ECLI:NL:RVS:2008:BG8313

Staatssecretaris heeft een boete opgelegd wegens overtreding van artikel 2 Wav. Bij een besluit tot boeteoplegging is het in artikel 3:4 Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter. In deze zaak bestaat geen grond voor het oordeel tot het volledig ontbreken of verminderde mate van verwijtbaarheid. De redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden, indien de duur van de totale procedure onredelijk lang is. Voorts heeft voor de beslechting van het geschil in eerste aanleg als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar uitspraak doet.

“ECLI:NL:RVS:2008:BG8313” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2006:AV6279

Staatssecretaris heeft een bestuurlijke boete op grond van de Wet arbeid vreemdelingen opgelegd. Diegene die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten is vergunningplichtig en deze werkgever is te allen tijde verantwoordelijk voor en aanspreekbaar op het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde tewerkstellingsvergunning. Appellant is in het kader van de Wav als werkgever aan te merken. De omstandigheid dat hij een uitzendbureau de opdracht heeft gegeven tot het inzetten van personeel om werkzaamheden uit te voeren, maakt dat niet anders maakt. Werkgever moet bij aanvang van de werkzaamheden na gaan of de voorschriften van de Wav worden nageleefd. Dat appellant niet niet bij de aanvang van de werkzaamheden aanwezig, maakt dat niet anders. Het is niet van belang dat een tewerkstellingsvergunning zou zijn afgegeven, indien hij hierom zou hebben verzocht. Het opleggen van een bestuurlijke boete, op grond van artikel 19a, eerste lid, van de Wav is een discretionaire bevoegdheid, omdat van die bevoegdheid gebruik kan – doch niet onder alle omstandigheden dient te -worden gemaakt.

“ECLI:NL:RVS:2006:AV6279” verder lezen