ECLI:NL:GHARL:2015:4148

Het hof heeft eerder in verband met betalingen aan het CJIB overwogen dat op het CJIB een onderzoeksplicht rust. Gelet op het rechtsgevolg van niet tijdige betaling van het griffierecht rust naar het oordeel van het hof op de Afdeling Financiën en Inkoop van de Rechtspraak eenzelfde onderzoeksplicht. Verlangd wordt dat voorafgaand aan toerekening van een ontvangen bedrag aan een andere openstaande zaak of het terugstorten van het bedrag wordt nagegaan waarop de betreffende betaling betrekking heeft en waarom dit onderzoek – ook na contact met de betrokkene – niet tot resultaat heeft geleid. In het onderhavige geval is de Afdeling Financiën en Inkoop van de Rechtspraak is tekort geschoten in zijn onderzoeksplicht.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:4148” verder

ECLI:NL:GHARL:2014:5564

Het hof gaat om en beoordeelt een in hoger beroep gevoerd draagkrachtverweer met betrekking tot de verplichting griffierecht te betalen en zekerheid te stellen. In het arrest van 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:699 oordeelde de Hoge Raad dat de enkele omstandigheid dat artikel 6, eerste lid, van het EVRM niet van toepassing is in het aan de Hoge Raad voorgelegde geschil niet meebrengt dat het verschuldigde griffierecht in alle gevallen op straffe van niet-ontvankelijkheid dient te worden betaald. Indien een betrokkene in hoger beroep aannemelijk maakt dat hij niet (volledig) in staat is om het griffierecht te voldoen dan wel zekerheid te stellen, zal het hof oordelen dat in zoverre redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat een betrokkene in verzuim is. De gemachtigde heeft aannemelijk gemaakt dat de financiële draagkracht ontbreekt om zekerheid (van € 1143,73) te stellen. Gelet hierop kan in zoverre redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim is.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2014:5564” verder

ECLI:NL:HR:2014:699

In het algemeen kan worden aangenomen dat de regeling in het bestuursrecht over heffing van griffierecht, inclusief de thans daarbij behorende bedragen aan griffierecht, van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Dit laat onverlet dat zich gevallen kunnen voordoen waarin heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor de rechtzoekende onmogelijk, althans uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. In een dergelijk geval mag niet worden aanvaard dat een (hoger) beroep wegens het onbetaald blijven van griffierecht niet-ontvankelijk wordt verklaard. Dit kan worden voorkomen door aan te nemen dat de betrokkene met het achterwege laten van een betaling van griffierecht niet in verzuim is.

Lees “ECLI:NL:HR:2014:699” verder

ECLI:NL:RVS:2013:BZ4443

In het algemeen kan worden aangenomen dat de regeling in het bestuursrecht over heffing van griffierecht, inclusief de thans daarbij behorende bedragen aan griffierecht, van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Dit laat echter onverlet dat zich gevallen kunnen voordoen waarin heffing aan griffierecht het voor de rechtzoekende onmogelijk, althans uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde rechtsgang. Mede gelet op het belang dat in een rechtsstaat toekomt aan de toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie, kan daarom in een dergelijk geval ook buiten de werkingssfeer van de genoemde artikelen niet worden aanvaard dat een (hoger) beroep wegens het niet betalen van griffierecht niet-ontvankelijk wordt verklaard. Dit kan worden bereikt door aan te nemen dat de betrokkene met het achterwege laten van een betaling van griffierecht niet in verzuim is.

Lees “ECLI:NL:RVS:2013:BZ4443” verder

ECLI:NL:RVS:2011:BR1257

De vreemdeling verblijft in de extra beveiligde inrichting te Vught. Het procesdossier biedt geen aanknopingspunten aan te nemen dat de vreemdeling over eigen vermogen beschikt, dan wel over andere inkomsten dan die, die hij verwerft met het verrichten van arbeid in de EBI. Ingevolge de Regeling arbeidsloon gedetineerden, bedraagt het uurloon maximaal € 0,76. De vreemdeling heeft geen aanspraak op een vast aantal werkuren per week. Onder deze omstandigheden vormt de verplichting tot het betalen van € 227,00 aan griffierecht voor het in behandeling nemen van een hoger beroep een wezenlijke inbreuk op het onder andere door artikel 47 van Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde recht op toegang tot de rechter. Daarbij kan er niet aan worden voorbijgezien dat het bij het besluit op bezwaar gehandhaafde besluit een, voor de vreemdeling belastend, besluit is. Dat de vreemdeling het griffierecht niet heeft voldaan, staat dan ook niet aan een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep in de weg.

Lees “ECLI:NL:RVS:2011:BR1257” verder

ECLI:NL:RVS:2001:AD6618

Het stellen van een termijn voor het betalen van het griffierecht beperkt niet het recht op toegang tot de rechter in de zin van art. 6 EVRM. Ten aanzien van het gedane beroep van opposante op artikel 6 EVRM, overweegt de Afdeling dat dit beroep faalt. Immers, volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gaat het bij het uit deze verdragsbepaling voortvloeiende recht op toegang tot de rechter niet om een absoluut recht, doch komt aan de verdragsstaten een zekere beleidsruimte toe tot het stellen van regels die voor dit recht zekere beperkingen inhouden, mits daardoor het recht op toegang tot de rechter niet in zijn kern wordt getroffen, de gestelde beperkingen een rechtmatig doel dienen en aan de evenredigheidseis is voldaan. Opposante heeft met hetgeen zij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat het haar redelijkerwijs niet mogelijk is geweest tijdig aan haar betalingsverplichting te voldoen.

Lees “ECLI:NL:RVS:2001:AD6618” verder

ECLI:NL:HR:2001:AA9393

Nu het beroep mede een boete betreft, moet worden beoordeeld of de heffing van het griffierecht in strijd is met het in artikel 6, lid 1, EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter. Daarbij moet worden vooropgesteld dat niet iedere heffing van griffierecht in strijd is met het evenvermelde recht op toegang tot de rechter, aangezien bedoelde verdragsbepaling zich slechts verzet tegen heffing van een zodanig bedrag aan griffierecht, dat dit – mede gelet op de voor de belastingplichtige in het geding zijnde belangen – een wezenlijke belemmering van de toegang tot de rechter vormt (HR 17 juni 1992, nr. 27723, BNB 1992/277)

Lees “ECLI:NL:HR:2001:AA9393” verder