ECLI:NL:GHARL:2017:1494

Ingevolge artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de WAHV kan beroep worden ingesteld ter zake dat de officier van justitie had moeten beslissen dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden, het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken dan wel dat hij, gelet op de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert, een lager bedrag van de administratieve sanctie had moeten vaststellen. Hiermee heeft de wetgever in de WAHV een regeling opgenomen die een vergelijkbare werking heeft als het evenredigheidsbeginsel. In zoverre dient de rechter in WAHV-zaken te toetsen aan de bijzondere regeling die is neergelegd in de WAHV. Dit betekent dat de kantonrechter in voorkomende gevallen slechts tot vernietiging mag overgaan, indien de officier van justitie in verband met de omstandigheden van het geval, dan wel die waarin de betrokkene verkeert, niet heeft kunnen oordelen tot handhaving van de administratieve sanctie.

“ECLI:NL:GHARL:2017:1494” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2016:9816

De betrokkene verwijst naar het evenredigheidsbeginsel van de Awb. Het hof overweegt dat in de WAHV is opgenomen dat beroep kan worden ingesteld ter zake dat de officier van justitie had moeten beslissen dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden, het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken dan wel dat hij, gelet op de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert, een lager bedrag van de administratieve sanctie had moeten vaststellen.
De betrokkene heeft een beroep gedaan op analoge toepassing van het beginsel van ne bis in idem. Uit de stukken blijkt dat de beschikking is opgelegd voor een snelheidsoverschrijding op dezelfde plaats en locatie, maar dan meer dan 10 uur later. Reeds hierom kan niet worden gezegd dat sprake is van één en dezelfde gedraging. Dat aan de betrokkene op één dag twee sancties zijn opgelegd wegens twee snelheidsovertredingen op dezelfde locatie, is op zichzelf genomen geen aanleiding voor matiging. Voor analoge toepassing van het ne bis in idem beginsel bestaat dan ook geen aanleiding.

“ECLI:NL:GHARL:2016:9816” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2010:BM8823

Bij onderscheiden besluiten heeft de staatssecretaris boetes opgelegd van totaal € 312.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Appellant heeft betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. Het beroep is gegrond. De boetekennisgevingen dateren van 7 augustus 2006. De rechtbank heeft op 30 september 2009 uitspraak gedaan. Op dat moment was de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 van het EVRM met meer dan zes maanden overschreden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, ligt bij een zodanige overschrijding een vermindering van de boete met 10%, met een maximum van € 2.500,00, in de rede. Naast deze vermindering is voor schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 van de Awb wegens overschrijding van de redelijke termijn geen plaats.

“ECLI:NL:RVS:2010:BM8823” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2010:BM3243

Bij besluit heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een boete opgelegd van € 8000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Dat appellante het transport en de distributie van de haar uitgegeven dagbladen heeft uitbesteed en feitelijk niet in staat is om te controleren of de Wav wordt nageleefd, laat onverlet dat het op haar weg ligt om de nodige maatregelen te treffen teneinde overtreding van de Wav te voorkomen. De redelijke termijn was op het moment van het doen van uitspraak overschreden. De rechtbank heeft op 14 juli 2009 uitspraak gedaan. Op dat moment was de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 van het EVRM met meer dan zes maanden overschreden. Bij een zodanige overschrijding ligt een vermindering van de boete met 10%, met een maximum van € 2.500,00, in de rede. Naast deze vermindering is voor schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 van de Awb wegens overschrijding van de redelijke termijn geen plaats.

“ECLI:NL:RVS:2010:BM3243” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2010:BL7835

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 1 en 2 van de Wav blijkt dat diegene die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten vergunningplichtig werkgever is en dat deze werkgever te allen tijde verantwoordelijk is voor en aanspreekbaar op het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde tewerkstellingsvergunning. Of sprake is van een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding is daarbij niet relevant. Het feit dat in opdracht of ten dienste van een werkgever arbeid wordt verricht is voor het feitelijk werkgeverschap reeds voldoende. Volgens de boeterapporten hebben de uitgevers het distributiebedrijf opdracht gegeven de door hen uitgegeven dagbladen te verspreiden. Uitgevers van dagbladen moeten worden aangemerkt als werkgever in de zin van de Wav ten aanzien van een bezorger van het door haar uitgegeven dagblad. De minister heeft in redelijkheid de in de beleidsregels opgenomen boetenormbedragen kunnen vaststellen, zodat hij deze bij de vaststelling van de hoogte van de boete als uitgangspunt dient te nemen.

“ECLI:NL:RVS:2010:BL7835” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2008:BG8313

Staatssecretaris heeft een boete opgelegd wegens overtreding van artikel 2 Wav. Bij een besluit tot boeteoplegging is het in artikel 3:4 Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter. In deze zaak bestaat geen grond voor het oordeel tot het volledig ontbreken of verminderde mate van verwijtbaarheid. De redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden, indien de duur van de totale procedure onredelijk lang is. Voorts heeft voor de beslechting van het geschil in eerste aanleg als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar uitspraak doet.

“ECLI:NL:RVS:2008:BG8313” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2005:AT5125

De vraag of een ander dan het openbaarheidsbelang zich voordoet, dient door de rechter integraal te worden beoordeeld. De rechterlijke toetsing van het bestuurlijk oordeel over de vraag of het openbaarheidsbelang meer of minder zwaar weegt dan de andere in de Wob genoemde belangen, wijkt niet af van de (redelijkheids)toetsing overeenkomstig artikel 3:4 lid 2 Awb. Bij die toetsing dient het uitgangspunt van de Wob – openbaarheid is de regel – zwaar te wegen. De minister kan zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat in dit geval, in het algemeen de belangen van bronbescherming, van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en van bescherming van de gehanteerde methoden en technieken van onderzoek, zwaarder wegen dan het openbaarheidsbelang, en dat in elk individueel geval dient te worden beoordeeld of de eerstgenoemde belangen zich inderdaad voordoen. Vervolgens dient deze belangenafweging door de minister te worden gemotiveerd. Nog daargelaten dat artikel 6 EVRM niet op de onderhavige procedure van toepassing is, aangezien hier het algemeen belang bij openbaarmaking aan de orde is en niet enig burgerrechtelijk recht of enige burgerrechtelijke verplichting van appellant, vindt binnen het kader van de in artikel 8:29 Awb vervatte procedure niet alleen een procedurele maar ook een inhoudelijke rechtmatigheidscontrole plaats op het handelen van de minister, zodat sprake is van een volledige rechterlijke toetsing van het bestreden besluit.

“ECLI:NL:RVS:2005:AT5125” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2005:AS6187

De Minister van Buitenlandse Zaken heeft het verzoek van appellant om overlegging van de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het in het kader van een asielprocedure opgemaakt ambtsbericht ingewilligd met uitzondering van enkele passages. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen heeft de Minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat bij openbaarmaking van de stukken die aan een ambtsbericht als hier aan de orde ten grondslag hebben gelegen, in het algemeen de belangen van bronbescherming, van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en van bescherming van de gehanteerde methoden en technieken van onderzoek, zwaarder wegen dan het openbaarheidsbelang, en dat in elk individueel geval dient te worden beoordeeld of de eerstgenoemde belangen zich inderdaad voordoen. Vervolgens dient, indien de Minister van oordeel is dat deze belangen zich voordoen, de (uit de wet voortvloeiende) belangenafweging door de Minister te worden gemotiveerd.

“ECLI:NL:RVS:2005:AS6187” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2005:AS6183

De Minister van Buitenlandse Zaken heeft het verzoek om overlegging van de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het in het kader van een asielprocedure opgemaakt individueel ambtsbericht ingewilligd met uitzondering van enkele passages. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen heeft de Minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat bij openbaarmaking van de stukken die aan een ambtsbericht als hier aan de orde ten grondslag hebben gelegen, in het algemeen de belangen van bronbescherming, van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en van bescherming van de gehanteerde methoden en technieken van onderzoek, zwaarder wegen dan het openbaarheidsbelang, en dat in elk individueel geval dient te worden beoordeeld of de eerstgenoemde belangen zich inderdaad voordoen. Vervolgens dient, indien de Minister van oordeel is dat deze belangen zich voordoen, de (uit de wet voortvloeiende) belangenafweging door de Minister te worden gemotiveerd.

“ECLI:NL:RVS:2005:AS6183” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2004:AR3328

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen heeft de Minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat bij openbaarmaking van de stukken die aan een ambtsbericht als hier aan de orde ten grondslag hebben gelegen, in het algemeen de belangen van bronbescherming, van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en van bescherming van de gehanteerde methoden en technieken van onderzoek, zwaarder wegen dan het openbaarheidsbelang, en dat in elk individueel geval dient te worden beoordeeld of de eerstgenoemde belangen zich inderdaad voordoen. Vervolgens dient, indien de Minister van oordeel is dat deze belangen zich voordoen, de (uit de wet voortvloeiende) belangenafweging door de Minister te worden gemotiveerd.

“ECLI:NL:RVS:2004:AR3328” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2001:AD6618

Het stellen van een termijn voor het betalen van het griffierecht beperkt niet het recht op toegang tot de rechter in de zin van art. 6 EVRM. Ten aanzien van het gedane beroep van opposante op artikel 6 EVRM, overweegt de Afdeling dat dit beroep faalt. Immers, volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gaat het bij het uit deze verdragsbepaling voortvloeiende recht op toegang tot de rechter niet om een absoluut recht, doch komt aan de verdragsstaten een zekere beleidsruimte toe tot het stellen van regels die voor dit recht zekere beperkingen inhouden, mits daardoor het recht op toegang tot de rechter niet in zijn kern wordt getroffen, de gestelde beperkingen een rechtmatig doel dienen en aan de evenredigheidseis is voldaan. Opposante heeft met hetgeen zij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat het haar redelijkerwijs niet mogelijk is geweest tijdig aan haar betalingsverplichting te voldoen.

“ECLI:NL:RVS:2001:AD6618” verder lezen