ECLI:NL:GHARL:2016:4926

De gemachtigde heeft de CVOM in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het beroep. In het onderhavige geval is de beslissing op het administratief beroep, weliswaar binnen de daarvoor geldende termijn genomen, maar is deze vervolgens als gevolg van een technische storing bij het CJIB niet aan de betrokkene en de gemachtigde gezonden. Uit het dossier blijkt echter dat de officier van justitie bij separate brief aan de gemachtigde heeft bericht dat het verzoek om een kostenvergoeding wordt afgewezen. Gelet hierop is de gemachtigde binnen de geldende termijn geïnformeerd over het feit dat er een beslissing is genomen op het beroep en dat het beroep niet gegrond is verklaard. Onder deze omstandigheden is voldaan aan de strekking van de toepasselijke beslistermijn.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:4926” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:4928

De officier van justitie heeft op het administratief beroep beslist voordat de kantonrechter de in hoger beroep bestreden beslissing, die betrekking had op het uitblijven van een beslissing op het administratief beroep, heeft gegeven. Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb wordt het beroep tegen het niet tijdig beslissen mede geacht te zijn gericht tegen de beslissing van de officier van justitie. De kantonrechter heeft daar geen toepassing aan gegeven. De gemachtigde is niet in de gelegenheid gesteld om de gronden tegen de beslissing van de officier van justitie in te dienen. Dit brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij niet is beslist op het beroep gericht tegen de beslissing van de officier van justitie, niet in stand kan blijven.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:4928” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:1632

Gemachtigde heeft een aan de kantonrechter gericht beroepschrift ingediend – kort gezegd – inhoudende dat de officier van justitie ten onrechte niet tijdig op het administratief beroepschrift heeft beslist. De officier van justitie heeft een beslissing op het beroep gegeven voordat de kantonrechter op het beroep heeft beslist. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:20, derde lid Awb wordt het beroep tegen het niet tijdig beslissen mede geacht te zijn gericht tegen de beslissing van de officier van justitie. Uit de beslissing van de kantonrechter blijkt niet dat hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:20, derde lid Awb het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie heeft behandeld. Het hof zal daarom de gemachtigde van de betrokkene alsnog in de gelegenheid stellen om de gronden van het beroep in te dienen, alvorens op het beroep te beslissen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:1632” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:1225

De gemachtigde voert aan dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in het hoger beroep omdat de beslissing van de kantonrechter een nevenbeslissing is. Het hof verwerpt dit standpunt en komt onder verwijzing naar eerder gepubliceerde arresten tot het oordeel dat het hoger beroep in deze zaak ontvankelijk is. Daarbij speelt een rol dat sprake is van een nog bestaande sanctie van € 180,-; de kantonrechter heeft inmiddels, in een afzonderlijk gevoerde procedure ex artikel 9 WAHV, het beroep ongegrond verklaard. De onderhavige procedure is aangevangen met het verzoek aan de CVOM om de inleidende beschikking te vernietigen wegens het niet tijdig doorzenden van het beroep ex artikel 9 WAHV aan de rechtbank. Dit verzoek is niet gebaseerd op een wettelijke grondslag en is daarom geen aanvraag als bedoeld in artikel 4:17 Awb. Dat brengt mee dat tegen het niet tijdig beslissen op dit verzoek geen beroep bij de kantonrechter open stond. Volgt vernietiging van de beslissing van de kantonrechter en niet-ontvankelijk verklaring van het verzoekschrift.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:1225” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:7009

De administratieve sanctie bedraagt na de beslissing van de kantonrechter minder dan € 70,-. De sanctie is door de officier van justitie ongedaan gemaakt. Het hoger beroep van de gemachtigde dient daarom in beginsel niet-ontvankelijk te worden verklaard. In het dossier bevindt zich een aan de gemachtigde gerichte oproeping voor de zitting van 13 november 2014. Echter, niet blijkt uit een stempel, aantekening of anderszins, dat de oproeping aan de betrokkene is toegezonden. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat de gemachtigde van behoorlijk is opgeroepen voor de zitting. Aldus is gehandeld in strijd met artikel 12, eerste lid, WAHV. Na doorbreking van het appelverbod komt het hof toe aan de beoordeling van het verzoek om toekenning van een dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen en een proceskostenvergoeding voor de procedure bij de officier van justitie. Het hof is van oordeel dat de (tweede) brief als ingebrekestelling kan worden aangemerkt. Dat daarin niet uitdrukkelijk is vermeld dat het een ingebrekestelling betreft met het oog op de wet dwangsommen, zoals de gemachtigde van de advocaat-generaal ter zitting van het hof heeft aangevoerd, kan daaraan niet afdoen. Twee verschillende wegingsfactoren proceskosten voor de verschillende fasen van de procedure.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:7009” verder

ECLI:NL:RVS:2014:4682

Als uitgangspunt geldt dat, in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat het besluit naar het juiste adres is verzonden.
Van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb is sprake als duidelijk is dat de belanghebbende het bestuursorgaan maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Daarvan is sprake indien voldoende duidelijk is op welke aanvraag het geschrift betrekking heeft. Het faxbericht kan, gelet op de bewoordingen, worden aangemerkt als een ingebrekestelling in de zin van artikel 4:17 van de Awb. Ingevolge het derde lid van dit artikel was het college na deze ingebrekestelling een dwangsom verschuldigd.

Lees “ECLI:NL:RVS:2014:4682” verder

ECLI:NL:RVS:2012:BY5083

Gedeeltelijke afwijzing Wob-verzoek appellant aan afdelingshoofd om toezending van stukken die betrekking hebben op een aan hem opgelegde naheffingsaanslag. Parkstad Limburg is een samenwerkingsverband tussen de gemeente Heerlen en zeven andere Limburgse gemeenten. Het is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam dat is ingesteld met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Het afdelingshoofd is bij besluit door het dagelijks bestuur van Parkstad Limburg aangewezen als gemeenteambtenaar, als bedoeld in de Gemeentewet. Het afdelingshoofd is een bestuursorgaan als bedoeld in de Awb. Het afdelingshoofd heeft uiteengezet dat aan de GBRD de heffing en invordering van de gemeentelijke belastingen ten behoeve van de gemeenten binnen het samenwerkingsverband Parkstad Limburg zijn opgedragen. In een dienstverleningsovereenkomst is vastgelegd op welke wijze de GBRD deze taken moet uitvoeren. Aangezien het afdelingshoofd zich bij de uitvoering van deze taken naar de opdracht van de betrokken gemeenten dient te richten, is hij een onder verantwoordelijkheid van deze gemeenten werkzaam bestuursorgaan, als bedoeld in de Wob. Het afdelingshoofd heeft zich terecht bevoegd geacht een besluit te nemen op het verzoek van appellant om openbaarmaking van de gevraagde stukken, die zich bij de GBRD bevinden. Dat het college, als het verantwoordelijke bestuursorgaan, eveneens op dat verzoek mocht beslissen, doet aan de bevoegdheid van het afdelingshoofd niet af.

Lees “ECLI:NL:RVS:2012:BY5083” verder

ECLI:NL:RVS:2011:BP3711

Bij besluit van 16 december 2009 heeft het college een verzoek van [appellanten] om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot een schapen- en rundveehouderij aan de Vissersweg (ongenummerd) te Appeltern, afgewezen.
Indien het bestuursorgaan prematuur in gebreke is gesteld en het vervolgens de verschuldigdheid van een dwangsom afwijst, is die afwijzing een besluit.

Lees “ECLI:NL:RVS:2011:BP3711” verder

ECLI:NL:RVS:2008:BG5910

Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vallen procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen buiten het bereik van artikel 6 van het EVRM. Aangezien het geschil over de vergoeding van de door appellante gemaakte proceskosten is te herleiden tot de weigering aan haar een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, kan het verzoek tot vergoeding van immateriële schade niet op deze verdragsbepaling worden gebaseerd. Hoewel de procedure thans bijna zeven jaar duurt, is in dit geval niet aannemelijk dat appellante door dat tijdsverloop zodanige spanning en frustratie heeft ondervonden, dat deze grond opleveren voor een financiële genoegdoening. Daartoe is redengevend dat het geschil louter op vergoeding van proceskosten betrekking heeft en appellante klaarblijkelijk geen belang had bij spoedige voldoening daarvan, omdat, zoals ter zitting is verklaard, zij op advies van haar gemachtigde gedurende de gehele periode voor de indiening van het beroepschrift niet heeft gerappelleerd ten einde een zo hoog mogelijk bedrag aan vertragingsrente te kunnen genereren.

Lees “ECLI:NL:RVS:2008:BG5910” verder

ECLI:NL:CBB:2003:AO1044

Afgifte van verklaringen van geen bezwaar ex artikel 2:179 van het Burgerlijk Wetboek voor de oprichting van de rechtspersonen. Het College stelt vast dat de termijn waarbinnen op het bezwaarschrift beslist had moeten worden, ruimschoots was overschreden. Verweerder is van oordeel dat het onmogelijk was om eerder tot besluitvorming in bezwaar over te gaan en tot een afgewogen oordeel te komen. Dit omdat essentiële informatie van de zijde van het Openbaar Ministerie, ondanks herhaald rappelleren, eerst medio maart 2002 beschikbaar is gekomen. Het College oordeelt: dat verweerder voor een afgewogen besluitvorming afhankelijk was van informatie van het Openbaar Ministerie, welke niet voortvarend is aangeleverd, doet hieraan niet af en dient in redelijkheid voor rekening en risico van verweerder te komen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van appellant is derhalve gegrond.

Lees “ECLI:NL:CBB:2003:AO1044” verder

ECLI:NL:GHLEE:2003:AM5326

Betrokkene heeft buiten noodzaak over de vluchtstrook of vluchthaven gereden. Er was sprake van filevorming en hij heeft door ongeveer honderd meter voor de afrit de vluchtstrook te gebruiken de doorstroming van het verkeer bevorderd en daarbij het overige verkeer op geen enkele wijze heeft gehinderd of in gevaar heeft gebracht. Volgens het hof is dit niet een noodgeval in de zin van art. 43, derde lid RVV 1990.
Al zou een voor de betrokkene op de vluchtstrook rijdende automobilist niet zijn bekeurd, dan nog is er geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel, nu niet is gebleken dat in dit geval zonder (juridisch) geldige reden ten nadele van de betrokkene is afgeweken van het met betrekking tot gedragingen als de onderhavige geldende beleid.
Dat de officier van justitie niet heeft beslist binnen de in Awb gestelde termijn, verbindt niet het gevolg dat de inleidende beschikking moet worden vernietigd. Een overschrijding van deze termijn laat onverlet dat nog steeds op het beroepschrift kan worden beslist zij het dat de betrokkene niet de beslissing van de officier van justitie behoeft af te wachten maar in beroep kan gaan bij de kantonrechter.

Lees “ECLI:NL:GHLEE:2003:AM5326” verder