ECLI:NL:GHARL:2016:825

De omstandigheid dat de afdoening van verkeersrechtelijke overtredingen in een administratiefrechtelijke procedure geschiedt, neemt niet weg dat er sprake is van een ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het EVRM (vgl. EHRM 21 februari 1984, Serie A Vol.73, NJ 1988/937, “Özturk”). Dit brengt mee dat aan de betrokkene in deze procedure een beroep toekomt op de in het EVRM vervatte beginselen met betrekking tot de rechtspleging. Het recht op toegang tot de rechter is in de woorden van het Europese Hof niet onbegrensd (vgl. EHRM 8 juli 1986, nr. 9006/80, Lithgow tegen het Verenigd Koninkrijk, Series A no. 102, punt 194). Naar het oordeel van het hof wordt door het stellen van een beroepstermijn geen ongerechtvaardigde beperking gesteld aan het recht op toegang tot de rechter en wordt de toegang tot de rechter niet zozeer beperkt dat het betrokken recht in de kern wordt aangetast. Gelet hierop bestaat geen aanleiding om voorbij te gaan aan de termijnoverschrijding en het beroep ten gronde te behandelen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:825” verder

ECLI:NL:RVS:2012:BV2442

Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. De Belastingdienst heeft informatie verstrekt over de wijze waarop hij de besluiten omtrent aanvragen van zorgtoeslagen geautomatiseerd vaststelt, uitprint en per batch aan TNT Post ter verzending aanbiedt. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 35 van de Awir blijkt dat de achtergrond van de afwijking die in deze bepaling staat, de geautomatiseerde werkwijze bij de Belastingdienst is die erop neerkomt dat besluiten van de Belastingdienst veelal op een latere dag zijn gedateerd dan die waarop de feitelijke bekendmaking plaatsvindt.

Lees “ECLI:NL:RVS:2012:BV2442” verder

ECLI:NL:RVS:2011:BQ4617

De hoogste bestuursrechters hanteren alle als uitgangspunt dat, in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Deze precisering van de benadering van het bewijs van ontvangst van niet-aangetekend verzonden stukken sluit aan bij de rechtspraak van de Hoge Raad en draagt aldus bij aan de rechtseenheid in het bestuursrecht.

Lees “ECLI:NL:RVS:2011:BQ4617” verder

ECLI:NL:CBB:2010:BN6785

Productschap Tuinbouw heeft appellanten niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaar, gericht tegen een aantal opgelegde naheffingen voor boomkwekerijproducten over de jaren 1998 tot en met 2002. Bezwaartermijn is overschreden en is niet verschoonbaar. Appellanten zijn terecht niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaar. De vraag of de redelijke termijn bij de behandeling van een geschil is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van partijen gedurende de gehele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellanten. Het College stelt vast dat de behandeling van het bezwaar en beroep in de onderhavige zaak – te rekenen vanaf de dag van ontvangst van het bezwaarschrift tot de dag van uitspraak van het College – bijna vijf jaar en acht maanden heeft geduurd, hetgeen een overschrijding van de redelijke termijn van bijna 2 jaar en acht maanden betekent.

Lees “ECLI:NL:CBB:2010:BN6785” verder

ECLI:NL:RVS:2008:BC7639

De toenmalige gemachtigde heeft geen afschrift van het besluit ontvangen, waardoor het bezwaarschrift door de gemachtigde na afloop van de bezwaartermijn is ingediend. Het optreden van een gemachtigde heeft tot gevolg dat het contact met een belanghebbende in beginsel via die gemachtigde verloopt en dat, indien een besluit aan de bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde wordt toegezonden, de bekendmaking op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden.
Volgens vaste jurisprudentie is het, ingeval van niet aangetekende verzending van besluiten, aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden.

Lees “ECLI:NL:RVS:2008:BC7639” verder

ECLI:NL:RVS:2007:BB6318

Het enkele feit dat, ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift, geen schriftelijke machtiging aan het college is overgelegd betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat iemand niet als gemachtigde kan worden aangemerkt. Een bestuursorgaan is niet verplicht een machtiging te verlangen.
Het optreden van een gemachtigde tot gevolg heeft dat het contact met een belanghebbende in beginsel via de gemachtigde loopt en dat, indien een besluit aan de bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde wordt toegezonden, sprake is van een bekendmaking op de voorgeschreven wijze.
Volgens vaste jurisprudentie dient, ingeval van niet aangetekende verzending van besluiten of andere rechtens van belang zijnde documenten, het bestuursorgaan aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. Indien het bestuursorgaan de verzending van het desbetreffende stuk aannemelijk heeft gemaakt, ligt het op de weg van de geadresseerde om de ontvangst ervan op niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen.

Lees “ECLI:NL:RVS:2007:BB6318” verder

ECLI:NL:RVS:2004:AO8477

Het recht van openbaarmaking dient ingevolge de Wob uitsluitend het belang van een goede en democratische bestuursvoering. Het komt iedere burger in gelijke mate toe. Derhalve kan geen onderscheid worden gemaakt naar de persoonlijke belangen en oogmerken van de verzoeker. Bij de te verrichten belangenafweging in het kader van de Wob worden het publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie en de door de weigeringsgronden te beschermen belangen betrokken, maar niet het specifieke belang van de verzoeker. Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis te hebben genomen van de vertrouwelijk overgelegde stukken stelt de Afdeling vast dat gezien de inhoud en aard daarvan niet zonder meer vaststaat dat de belangen als beschermd door genoemde uitzonderingsgronden in dit geval zwaarwegender zijn dan het belang bij openbaarmaking.

Lees “ECLI:NL:RVS:2004:AO8477” verder

ECLI:NL:HR:2000:AA8419

De aard van de bezwaartermijn, welke meebrengt dat deze op straffe van niet-ontvankelijkverklaring in acht behoort te worden genomen, staat eraan in de weg dat het desbetreffende bestuursorgaan van een beroep op overschrijding van die termijn afstand zou kunnen doen of de duur van de termijn zou kunnen wijzigen. Zulks sluit evenwel niet uit dat zich de situatie kan voordoen dat een belanghebbende aan een uitlating van dat bestuursorgaan het vertrouwen mag ontlenen dat hij zijn bezwaarschrift nog na afloop van de wettelijke bezwaartermijn kan indienen, zodat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest. Daartoe is evenwel vereist dat de belanghebbende van die uitlating kennisneemt binnen de wettelijke bezwaartermijn. Vertrouwen ontleend aan een uitlating van het bestuursorgaan, waarvan de belanghebbende pas na afloop van de wettelijke bezwaartermijn kennisneemt, kan immers niet bewerkstelligen dat een inmiddels plaatsgehad hebbende niet-verschoonbare termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar wordt.

Lees “ECLI:NL:HR:2000:AA8419” verder

ECLI:NL:RVS:2000:AA6457

Bestuursorgaan hoeft niet aannemelijk te maken dat niet-aangetekende verzending van het besluit wel is ontvangen. Appellante heeft aangevoerd dat zij het besluit van 26-11-1997 eerst op 29 juni 1998 in kopie heeft ontvangen, waarna zij zo spoedig mogelijk een bezwaarschrift heeft ingediend. Het besluit van 26-11-1997 is niet aangetekend verzonden. In aanmerking genomen evenwel de door de Staatssecretaris verstrekte informatie over de wijze waarop aanvragen van huursubsidie geautomatiseerd worden afgedaan, moet het ervoor worden gehouden dat de verzending inderdaad op 26-11-1997 heeft plaatsgevonden. Het besluit was voorzien van de juiste tenaamstelling en adressering. Aangezien het zoekraken van op normale wijze ter post bezorgde brieven op het traject tussen verzender en ontvanger tot de hoge uitzondering behoort, acht de Afd. niet aannemelijk dat het besluit appellante niet heeft bereikt. De enkele stelling van appellante dat zij wel vaker brieven niet heeft ontvangen, biedt in dit geval onvoldoende grond voor het oordeel dat sprake is van een niet ongeloofwaardige ontkenning.

Lees “ECLI:NL:RVS:2000:AA6457” verder

ECLI:NL:HR:1996:AA1755

Belanghebbende stelt dat door de bespreking op 1 juni 1994 met de Ontvanger en de Rijksadvocaat en de bevestiging van de toen gemaakte afspraken door de Ontvanger bij brief van 2 juni 1994 bij haar het vertrouwen is gewekt dat het vervolgens door haar ingediende bezwaarschrift niet wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk zou worden verklaard. Aan mededelingen of toezeggingen door of namens de belastingdienst tijdens de bedoelde bespreking die plaats had na het verstrijken van de termijn voor het instellen van bezwaar kan belanghebbende echter, zoals in het oordeel van het Hof ligt besloten, niet het in rechte te beschermen vertrouwen hebben ontleend dat die reeds verstreken bezwaartermijn opnieuw zou gaan lopen.

Lees “ECLI:NL:HR:1996:AA1755” verder