ECLI:NL:HR:2010:BO1802

Formele rechtskracht dwangsombeschikking. Verzet tegen door de Staat uitgevaardigd dwangbevel. Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, dient de rechter ervan uit te gaan dat de dwangsombeschikking zowel wat haar inhoud als haar wijze van tot stand komen betreft met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen in overeenstemming is. Beroep op art. 6 EVRM stuit daar op af. Oordeel hof dat aan onderhavige beschikking formele rechtskracht toekomt en dat daaraan niet afdoet dat in een latere bestuursrechtelijke procedure een ander besluit is vernietigd op grond van gebreken die ook aan de onderhavige beschikking zouden kleven, is juist. Vrijheid verzetrechter de last tot een concreet omschreven prestatie naar doel en strekking ervan uit te leggen (HR 8 november 2002, nr. C01/111, LJN AE8216, NJ 2002/613).

Lees “ECLI:NL:HR:2010:BO1802” verder

ECLI:NL:RVS:2009:BI9696

De Afdeling heeft blijkens haar uitspraak van 5 juli 2006 afgezien van een inhoudelijke behandeling van het verzoek wegens het ontbreken van gegevens en bescheiden. Nu de Afdeling toen ook geen toepassing heeft gegeven aan artikel 8:73, tweede lid, van de Awb en het onderzoek niet heeft heropend, staat de eerdere afwijzing van het verzoek er in dit geval niet aan in de weg alsnog een zelfstandig verzoek om schadevergoeding kan indienen, voorzien van gegevens en bescheiden. Nu de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 juni 2007 evenwel terecht ongegrond heeft verklaard, ziet de Afdeling geen aanleiding tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Het college heeft eveneens terecht geen aanleiding gezien tot vergoeding van immateriële schade wegens schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

Lees “ECLI:NL:RVS:2009:BI9696” verder

ECLI:NL:RVS:2005:AT5682

Het koetshuis vormt een functionele eenheid met en is ondergeschikt aan de woning. Daarom dient het koetshuis aangemerkt te worden als een bijgebouw. Het koetshuis staat voor een klein deel achter de woning en verder geheel achter de woning. De voorgevel van de woning is de gevel gelegen aan de ontsluitingsweg aan de zijde van de woningen, omdat dit de naar de weg gekeerde gevel van de woning is. Parallel aan de voorgevel van de woningen bevindt de in geding zijnde dakkapel zich aan de voorgevel van het koetshuis. De dakkapel is derhalve gebouwd op het voordakvlak van het bijgebouw. Plaatsing van de dakkapel komt niet voor vrijstelling in aanmerking en er bestaat derhalve geen concreet uitzicht op legalisatie. De rechtbank is op goede gronden tot het oordeel gekomen dat het college de dakkapel terecht niet heeft aangemerkt als een bouwvergunningsvrij bouwwerk.

Lees “ECLI:NL:RVS:2005:AT5682” verder

ECLI:NL:RVS:2003:AF9494

Appellanten betogen dat de in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten op grond van de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures voor vergoeding in aanmerking komen nu sprake is van ernstige onzorgvuldigheid van de kant van verweerder. De wet van 24 januari 2002 waarop appellanten zich beroepen is op 12 maart 2002 in werking getreden. De Afdeling stelt vast dat het besluit waartegen bezwaar is gemaakt is genomen voor het inwerkingtreden van deze wet. Reeds hierom kan het standpunt van appellanten dat de in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten op grond van genoemde wet voor vergoeding in aanmerking komen niet worden ingewilligd. Voorzover het beroep van appellanten wat dit onderdeel betreft moet worden beschouwd als een verzoek op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht overweegt de Afdeling het volgende. De in een bestuurlijke voorprocedure gemaakte kosten dienen in beginsel voor rekening van belanghebbenden te blijven en kunnen deze slechts in bijzondere gevallen voor vergoeding in aanmerking komen. Er bestaat geen grond om te oordelen dat sprake is van zodanige bijzondere gevallen.

Lees “ECLI:NL:RVS:2003:AF9494” verder