ECLI:NL:GHARL:2017:937

De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een deugdelijke machtiging om beroep in te stellen tegen de inleidende beschikking. Of sprake was van een toereikende volmacht om beroep in te stellen tegen de inleidende beschikking, stond echter niet ter beoordeling van de kantonrechter, omdat dit niet de toepassing van een bepaling van openbare orde betreft die ambtshalve moet worden getoetst. Aldus is de beslissing van de kantonrechter niet voorzien van een deugdelijke motivering. Uit de tekst van de machtiging blijkt genoegzaam dat gemachtigde gerechtigd was om namens betrokkene beroep in te stellen tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:937” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:9397

Gemachtigde is niet voor de zitting van de kantonrechter is uitgenodigd. Het beroep is ingesteld door de gemachtigde, maar in de machtiging machtigt de betrokkene Y. X heeft aanvullende gronden bezwaar ingediend. Gelet op de verstrekte machtiging, en de daarbij ruim omschreven kring van gevolmachtigden, alsmede de machtiging aan X, kon de kantonrechter X redelijkerwijs aanmerken als de in die fase van de procedure namens de betrokkene optredende gemachtigde. Dat de inhoud van het schrijven van X mede betrekking heeft op de gelijktijdig aanhangige bezwaarprocedure op grond van de Wob doet daaraan niet af, nu uit de stukken blijkt dat deze werkwijze niet ongebruikelijk is bij beide rechtsbijstandsverleners. De onduidelijkheid die daardoor kan ontstaan komt derhalve voor hun rekening en risico. Uit het voorgaande volgt dat de gemachtigde X op de bij artikel 12, eerste lid, van de WAHV, voorgeschreven wijze is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:9397” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:5803

In hoger beroep voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter in strijd met het procesreglement bestuursrecht een hersteltermijn van slechts twee weken heeft vastgesteld om het verzuim te herstellen. De griffier van de rechtbank heeft de gemachtigde in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken de verlangde machtiging in te dienen. Het hof stelt vast dat de gemachtigde schriftelijk de gelegenheid is geboden het door de kantonrechter vastgestelde verzuim te herstellen. De gegeven termijn is naar het oordeel van het hof echter niet als redelijk te beschouwen. Teneinde het verzuim te herstellen diende de gemachtigde zich tot de (vertegenwoordiger van de) betrokkene te wenden en deze een machtiging laten opstellen dan wel ondertekenen en vervolgens deze machtiging aan de kantonrechter te doen toekomen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:5803” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:4267

Een algemeen geformuleerde machtiging is op zichzelf niet in strijd met artikel 8:24 Awb of andere wettelijke voorschriften. Een machtiging moet wel zodanig specifiek zijn dat daaruit de grenzen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid kunnen worden afgeleid. Uit de tekst van de machtiging blijkt genoegzaam dat gemachtigde gerechtigd was om beroep in te stellen. Dat de machtiging dateert van vóór de datum van de gedraging doet aan de geldigheid van de machtiging niet af. Nu bovendien bij het administratief beroepschrift een kopie van de sanctiebeschikking is gevoegd, kan het niet anders zijn dan dat betrokkene deze beschikking aan gemachtigde heeft verstrekt, daarmee tot uitdrukking brengend dat ook deze zaak onder de reeds eerder afgegeven machtiging dient te worden begrepen.
Het beroep bij de kantonrechter en het hoger beroep bij het hof moeten worden aangemerkt als te zijn ingesteld namens betrokkene. De betrokkene wordt in hoger beroep in het gelijk gesteld, zodat de gevraagde kosten naar het oordeel van het hof voor vergoeding in aanmerking komen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:4267” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:1084

Kennelijk heeft betrokkene door het afgeven van de machtiging willen bewerkstelligen dat gemachtigde hem als gemachtigde vertegenwoordigt. Een algemeen geformuleerde machtiging is op zichzelf niet in strijd met artikel 8:24 Awb of andere wettelijke voorschriften. Een machtiging moet wel zodanig specifiek zijn dat daaruit de grenzen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid kunnen worden afgeleid. Uit de tekst van de machtiging blijkt genoegzaam dat gemachtigde gerechtigd was om namens betrokkene beroep in te stellen tegen de beslissing van de officier van justitie. Niet is gebleken dat zich een omstandigheid als bedoeld in artikel 3:72 van het BW heeft voorgedaan als gevolg waarvan de volmacht is geëindigd. Dat de machtiging dateert van vóór de datum van de gedraging (of de beschikking waarbij de sanctie is opgelegd) doet aan de geldigheid van de machtiging niet af. In dit verband overweegt het hof dat, gezien de aangevoerde bezwaren, het niet anders kan zijn dan dat betrokkene aan gemachtigde de aan het geschil ten grondslag liggende sanctiebeschikking heeft verstrekt, daarmee tot uitdrukking brengende dat ook deze zaak onder de reeds eerder afgegeven machtiging dient te worden begrepen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:1084” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:178

Anders dan de officier van justitie heeft de kantonrechter wel een schriftelijke machtiging van [naam B] verlangd. De griffier van de kantonrechter heeft [naam B] bij brief uitgenodigd voor de zitting. Daarbij is hij erop gewezen dat niet is gebleken dat hij gemachtigd is om namens de kentekenhoudster beroep in te stellen. Voorts is hij in de gelegenheid gesteld om de vereiste machtiging over te leggen. Uit de stukken blijkt niet dat de betrokkene de gelegenheid om het verzuim – binnen de gestelde termijn – te herstellen heeft benut. De kantonrechter heeft derhalve op goede gronden vastgesteld dat de betrokkene heeft verzuimd alsnog een machtiging te overleggen en het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:178” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:12

Uit de (open) machtiging blijkt dat de betrokkene hem machtigt om hem te vertegenwoordigen en alle handelingen te verrichten teneinde geschillen in rechte te bestrijden alsmede al hetgeen door gemachtigde noodzakelijk wordt geacht, waaronder het aanwenden van rechtsmiddelen. Weliswaar is in deze machtiging niet het kenmerk of een aanduiding van onderhavige zaak genoemd, maar artikel 8:24 Awb noch enige andere rechtsregel verplicht daartoe. Het voeren van de onderhavige procedure bij de kantonrechter door de gemachtigde valt binnen de reikwijdte van de overgelegde machtiging. De kantonrechter had de machtiging in redelijkheid niet ontoereikend kunnen achten.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:12” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:8774

Indien een ander dan de betrokkene beroep instelt, kan de kantonrechter van degene die het beroep heeft ingesteld een schriftelijke machtiging verlangen. Wordt de gevraagde machtiging niet verstrekt of voldoet het niet aan de eisen, dan kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener van het beroep de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen. Uit de stukken blijkt niet dat de gelegenheid is geboden het verzuim te herstellen.
Niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten. In dit verband overweegt het hof dat gemachtigde in de procedure, voor zover deze is gericht tegen de beslissing van de kantonrechter, op eigen titel procedeert zodat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor zover in deze zaak wel namens de betrokkene procedeert, wordt de betrokkene niet in het gelijk gesteld.
De officier van justitie kon in dit geval van het horen afzien omdat het beroep kennelijk ongegrond is. Het beroepschrift gaat over snelheid maar de sanctie betreft een roodlichtgedraging. Uit het beroepschrift zelf blijkt reeds aanstonds dat de bezwaren ongegrond zijn en over die conclusie is redelijkerwijs geen twijfel mogelijk. Daaraan doet niet af dat de officier van justitie ambtshalve onderzoek heeft gedaan.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:8774” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:4275

In het dossier bevindt zich een akte van volmacht, waarin iemand als bestuurder van de betrokkene machtigt om onder meer rechtsmiddelen aan te wenden. Uit deze akte blijkt dat bedoelde machtiging is verleend, in aanmerking genomen dat een beschikking is opgelegd waarmee de betrokkene zich niet kan verenigen. Gelet op de inhoud daarvan moet worden aangenomen dat de geldigheid van de machtiging niet beperkt is tot de dag waarop deze is gedateerd. Echter, in de akte van volmacht is niet de aan deze procedure ten grondslag liggende beschikking genoemd. Het document houdt dus geen bijzondere volmacht in. Gelet hierop kon de kantonrechter tot het oordeel komen dat de in het dossier aanwezige akte van volmacht niet toereikend was. Niet-ontvankelijkverklaring kan echter eerst volgen indien de gemachtigde in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen, het verzuim niet binnen de in de brief genoemde termijn is hersteld en in de brief is meegedeeld dat niet-ontvankelijkverklaring kan volgen als het verzuim niet binnen die termijn is hersteld.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:4275” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:1057

De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de overgelegde machtiging vanwege de algemene bewoordingen geen bijzondere schriftelijke volmacht inhoudt tot het instellen van beroep tegen de inleidende beschikking in de onderhavige zaak. Het hof oordeelt dat indien een ander dan de betrokkene beroep instelt, de kantonrechter van degene die het heeft ingesteld een schriftelijke machtiging kan verlangen. Wordt de gevraagde machtiging niet verstrekt of voldoet de verstrekte machtiging niet aan de daaraan te stellen eisen, dan kan ingevolge het bepaalde in artikel 6:6 Awb het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener van het beroep de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Uit de stukken blijkt niet dat aan de gemachtigde de gelegenheid is geboden het geconstateerde verzuim te herstellen. Dat brengt mee dat de kantonrechter het ingestelde beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Gelet op het voorgaande kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:1057” verder

ECLI:NL:GHARL:2014:9655

In de procedure bij de officier van justitie is bedrijf 2, vertegenwoordigd door mw. A, als gemachtigde opgetreden. Hoewel in de oorspronkelijke machtiging niet is voorzien in die mogelijkheid, heeft mw. A op haar beurt als gemachtigde aangesteld dhr. B, werkzaam bij een rechtsbijstandverzekeraar. Hij heeft beroep bij de kantonrechter ingesteld. De kantonrechter heeft geoordeeld dat deze wisseling van gemachtigde niet kan en heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep van dhr. B is ontvankelijk nu aan hem op grond van artikel 14, tweede lid, WAHV een zelfstandig beroepsrecht toekomt. De regel dat ondermachtiging niet kan worden aanvaard wanneer daarin in de oorspronkelijke machtiging niet is voorzien, lijdt uitzondering indien de eerste gemachtigde een derde inschakelt die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Dhr. B kan in de procedure bij de kantonrechter als gemachtigde worden beschouwd.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2014:9655” verder

ECLI:NL:HR:2014:446

Uit de overgelegde machtiging blijkt de bevoegdheid van [A] om (onder meer) in de onderhavige zaak namens belanghebbende beroep in te stellen. De uitspraak van de Rechtbank en de stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen dat zich tussen het verlenen van die machtiging en het instellen van het onderhavige beroep een omstandigheid als bedoeld in artikel 3:72 BW heeft voorgedaan waardoor de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [A] zou zijn geëindigd. De Rechtbank kon daarom in redelijkheid geen aanleiding vinden om eraan te twijfelen of die bevoegdheid ten tijde van het instellen van het beroep nog bestond en op die grond van [A] een nieuwe schriftelijke machtiging te verlangen. Het beroep is mitsdien ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van bewijs ten aanzien van de bevoegdheid van [A] (vgl. HR 11 oktober 2013, nr. 13/00924, ECLI:NL:HR:2013:840, BNB 2013/244).

Lees “ECLI:NL:HR:2014:446” verder

ECLI:NL:HR:2013:840

Beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verstrekken van door Rechtbank verlangde machtiging waaruit vertegenwoordigingsbevoegdheid blijkt. Machtiging hoeft niet per instantie te worden verleend en hoeft niet te dateren van na de bestreden uitspraak.

Lees “ECLI:NL:HR:2013:840” verder

ECLI:NL:HR:2013:840

Uit de overgelegde machtiging blijkt de bevoegdheid van [B] en [C] om (onder meer) in de onderhavige zaken namens belanghebbende beroep in te stellen. De uitspraak van de Rechtbank en de stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen dat zich tussen het verlenen van die machtiging en het instellen van de onderhavige beroepen een omstandigheid als bedoeld in artikel 3:72 BW heeft voorgedaan waardoor de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigden zou zijn geëindigd. De Rechtbank kon daarom in redelijkheid geen aanleiding vinden om eraan te twijfelen of die bevoegdheid ten tijde van het instellen van de beroepen nog bestond, en op die grond van hen een nieuwe schriftelijke machtiging te verlangen. De beroepen zijn mitsdien ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van bewijs ten aanzien van de bevoegdheid van [B] en [C].

Lees “ECLI:NL:HR:2013:840” verder

ECLI:NL:RBGEL:2013:1011

Gemeente heeft bij de aanvraag tot bijzondere bijstand de bewindvoerder verzocht een machtiging te verstrekken. De bewindvoerder heeft verwezen naar de genoemde beschikking van de kantonrechter. Omdat geen machtiging is overgelegd, heeft de gemeente de aanvraag buiten behandeling gesteld. Namens verzoeker (rechthebbende) is aangevoerd dat de bewindvoerder op grond van artikel 1:441, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) de rechthebbende in en buiten rechte vertegenwoordigt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker, nu zijn goederen onder bewind zijn gesteld, onbekwaam is om in rechte te staan, zodat hij bij het verzoek wordt vertegenwoordigd door zijn bewindvoerder. Het verzoek is daarom ontvankelijk.

Lees “ECLI:NL:RBGEL:2013:1011” verder

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1706

Op grond van artikel 2:1, tweede lid, kan het bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen. De CRvB is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat appellant in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van deze bevoegdheid. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat kennis uit voorafgaande procedures er niet aan in de weg staat dat appellant ten aanzien van bezwaarschriften de strikte lijn volgt dat op grond van een schriftelijke machtiging dient vast te staan dat de beweerdelijk vertegenwoordigde wenst dat bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig het ingediende bezwaarschrift. De Raad heeft bij het vorenstaande onder meer betrokken hetgeen is overwogen in de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 20 juni 2001, LJN AB2227.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2010:BO1706” verder

ECLI:NL:RVS:2008:BC7639

De toenmalige gemachtigde heeft geen afschrift van het besluit ontvangen, waardoor het bezwaarschrift door de gemachtigde na afloop van de bezwaartermijn is ingediend. Het optreden van een gemachtigde heeft tot gevolg dat het contact met een belanghebbende in beginsel via die gemachtigde verloopt en dat, indien een besluit aan de bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde wordt toegezonden, de bekendmaking op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden.
Volgens vaste jurisprudentie is het, ingeval van niet aangetekende verzending van besluiten, aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden.

Lees “ECLI:NL:RVS:2008:BC7639” verder

ECLI:NL:RVS:2007:BB6318

Het enkele feit dat, ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift, geen schriftelijke machtiging aan het college is overgelegd betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat iemand niet als gemachtigde kan worden aangemerkt. Een bestuursorgaan is niet verplicht een machtiging te verlangen.
Het optreden van een gemachtigde tot gevolg heeft dat het contact met een belanghebbende in beginsel via de gemachtigde loopt en dat, indien een besluit aan de bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde wordt toegezonden, sprake is van een bekendmaking op de voorgeschreven wijze.
Volgens vaste jurisprudentie dient, ingeval van niet aangetekende verzending van besluiten of andere rechtens van belang zijnde documenten, het bestuursorgaan aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. Indien het bestuursorgaan de verzending van het desbetreffende stuk aannemelijk heeft gemaakt, ligt het op de weg van de geadresseerde om de ontvangst ervan op niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen.

Lees “ECLI:NL:RVS:2007:BB6318” verder

ECLI:NL:RVS:2007:BA7618

Het college betoogt in hoger beroep dat de beëindiging van de ambtelijke aanstelling in het individuele geval uitsluitend de provincie en de betrokken medewerker raakt en niet valt aan te merken als beleid of de voorbereiding daarvan, noch als actuele bestuursvoering van het college. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het begrip “bestuurlijk”, gelet op het doel van de Wob, ziet op het openbaar bestuur in al zijn facetten. Het betreft niet alleen het externe optreden van het bestuur, maar ook de interne organisatie en de beslissingen met betrekking tot de rechtspositie van en de toekenningen uit de openbare middelen aan ambtenaren en gewezen ambtenaren. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de door Brabants Dagblad opgevraagde informatie een bestuurlijke aangelegenheid betreft en dat de begrenzing ter zake van de openbaarmaking van die informatie moet worden gevonden in het bepaalde in de artikelen 10 en 11 van de Wob.

Lees “ECLI:NL:RVS:2007:BA7618” verder