijwaringsbewijs is aangemaakt. De betrokkene heeft er kennelijk op vertrouwd dat het autobedrijf zou voldoen aan de op hem rustende wettelijke verplichting tot opname van het voertuig in de bedrijfsvoorraad door middel van aanmelding bij de RDW. Het is naar het oordeel van het hof in dit geval niet billijk wanneer het verzuim van het autobedrijf om aan zijn wettelijke verplichtingen te voldoen volledig aan de betrokkene wordt toegerekend. Anderzijds wijst het hof erop dat de betrokkene, toen aan hem niet terstond een vrijwaringsbewijs werd verstrekt, zich had moeten realiseren dat de voertuigverplichtingen die op hem als kentekenhouder rustten na de verkoop van het voertuig voortduurden. Het hof ziet aanleiding voor een matiging van de sanctie.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:5321” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:3901

Aan de betrokkene is een administratieve sanctie van € 130,- opgelegd ter zake van “als bestuurder rijdend met een motorvoertuig niet de rijbaan gebruiken”. De betrokkene heeft aangevoerd dat zij in de veronderstelling verkeerde dat zij op de betreffende dag goederen moest afleveren bij de Bruna, omdat zij al negen jaar dezelfde route rijdt en vrijwel altijd goederen bij de Bruna aflevert. Het hof stelt vast dat de omschreven handelingen niet voor het direct laden en lossen noodzakelijk waren. Dat brengt mee dat de betrokkene geen beroep toekomt op de verleende ontheffing. Vervolgens dient het hof te beoordelen of er redenen zijn om de sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen. Het hof acht aannemelijk geworden dat op grond van een onjuiste veronderstelling het voetgangersgebied is ingereden. Enig voordeel heeft zij hiervan niet gehad. Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen de omstandigheden waaronder de gedraging is begaan, in dit geval dat een lager bedrag van de administratieve sanctie wordt vastgesteld. Naar het oordeel van het hof dient de sanctie te worden gematigd tot een bedrag van € 65,-.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:3901” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:3031

De gemachtigde heeft aangevoerd dat de kantonrechter de sanctie had moeten matigen nu deze het door haar gevoerde draagkrachtverweer in verband met de zekerheidstelling heeft gehonoreerd. Anders dan de gemachtigde kennelijk veronderstelt, vloeit uit dat oordeel niet voort dat de kantonrechter, indien hij heeft vastgesteld dat de gedraging is verricht, ook gehouden is het bedrag van de sanctie te matigen. In aanmerking genomen dat de betrokkene haar beroep op het ontbreken van financiële draagkracht niet nader heeft onderbouwd, is het hof van oordeel dat de kantonrechter, nadat hij had vastgesteld dat de gedraging is verricht, daarin geen aanleiding hoefde te zien tot matiging of het op nihil stellen van de sanctie.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:3031” verder

ECLI:NL:CBB:2013:BZ6866

De procedure waarin door DNB een boete is opgelegd voor overtreding van artikel 10 Wtt juncto artikel 12, derde lid, Rib, moet binnen een redelijke termijn dient te zijn voltooid. Gelet op de aanvang van de redelijke termijn met de brief van 24 april 2008, waarin is meegedeeld dat bij een toezichtbezoek een aantal tekortkomingen is geconstateerd, dat DNB de situatie ernstig acht en dat zij zich op dat moment beraadt over het treffen van formele maatregelen door het opleggen van een bestuurlijke boete en/of last onder dwangsom, en nu het geding in eerste aanleg is geëindigd met de uitspraak van de rechtbank van 9 maart 2010, is deze termijn niet overschreden. De eveneens op twee jaren te stellen redelijke termijn voor hoger beroep is, gelet op de datum van ontvangst van het hoger beroepschrift wel overschreden. Het College ziet aanleiding, in lijn met het arrest van de Hoge Raad, de opgelegde boete met 10 procent te verminderen.

Lees “ECLI:NL:CBB:2013:BZ6866” verder

ECLI:NL:RVS:2010:BN7011

In dit geval heeft de fase van de procedure twee jaar en bijna 3 maanden heeft geduurd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM overschreden, indien de duur van de totale procedure onredelijk lang is. Voorts heeft, zoals volgt uit de jurisprudentie van de Afdeling, voor de beslechting van het geschil in eerste aanleg als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet en dat deze termijn aanvangt op het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd.

Lees “ECLI:NL:RVS:2010:BN7011” verder

ECLI:NL:RVS:2009:BJ7223

In dit geval heeft de fase van eerste aanleg twee jaar en bijna twee maanden heeft geduurd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM overschreden, indien de duur van de totale procedure onredelijk lang is. Voorts heeft, zoals de Hoge Raad der Nederlanden heeft overwogen en waarbij de Afdeling zich aansluit, voor de beslechting van het geschil in eerste aanleg als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet en dat deze termijn aanvangt op het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. In de gevallen waarin de redelijke termijn met niet meer dan zes maanden is overschreden, wordt de boete verminderd met 5%.

Lees “ECLI:NL:RVS:2009:BJ7223” verder

ECLI:NL:HR:2008:BD0191

De vermindering van de boete is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. In de gevallen waarin de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden wordt de boete verminderd met 5% bij een overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden of minder en met 10% bij een overschrijding van meer dan zes maanden doch niet meer dan twaalf maanden, met dien verstande dat de omvang van de vermindering niet meer bedraagt dan € 2500, en geen vermindering wordt toegepast indien de boete minder is dan € 1000. De Hoge Raad zal in een dergelijk geval volstaan met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, lid 1, van het EVRM. In de gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden zal de Hoge Raad naar bevind van zaken handelen.

Lees “ECLI:NL:HR:2008:BD0191” verder