ECLI:NL:GHARL:2017:1269

Betrokkene is niet geslaagd om de ontvangst van de beslissing van de officier van justitie op niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. De later verzonden brief van het CJIB maakt het voorgaande niet anders. Onduidelijk is op grond waarvan deze brief door het CJIB is verzonden. Voorop staat dat met de verzending van die brief niet een nieuwe beroepstermijn is gaan lopen. De termijn om in beroep te gaan was reeds verstreken. Voor zover bij de betrokkene door deze brief van het CJIB het vertrouwen is gewekt dat hij alsnog tijdig beroep kon instellen tegen de beslissing van de officier van justitie, is die omstandigheid niet van dien aard dat niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege dient te blijven. Het is vaste jurisprudentie dat vertrouwen, ontleend aan informatie waarvan eerst kennis is genomen na de beroepstermijn, niet kan bewerkstelligen dat een inmiddels plaats gehad hebbende niet-verschoonbare termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar wordt.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:1269” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:10222

Door zowel de betrokkene als de PI is verzuimd aangifte van adreswijziging te doen. Ten gevolge hiervan is de inleidende beschikking niet naar het detentieadres van de betrokkene verzonden. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het beroep tegen de inleidende beschikking niet tijdig is ingesteld. Het hof is van oordeel dat het niet tijdig instellen van dit beroep verschoonbaar moet worden geacht.
Dat de betrokkene kort na het afsluiten van de verzekering is komen vast te zitten, ontheft hem niet van zijn verantwoordelijkheid als kentekenhouder. De betrokkene had voorzieningen moeten treffen om de tenaamstelling van de kentekenregistratie te schorsen. Dat de betrokkene dit heeft nagelaten, dient voor zijn rekening te komen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:10222” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:9671

De griffier van de rechtbank heeft een mededeling van de CVOM ontvangen dat het adres van de betrokkene gewijzigd is. Bijgevoegd is een schrijven van de CVOM dat retour afzender is ontvangen wegens ‘verhuist’. De betrokkene voert aan de beslissing van de kantonrechter niet te hebben ontvangen. In verband hiermee kon de griffier van de rechtbank niet zonder meer gebruik maken van het adres in het beroepschrift, om de beslissing aan de betrokkene toe te zenden, maar had hij nader onderzoek moeten doen naar het adres van de betrokkene. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat de beslissing naar het juiste adres is verzonden, zodat de beroepstermijn niet is aangevangen. Het hoger beroep is derhalve tijdig ingesteld.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:9671” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:8869

Tardief draagkrachtverweer. De gemachtigde heeft na het verstrijken van de zekerheidstermijn, aangevoerd dat de betrokkene de draagkracht mist om zekerheid te stellen. De gemachtigde heeft aangevoerd dat de betrokkene de betalingsonmacht niet eerder kon bewijzen omdat de betrokkene kort in het buitenland moest verblijven. Dit betreft een omstandigheid die voor rekening van de betrokkene moet blijven. Het had op de weg van de betrokkene gelegen om gedurende de periode dat hij in het buitenland verbleef een gemachtigde aan te wijzen die voor hem bestemde post kon openen en daarop kon reageren. Voorts had ook kunnen worden volstaan met een met redenen omkleed draagkrachtverweer, zonder de bewijstukken bij te voegen. Gelet hierop heeft de kantonrechter met het eerst gevoerde draagkrachtverweer geen rekening behoeven te houden.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:8869” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:7306

Betrokkene heeft in zijn brief van 14 november de rechtbank verzocht in de beslissing van de kantonrechter onjuiste vermelde bedragen te corrigeren. Deze brief kan daarmee op zichzelf wel als een hoger beroepschrift worden aangemerkt. Uit de brief van de betrokkene van 21 december blijkt dat hij het ingestelde hoger beroep niet wenst te handhaven. Voor zover bij de betrokkene door de brief van de griffier van de rechtbank het vertrouwen is gewekt dat hij door voor 17 januari te laten weten dat hij zijn hoger beroep wenste te handhaven, een situatie zou kunnen bewerkstelligen waarin tijdig hoger beroep was ingesteld, deze omstandigheid niet van dien aard is dat op grond daarvan niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep achterwege dient te blijven. Het hoger beroep van 9 januari is dus niet tijdig door de betrokkene ingesteld. In dit verband overweegt het hof dat bij een herstelbeslissing niet mee brengt dat daarmee een nieuwe beroepstermijn is gaan lopen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:7306” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:5210

De officier van justitie heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet tijdig is ingesteld. Uit het beroepschrift blijkt niet wat de reden van de termijnoverschrijding is. De gemachtigde had verzocht om te worden gehoord. Het hof is van oordeel dat de betrokkene in dit geval had moeten worden gehoord door de officier van justitie, aangezien het beroep niet kennelijk niet-ontvankelijk is. Uit het beroepschrift blijkt niet wat de reden van de termijnoverschrijding is zodat de betrokkene tijdens het horen in de gelegenheid had moeten worden gesteld om de oorzaken van de termijnoverschrijding toe te lichten, teneinde na te gaan of toepassing dient te worden gegeven aan artikel 6:11 van de Awb (ECLI:NL:CRVB:2004:AP0537).

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:5210” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:4607

De beslissing van de officier van justitie is op 4 februari aan de gemachtigde verzonden. De afzonderlijk verzonden motivering van die beslissing van 25 januari, is bij brief van 12 maart nogmaals aan de gemachtigde toegezonden. De gemachtigde heeft bij brief van 20 februari verzocht alsnog de door de officier van justitie afzonderlijk verzonden motivering, die hij niet heeft ontvangen, te mogen ontvangen. Zoals het hof in ECLI:NL:GHARL:2015:4145 heeft geoordeeld, geldt ten aanzien van de door de officier van justitie afzonderlijk verzonden motivering van de beslissing niet dat op voorhand aannemelijk is dat zij zijn verzonden. Het hof is van oordeel dat nu de door het CJIB verzonden beslissing d.d. 4 februari 2013 geen beslissing van de officier van justitie inhoudt, de beslissing van de officier van justitie d.d. 25 januari eerst bij brief van 12 maart is bekendgemaakt.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:4607” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:4324

Het beroepschrift is niet naar het postadres van de CVOM, maar naar een antwoordnummer gezonden. Dit heeft tot gevolg gehad dat op de envelop waarin het beroepschrift is verstuurd geen poststempel is aangebracht, waardoor niet valt na te gaan wanneer het beroepschrift ter post is bezorgd. Hoewel het beroepschrift binnen één week na afloop van de beroepstermijn door de CVOM ontvangen is, kan, doordat het beroepschrift niet is gestempeld met een datumstempel, niet worden vastgesteld of de brief binnen de beroepstermijn ter post is bezorgd. Nu het ontbreken van dit bewijs in beginsel voor risico van de betrokkene komt en de gemachtigde niet op andere wijze aannemelijk heeft gemaakt dat het beroepschrift tijdig ter post is bezorgd, is het hof van oordeel dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet tijdig is ingesteld.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:4324” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:4406

Naar aanleiding van de door het CJIB verzonden sommatie in het kader van inneming van het rijbewijs, had de betrokkene weliswaar op de hoogte kunnen zijn van het feit dat de kantonrechter reeds op het beroep heeft beslist, maar deze sommatie kan niet worden aangemerkt als toezending van een afschrift van de aantekening van de beslissing van de kantonrechter, aangezien deze niet de gronden bevat waarop die beslissing berust. Slechts ingeval – anders dan hier – kan worden vastgesteld dat de beslissing van de kantonrechter (rechtsgeldig) is verzonden, maar de ontvangst van die beslissing op niet ongeloofwaardige wijze wordt betwist, kan aan de toezending van een sommatie de betekenis toekomen dat – teneinde de termijnoverschrijding verschoonbaar te doen zijn – vanaf dat moment zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs kan worden verlangd beroep moet worden ingesteld.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:4406” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:1129

Aan de betrokkene zijn twee sancties opgelegd. De kantonrechter behandelt de zaken separaat, maanden na elkaar. Na de uitspraak in de eerste zaak stelt de betrokkene bij één brief in beide zaken hoger beroep in. In de tweede zaak was geen beslissing door de kantonrechter gegeven. Er is derhalve prematuur hoger beroep ingesteld. Gelet op artikel 6:10 Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien de betrokkene redelijkerwijs kon menen dat de kantonrechter bij de hem toegezonden uitspraak ook in de onderhavige zaak uitspraak had gedaan. Dat is echter niet het geval. In die uitspraak is niet het CJIB-nummer van de onderhavige zaak vermeld. Er wordt slechts één sanctie genoemd. In de onderhavige zaak is de betrokkene, na de uitspraak in de andere zaak, een oproep, toegezonden voor de zitting waar onderhavige zaak is behandeld. Gelet hierop had de betrokkene, naar aanleiding van de hem toegezonden uitspraak, hoger beroep moeten instellen. Dat heeft hij niet gedaan. Prematuur ingesteld hoger beroep is niet-ontvankelijk.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:1129” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:825

De omstandigheid dat de afdoening van verkeersrechtelijke overtredingen in een administratiefrechtelijke procedure geschiedt, neemt niet weg dat er sprake is van een ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het EVRM (vgl. EHRM 21 februari 1984, Serie A Vol.73, NJ 1988/937, “Özturk”). Dit brengt mee dat aan de betrokkene in deze procedure een beroep toekomt op de in het EVRM vervatte beginselen met betrekking tot de rechtspleging. Het recht op toegang tot de rechter is in de woorden van het Europese Hof niet onbegrensd (vgl. EHRM 8 juli 1986, nr. 9006/80, Lithgow tegen het Verenigd Koninkrijk, Series A no. 102, punt 194). Naar het oordeel van het hof wordt door het stellen van een beroepstermijn geen ongerechtvaardigde beperking gesteld aan het recht op toegang tot de rechter en wordt de toegang tot de rechter niet zozeer beperkt dat het betrokken recht in de kern wordt aangetast. Gelet hierop bestaat geen aanleiding om voorbij te gaan aan de termijnoverschrijding en het beroep ten gronde te behandelen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:825” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:781

Indien een gemachtigde namens de betrokkene in een procedure als de onderhavige optreedt, dienen de stukken op grond van het bepaalde in artikel 6:17 Awb in ieder geval naar de gemachtigde van de betrokkene te worden gezonden. Uit het dossier blijkt dat de beslissing van de kantonrechter is toegezonden aan het juiste adres van de GGZ-instelling. Het betreft een instelling met verschillende afdelingen en daarin werkzame personen. De brief is evenwel niet gericht aan de afdeling waarbinnen de gemachtigde werkzaam is. Evenmin is in de brief de naam van de gemachtigde opgenomen. De naam van de gemachtigde is in de beslissing van de kantonrechter ook niet opgenomen. Onder deze omstandigheden is de beslissing van de kantonrechter naar het oordeel van het hof niet op de juiste wijze bekend gemaakt en kan niet worden vastgesteld dat de beroepstermijn is aangevangen. Hetzelfde gebrek kleeft aan de verzonden zekerheidsbrieven. Gelet hierop is het hof van oordeel dat niet op de juiste wijze mededeling is gedaan van de verplichting tot zekerheidstelling als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de WAHV. Om die reden kan de bestreden beslissing niet in stand blijven en zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en de zaak terugwijzen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:781” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:42

Uit het dossier blijkt dat de kantonrechter op 8 februari heeft beslist en dat de beslissing op diezelfde dag zou zijn verzonden. Verder volgt op geen enkele wijze uit het dossier dat de beslissing daadwerkelijk aan de betrokkene is toegezonden. Het hof acht dit onvoldoende om aannemelijk te achten dat verzending heeft plaatsgevonden. Uit de stukken kan derhalve niet worden afgeleid dat (en zo ja wanneer) de beroepstermijn is aangevangen. Gelet daarop kan een termijnoverschrijding niet worden vastgesteld. Dat wordt niet anders doordat de betrokkene nadien nog stukken van het CJIB heeft ontvangen, zoals een betalingsoverzicht na beroep bij de kantonrechter van het CJIB en aanmaningen. Aan die omstandigheid komt niet hetzelfde rechtsgevolg toe als aan een (rechtsgeldige) verzending van de beslissing van de kantonrechter. Door toezending van het betalingsoverzicht na beroep bij de kantonrechter vangt niet een beroepstermijn aan.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:42” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:9490

De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de officier van justitie de gemachtigde niet in de gelegenheid hoefde te stellen om de gronden van het beroep in te dienen. De gemachtigde heeft tegen de inleidende beschikking een pro forma beroepschrift ingediend waarbij nadrukkelijk is verzocht om een termijn te stellen om de gronden van het beroep in te dienen. Het hof heeft bij arrest van 12 januari 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:195) beslist, dat indien een betrokkene of diens gemachtigde aangeeft dat het gaat om een pro forma ingesteld beroep en dat het beroep nader zal worden gemotiveerd, de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid dient te worden gesteld de gronden van het beroep op te geven binnen een daartoe gestelde termijn. Het hof stelt vast dat de officier van justitie de gemachtigde niet behoorlijk in de gelegenheid heeft gesteld zijn beroep van argumenten te voorzien, nu de gemachtigde ondanks zijn verzoek hiertoe niet een nadere termijn is gegeven om zijn beroep aan te vullen. Het Hof overweegt in dit verband, dat de officier van justitie bij het stellen van die termijn niet had hoeven te wachten totdat alle in het kader van het Wob-verzoek gevraagde stukken zouden zijn verstrekt.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:9490” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:7011

De termijn voor het indienen van een verzetschrift eindigde met toepassing van de Algemene Termijnenwet op maandag 2 juni. Het verzetschrift is gedateerd 29 mei en is blijkens een daarop gesteld stempel op dinsdag 10 juni ter griffie van de rechtbank ingekomen. De enveloppe waarin het verzetschrift is verzonden, ontbreekt, zodat niet kan worden vastgesteld dat de betrokkene het verzetschrift niet uiterlijk op 2 juni ter post heeft bezorgd. In aanmerking genomen dat maandag 9 juni een algemeen erkende feestdag was als bedoeld in de Algemene Termijnenwet, eindigde de termijn van een week, genoemd in artikel 6:9, tweede lid, Awb, gelet op de Algemene Termijnenwet, op 10 juni 2014. Gelet hierop is het verzet bij de kantonrechter tijdig ingesteld. Ter zitting van het hof heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de betrokkene op geloofwaardige wijze de ontvangst van de aanmaningen heeft betwist. Het hof sluit zich daarbij aan.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:7011” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:3669

De bestreden beslissing is verzonden naar het oude adres, terwijl de betrokkene in zijn beroepschrift aan de kantonrechter een ander adres had opgegeven. Aldus is de beslissing van de kantonrechter niet op voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Dat brengt mee – gelet op het bepaalde in artikel 6:8, eerste lid, van de Awb – dat voornoemde beroepstermijn niet is aangevangen. Gelet daarop kan een termijnoverschrijding niet worden vastgesteld. Dat wordt niet anders doordat de betrokkene nadien nog een betalingsoverzicht na beroep bij de kantonrechter van het CJIB heeft ontvangen op zijn oude adres, zoals de advocaat-generaal heeft aangevoerd. Aan die omstandigheid komt niet hetzelfde rechtsgevolg toe als aan een (rechtsgeldige) verzending van de beslissing van de kantonrechter. Door toezending van het betalingsoverzicht na beroep bij de kantonrechter vangt niet een beroepstermijn aan.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:3669” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:1132

De gemachtigde is niet behoorlijk in de gelegenheid heeft gesteld zijn beroep van argumenten te voorzien, nu de gemachtigde ondanks zijn verzoek hiertoe niet een nadere termijn is gegeven om zijn beroep aan te vullen en de officier van justitie reeds voor het toezenden van het zaakoverzicht een beslissing op het beroep van de gemachtigde heeft genomen. De officier van justitie heeft het beroep kennelijk ongegrond verklaard. Het beroep had niet kennelijk ongegrond verklaard kunnen worden, nu de gronden van het administratief beroep nog niet (volledig) bekend waren.
Er is verzocht de beschikking te vernietigen wegens termijnoverschrijding en om een dwangsom vast te stellen. Het beroepschrift en de overige zaakstukken zijn niet binnen de daarvoor gestelde termijn toegezonden aan de rechtbank. Genoemde termijn betreft echter een termijn van orde, waaraan de wet niet het gevolg verbindt dat de sanctie dient te worden vernietigd. De op de officier van justitie rustende verplichting om een dossier door te sturen naar de rechtbank, is niet als een beschikking op aanvraag aan te merken en hierdoor kan er geen dwangsom worden opgelegd.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:1132” verder

ECLI:NL:GHARL:2014:8530

De kantonrechter heeft het draagkrachtverweer schriftelijk behandeld en op basis van door de betrokkene overgelegde stukken het als zekerheid te stellen bedrag verlaagd tot € 75,-. De betrokkene betaalde ook dat bedrag niet. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet stellen van zekerheid. Ten onrechte: de betrokkene had moeten worden uitgenodigd op een zitting te worden gehoord over zijn financiële draagkracht. Het hof herhaalt de relevante overwegingen uit zijn arrest van 17 februari 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:1139). Om proceseconomische redenen volgt geen terugwijzing naar de kantonrechter.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2014:8530” verder

ECLI:NL:GHARL:2014:7747

De betrokkene heeft het beroepschrift tegen de inleidende beschikking ingediend bij de RDW in plaats van bij de CVOM. Ook op de RDW rust de doorzendplicht.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2014:7747” verder

ECLI:NL:RVS:2014:967

Als uitgangspunt geldt dat, in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. De Belastingdienst/Toeslagen heeft in dit geval in beroep weliswaar een uitdraai uit het Eldoc-systeem overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat op 9 januari 2012 een brief aan de gemachtigde met het besluit op bezwaar is aangemaakt maar, anders dan in de door hem in het verweerschrift aangehaalde zaak (ECLI:NL:RVS:2012:BV2442), geen printafdrukken overgelegd uit een postregistratiesysteem of een verzendadministratie, noch enig ander stuk waarmee hij de verzending van de brief van 9 januari 2012 aannemelijk heeft gemaakt.

Lees “ECLI:NL:RVS:2014:967” verder