ECLI:NL:GHARL:2017:2799

De officier van justitie geeft aan dat er drie pogingen zijn gedaan de betrokkene te horen, maar dat deze pogingen geen resultaat hebben gehad. Het hof is van oordeel dat de officier van justitie de betrokkene onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord in de onderhavige zaak. Dat er meerdere pogingen zijn gedaan om hem telefonisch te horen, is daartoe onvoldoende.
Artikel 3, eerste lid van de RVV 1990 betrekking heeft op het normale gebruik van de weg, en is dus niet van toepassing is op bijzondere manoeuvres. Het hof is dan ook van oordeel dat de verkeerssituatie niet noodzaakten tot het niet zoveel mogelijk rechts houden.
De proceskosten ten aanzien van de ter zitting verschenen doorgemachtigde worden vergoed en niet die van de eveneens verschenen als eerste gemachtigde. Daarom worden de kosten vergoedt, die de doorgemachtigde heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting in hoger beroep.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:2799” verder

ECLI:NL:GHARL:2017:2793

Voor zover de betrokkene wel gehoord wilde worden, maar hiertoe geen verzoek heeft gedaan, omdat in de inleidende beschikking onvoldoende helder is dat de indiener hiertoe moet verzoeken, acht het hof het volgende. In het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie is niet hierover geklaagd. Op geen van de zittingen is de betrokkene of gemachtigde verschenen. Eerst ter zitting van het hof is een beroep gedaan op schending van de hoorplicht. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat om deze reden geen verzoek tot horen is gedaan.
Indien een bestuurder een geslotenverklaring inrijdt, mag van hem worden verlangd dat zijn reisdoel een concreet perceel betreft. Het uitlaten van honden is daartoe onvoldoende, omdat de wens tot het uitlaten van honden niet behelst dat de bestuurder gebonden is aan een concreet perceel.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:2793” verder

ECLI:NL:GHARL:2017:2198

In administratief beroep heeft de gemachtigde de gedraging ontkend en aangevoerd dat sprake is van een foutieve waarneming van het gebeurde. Dit betreft een bezwaar waarvan niet reeds aanstonds, zonder onderzoek, duidelijk is dat deze geen doel kan treffen. Het beroep van de betrokkene was niet kennelijk ongegrond, zodat de officier van justitie niet kon afzien van het horen. Het hof is van oordeel dat de uitzondering van artikel 6:22 Awb – te weten dat een besluit, ondanks schending van een vormvoorschrift, in stand kan blijven als een betrokkene daardoor niet is benadeeld – zich hier niet voordoet. In onderhavige zaak kan niet worden geoordeeld dat voornoemde met het horen gediende belangen niet zijn geschaad en evenmin dat de gemachtigde door het niet horen niet is benadeeld. Anders dan de advocaat-generaal heeft opgemerkt ligt het, gezien de redactie van deze bepaling, niet op de weg van de gemachtigde om aannemelijk te maken dat hij is benadeeld.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:2198” verder

ECLI:NL:GHARL:2017:1777

Het hof past voortaan bij een beroep op schending van de redelijke termijn van berechting het beoordelingskader toe dat wordt toegepast in de bestuursrechtelijke rechtspraak waaraan een bestraffende sanctie ten grondslag ligt: er is sprake van schending van de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van het EVRM wanneer de procedure in eerste aanleg – inclusief administratief beroep – langer dan twee jaar heeft geduurd. Voor het hoger beroep bedraagt de redelijke termijn van berechting eveneens ten hoogste twee jaar. Bij sancties onder de € 1000,-, wordt de sanctie niet gematigd, maar volstaan met de vaststelling dat artikel 6 van het EVRM is geschonden.
De betrokkene wilde in persoon worden gehoord door de officier van justitie. Gelet op de wetsgeschiedenis is telefonisch horen in beginsel geen volwaardig alternatief voor een hoorzitting. Aan de omstandigheid dat de betrokkene niet heeft verzocht om te worden gehoord, kan in dit geval niet de betekenis toekomen dat de officier van justitie op de voet van 7:17, aanhef en onder d, AWB ervan heeft kunnen afzien de betrokkene (in persoon) te horen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:1777” verder

ECLI:NL:GHARL:2017:1422

De officier van justitie geeft in zijn beslissing aan dat er drie pogingen zijn gedaan om de betrokkene (of de gemachtigde) telefonisch te horen, maar dat deze pogingen geen resultaat hebben gehad. Het beroep is vervolgens ongegrond verklaard. De gemachtigde stelt in zijn beroepschrift bij de kantonrechter dat hij niet bekend is met voornoemde pogingen en is van mening dat het op de weg van de officier van justitie had gelegen om tot een schriftelijk afspraak te komen om het horen mogelijk te maken. Het hof is van oordeel dat de officier van justitie de betrokkene dan wel de gemachtigde onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord in de onderhavige zaak. Dat er meerdere pogingen zouden zijn gedaan om de betrokkene of de gemachtigde te horen, is daartoe onvoldoende. Gelet hierop kan de beslissing van de officier van justitie niet in stand blijven.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:1422” verder

ECLI:NL:GHARL:2017:1044

De officier van justitie heeft in zijn beslissing overwogen dat wordt voorbij gegaan aan een eventueel verzoek te worden gehoord, omdat hij het beroep kennelijk ongegrond acht. Met de gemachtigde kan worden vastgesteld dat de kantonrechter in zijn motivering niet heeft getoetst of de officier van justitie het beroep terecht als kennelijk ongegrond heeft aangemerkt. Aldus berust de beslissing van de kantonrechter, dat de officier van justitie het horen achterwege mocht laten, op een ondeugdelijke motivering. De officier van justitie mocht evenwel, afzien van horen omdat daarom niet is verzocht. Het hof zal in zoverre dan ook de gronden van de beslissing van de kantonrechter verbeteren. Het hof acht aannemelijk geworden dat de betrokkene, doordat de officier van justitie in zijn beslissing niet de juiste grond heeft genoemd waarom van het horen is afgezien, niet is benadeeld.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:1044” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:6694

De stelling dat de kantonrechter de gemachtigde een termijn had moeten geven om de gronden aan te vullen, is niet juist. Gemachtigde heeft in zijn pro forma beroepschrift niet om een termijn voor het indienen van gronden verzocht. Geen rechtsregel schrijft voor dat in dat geval een termijn moet worden gegeven voor het indienen van gronden. De gemachtigde heeft ruim de tijd gehad om voorafgaand aan de behandeling van het beroep door de kantonrechter nadere gronden in te zenden, maar heeft dit nagelaten. Evenmin is de gemachtigde ter openbare zitting van de kantonrechter verschenen om zijn bezwaren mondeling naar voren te brengen. Het hof concludeert dat de gemachtigde voldoende gelegenheid had tot aanvulling van zijn beroepschrift, maar er zelf voor heeft gekozen om daarvan geen gebruik te maken.
Motivering afzien hoorplicht is geen voorschrift van openbare orde.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:6694” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:5260

De passage in de inleidende beschikking, die de betrokkene erop te wijzen dat hij moet verzoeken om te worden gehoord, bevat geen termijn als bedoeld in artikel 7:17, aanhef en onder d, Awb. Dat het verzoek in de brief moet worden gedaan, brengt niet mee dat dit in het (pro forma) beroepschrift moet worden gedaan en niet in een (latere of andere) brief kan worden gedaan. Het verzoek te worden gehoord is gedaan in een brief waarbij de gronden zijn aangevuld. In dit geval doen zich de uitzonderingen als bedoeld in artikel 7:17 aanhef en onder d en b van de Awb niet voor. De officier van justitie heeft de hoorplicht geschonden.
Dat een snelheidsoverschrijding is begaan op weg naar het adres van een net overleden familielid, kan niet leiden tot een geslaagd beroep op overmacht of noodtoestand.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:5260” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:5210

De officier van justitie heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet tijdig is ingesteld. Uit het beroepschrift blijkt niet wat de reden van de termijnoverschrijding is. De gemachtigde had verzocht om te worden gehoord. Het hof is van oordeel dat de betrokkene in dit geval had moeten worden gehoord door de officier van justitie, aangezien het beroep niet kennelijk niet-ontvankelijk is. Uit het beroepschrift blijkt niet wat de reden van de termijnoverschrijding is zodat de betrokkene tijdens het horen in de gelegenheid had moeten worden gesteld om de oorzaken van de termijnoverschrijding toe te lichten, teneinde na te gaan of toepassing dient te worden gegeven aan artikel 6:11 van de Awb (ECLI:NL:CRVB:2004:AP0537).

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:5210” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:3973

De opvatting dat een vormverzuim van de officier van justitie ook dient te leiden tot vernietiging van de inleidende beschikking, een reden is om de sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen, vindt geen steun in het recht. Schending van de hoorplicht betreft een gebrekkige totstandkoming van de beslissing van de officier van justitie en niet van de inleidende beschikking.
Met betrekking tot de proceskostenvergoeding heeft de kantonrechter overwogen dat daartoe geen grond bestaat, nu de beslissing van de officier van justitie op grond van een formeel gebrek wordt vernietigd en de betrokkene voor het overige in het ongelijk wordt gesteld. Het hof overweegt dat in het geval de kantonrechter, met de vernietiging van de beslissing van de officier van justitie, de gemachtigde (gedeeltelijk) in het gelijk heeft gesteld, als uitgangspunt heeft te gelden dat aanleiding bestaat voor inwilliging van het verzoek om een vergoeding van de proceskosten.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:3973” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:3978

In het administratief beroepschrift is niet aangegeven dat de betrokkene wenste te worden gehoord. Het hof is van oordeel dat de mededeling over het horen aan de officier van justitie kan worden toegerekend. Naar het oordeel van het hof brengt de omstandigheid dat reeds bij de toezending van de sanctiebeschikking en niet eerst na ontvangst van het beroepschrift door de officier van justitie wordt geïnformeerd, niet mee dat niet is voldaan aan hetgeen artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Awb voorschrijft. Weliswaar moet worden vastgesteld dat met deze mededeling op inadequate wijze tot uitdrukking wordt gebracht wat het recht om te worden gehoord inhoudt, maar gesteld noch gebleken is dat de betrokkene er om die reden van heeft af gezien de officier van justitie te verzoeken te worden gehoord. Gelet daarop heeft de officier van justitie van het horen kunnen afzien.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:3978” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:3027

Gelet op hetgeen de advocaat-generaal ter zitting naar voren heeft gebracht, kan de in de rechtsmiddelenverwijzing opgenomen mededeling aan de officier van justitie worden toegerekend. Naar het oordeel van het hof brengt de omstandigheid dat de betrokkene reeds bij de toezending van de sanctiebeschikking en niet eerst na ontvangst van het beroepschrift door de officier van justitie wordt geïnformeerd, niet mee dat niet is voldaan aan hetgeen artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Awb voorschrijft. Weliswaar moet worden vastgesteld dat met de door de advocaat-generaal bedoelde mededeling op inadequate wijze tot uitdrukking wordt gebracht wat het recht om te worden gehoord inhoudt, maar gesteld noch gebleken is dat de betrokkene er om die reden van heeft af gezien de officier van justitie te verzoeken te worden gehoord. Gelet daarop heeft de officier van justitie er van kunnen afzien de betrokkene naar aanleiding van het ingestelde beroep te horen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:3027” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:2142

De gemachtigde voert aan dat geen sprake is geweest van parkeren maar van laden en lossen. Voor het hof is van belang dat de gemachtigde heeft verklaard dat de betrokkene de auto heeft laten stilstaan en de auto heeft verlaten om zich bij een winkelbedrijf te oriënteren op de aankoop van een stofzuiger, niet om een reeds gekochte stofzuiger op te halen, waarbij het hof nog in het midden laat of een stofzuiger een goed is van enig gewicht of omvang. Gelet op de verklaring van de verbalisant en hetgeen door de betrokkene is aangevoerd, stelt het hof vast dat het voertuig van de betrokkene gedurende enige tijd op de betreffende plaats heeft gestaan. Naar het oordeel van het hof is er sprake van parkeren in de zin van artikel 1, aanhef en onder ac, van het RVV 1990.
Naar het oordeel van het hof is genoegzaam aannemelijk geworden dat de gemachtigde beroepsmatig rechtsbijstand verleent. De omstandigheid dat hij dat in dit geval aan zijn meerderjarige, niet bij hem inwonende, dochter verleent, doet hieraan niet af. Naar het oordeel van het hof komen de gevraagde kosten voor zover gemaakt voor vergoeding in aanmerking.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:2142” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:9150

De gemachtigde voert aan dat ten onrechte geen gevolg is gegeven aan zijn verzoek om te worden gehoord. De kantonrechter heeft overwogen dat de betrokkene niet in haar verdediging is geschaad, nu de gemachtigde bij de kantonrechter alsnog de gelegenheid heeft gehad haar zienswijze ter zitting nader mondeling toe te lichten, van welke gelegenheid ook gebruik is gemaakt. Niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene met het niet-horen gediende belangen is geschaad. Een uitzondering van artikel 6:22 van de Awb doet zich niet voor.
Het hof is van oordeel dat in deze zaak sprake is van parkeren en niet van laden en lossen. De verbalisant heeft verklaard dat hij ruim tien minuten geen laad-/losactiviteiten heeft waargenomen. De tijd die aldus verstreken is, is langer dan de tijd die nodig is voor het onmiddellijk laden en/of lossen van goederen. Een laptop kan ook niet worden aangemerkt als een goed van enige omvang of gewicht die niet of bezwaarlijk anders dan per voertuig ter plaatse kan worden gebracht.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:9150” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:9148

In het beroepschrift wordt niet verzocht om te worden gehoord. Bij een nader faxbericht, na het beroepstermijn, wordt dat verzoek wel gedaan. Vervolgens heeft de officier van justitie op het beroep beslist. De officier van justitie heeft – zonder enige motivering – van het horen afgezien en het beroep ongegrond verklaard. Het hof is van oordeel dat de officier van justitie in deze zaak niet van het horen mocht afzien. Daartoe overweegt het hof dat de enkele omstandigheid dat niet binnen de beroepstermijn verzocht wordt om te worden gehoord, niet meebrengt dat de betrokkene geacht wordt geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord en daarop niet meer kan terugkomen door, voordat de officier van justitie op het beroep beslist, alsnog te verzoeken om te worden gehoord.
Aan de betrokkene is een sanctie opgelegd ter zake van “als bestuurder van een motorvoertuig niet de rijbaan gebruiken (bijv. laten stilstaan op een trottoir/voetpad etc.)”. Namens de betrokkene wordt aangevoerd dat het voertuig defect was en om die reden op het trottoir was geplaatst. De betrokkene heeft er destijds bewust voor gekozen het voertuig niet op de rijbaan te laten staan, omdat de desbetreffende straat dermate smal is dat dit tot een algehele blokkade zou leiden. Het hof begrijpt het standpunt van de betrokkene als een beroep op overmacht. Nu het gestelde defect aan het voertuig op geen enkele wijze is toegelicht en onderbouwd, heeft de gemachtigde niet aannemelijk gemaakt dat er sprake was van een overmachtsituatie.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:9148” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:8931

Er is aangevoerd dat de betrokkene door de weersomstandigheden niet bij oranje kon stoppen, maar dat het licht niet op rood stond. Het gaat hier niet om bezwaren waarvan reeds aanstonds, zonder onderzoek, duidelijk is dat deze geen doel kunnen treffen. Het beroep van de betrokkene was gelet op het voorgaande niet kennelijk ongegrond, zodat de officier van justitie niet kon afzien van het horen van de gemachtigde.
Het mag in het algemeen worden verwacht dat een bestuurder te allen tijde in staat is het voertuig tijdig en op verantwoorde wijze voor een verkeerslicht tot stilstand te brengen. Van een bestuurder mag men immers verwachten dat hij anticipeert op een verkeerslicht dat hij nadert en zijn snelheid zodanig aanpast dat tijdig kan worden gestopt. Slechts indien men op dat moment het verkeerslicht zo dicht genaderd is dat stoppen niet meer mogelijk is, mag men doorrijden. De betrokkene was op het moment dat het verkeerslicht geel licht begon uit te stralen, ongeveer 54,17 meter van de stopstreep verwijderd. Een stopafstand van 35,33 meter was ruim voldoende geweest om tijdig voor de stopstreep te kunnen stoppen.
Dat ter plaatse een geeltijd gold van 2,9 seconde, terwijl de Regeling Verkeerslichten verwijst naar de NEN-normen, waarin een minimale geeltijd van 3 seconden wordt genoemd, doet hieraan niet af. Een individuele weggebruiker kan hieraan op zichzelf geen rechten ontlenen, dergelijke nomen richten zich slechts tot de wegbeheerder.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:8931” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:8774

Indien een ander dan de betrokkene beroep instelt, kan de kantonrechter van degene die het beroep heeft ingesteld een schriftelijke machtiging verlangen. Wordt de gevraagde machtiging niet verstrekt of voldoet het niet aan de eisen, dan kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener van het beroep de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen. Uit de stukken blijkt niet dat de gelegenheid is geboden het verzuim te herstellen.
Niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten. In dit verband overweegt het hof dat gemachtigde in de procedure, voor zover deze is gericht tegen de beslissing van de kantonrechter, op eigen titel procedeert zodat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor zover in deze zaak wel namens de betrokkene procedeert, wordt de betrokkene niet in het gelijk gesteld.
De officier van justitie kon in dit geval van het horen afzien omdat het beroep kennelijk ongegrond is. Het beroepschrift gaat over snelheid maar de sanctie betreft een roodlichtgedraging. Uit het beroepschrift zelf blijkt reeds aanstonds dat de bezwaren ongegrond zijn en over die conclusie is redelijkerwijs geen twijfel mogelijk. Daaraan doet niet af dat de officier van justitie ambtshalve onderzoek heeft gedaan.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:8774” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:8520

Aan de hand van de stukken in het dossier, in het bijzonder de door CVOM verzonden brieven, stelt het hof vast dat door de CVOM in hun correspondentie twee faxnummers aan de betrokkene werden vermeld. Dat het faxnummer waarnaar de betrokkene zijn beroepschrift heeft verzonden mogelijk in gebruik was bij een andere afdeling dan de afdeling van de CVOM die verantwoordelijk is voor de afhandeling van beroepschriften, doet hier niet aan af. Zonodig had het beroepschrift (intern) naar de juiste afdeling moeten worden doorgezonden.
Een besluit waartegen beroep is ingesteld, kan ondanks schending van een rechtsregel of rechtsbeginsel, in stand worden gelaten indien blijkt dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Het horen in administratief beroep dient een aantal belangen. Niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene in deze zaak niet in deze met het horen gediende belangen is geschaad. De officier van justitie heeft in de fase van het administratief beroep ook niet een zodanige compensatie geboden dat geoordeeld zou kunnen worden dat van benadeling geen sprake is.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:8520” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:8518

De officier van justitie heeft het verzoek om te worden gehoord afgewezen. Daartoe is door de officier van justitie overwogen dat – op grond van artikel 7, tweede lid, van de WAHV – alleen de indiener van een beroep wordt gehoord. Voor zover de officier van justitie heeft bedoeld te stellen dat de gemachtigde niet kan verzoeken om (als gemachtigde) zelf te worden gehoord, is deze opvatting onjuist. De gemachtigde treedt in zoverre in de plaats van de betrokkene, dat de gemachtigde ook kan verzoeken namens de betrokkene te worden gehoord. Nu de gemachtigde heeft aangegeven dat de betrokkene wenste te worden gehoord, eventueel bij monde van zijn gemachtigde, had de officier van justitie de (gemachtigde van de) betrokkene moeten horen.
Voor zover is bestreden dat tijdens het rijden een mobiele telefoon is vastgehouden ziet het hof in het daaromtrent aangevoerde geen aanleiding te twijfelen aan de ambtsedige verklaringen. Weliswaar is in de opgemaakte verklaring aangegeven dat hij een op een telefoon gelijkend voorwerp heeft waargenomen, maar dat doet niet af aan de verklaring zoals weergegeven in de bij de aankondiging van beschikking gevoegde bijlage. Hierbij heeft het hof in aanmerking genomen dat er sprake was van een gerichte verkeerscontrole en dat de verbalisant derhalve een positie had ingenomen waarbij hij goed zicht had op de bestuurders.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:8518” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:8150

De officier van justitie (OvJ) heeft, zonder dat de gemachtigde in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord, het administratieve beroep kennelijk ongegrond verklaard. Het hof is van oordeel dat de gemachtigde in dit geval had moeten worden gehoord door de OvJ, aangezien het beroep niet kennelijk – dat wil zeggen: aanstonds blijkend, zonder dat daarvoor nader onderzoek noodzakelijk is – ongegrond is. Het hof acht van belang dat de inhoud van het administratieve beroep de OvJ heeft genoopt de uit het dossier blijkende informatie betreffende de constatering van voormelde gedraging te raadplegen; uit de door de OvJ gebezigde motivering kan overigens ook worden afgeleid dat de OvJ dat onderzoek heeft gedaan. Nu het raadplegen van die gegevens noodzakelijk was voor de beoordeling van het administratieve beroep, kan niet worden gesproken van een kennelijk ongegrond beroep. Dat de OvJ ter beoordeling van het administratieve beroep geen aanvullende gegevens heeft hoeven opvragen, zoals de advocaat-generaal aanvoert, kan daar niet aan afdoen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:8150” verder