ECLI:NL:GHARL:2016:10323

De gemachtigde voert aan dat de verbalisant, een buitengewoon opsporingsambtenaar, in strijd met de toepasselijke wettelijke voorschriften is beëdigd namens de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en niet namens de minister, die daartoe bevoegd was. In het arrest ECLI:NL:GHARL:2016:9412 heeft het hof op een soortgelijk verweer een beslissing genomen. Temeer nu de gemachtigde ook in die zaak was betrokken, verwijst het hof naar dat arrest.
Het verzoek aan de officier van justitie om terug te komen op zijn beslissing op het administratief beroep, is een verzoek om gebruik te maken van een ambtshalve bevoegdheid. Onbetwist is dat de officier van justitie de ambtshalve bevoegdheid tot heroverweging heeft. De WAHV voorziet echter niet in de mogelijkheid om de officier van justitie te verzoeken van die bevoegdheid gebruik te maken. Het verzoek is geen aanvraag in de zin van artikel 1:3 juncto artikel 4:17 van de Awb.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:10323” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:9413

Het verzoek aan de officier van justitie tot intrekking van de inleidende beschikking moet worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen op zijn beslissing op het administratief beroep. Het gaat hier om een verzoek om gebruik te maken van een ambtshalve bevoegdheid. De officier van justitie heeft, hangende de behandeling van het beroep bij de kantonrechter, in het kader van de herbeoordeling de ambtshalve bevoegdheid om terug te komen op zijn beslissing op het administratief beroep. De WAHV kent echter niet de mogelijkheid om de officier van justitie te verzoeken van die bevoegdheid gebruik te maken. Het verzoek betreft niet een verzoek om een besluit te nemen, zodat geen sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, Awb.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:9413” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:4930

In het verzoek stelt de gemachtigde dat zijn beroepschrift, dat zich richt tegen de beslissing op administratief beroep, door de officier van justitie niet tijdig is doorgezonden naar de rechtbank. Om die reden verzoekt de gemachtigde om vernietiging van de beschikking waarbij de administratieve sanctie is opgelegd. Weliswaar kan de officier van justitie met een dergelijk verzoek worden geadieerd, maar dit verzoek heeft geen wettelijke grondslag en kan niet worden aangemerkt als een aanvraag in vorenbedoelde zin. Nu er geen sprake is van het niet tijdig geven van een beschikking op aanvraag, heeft het bestuursorgaan geen dwangsom verbeurd.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:4930” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:1225

De gemachtigde voert aan dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in het hoger beroep omdat de beslissing van de kantonrechter een nevenbeslissing is. Het hof verwerpt dit standpunt en komt onder verwijzing naar eerder gepubliceerde arresten tot het oordeel dat het hoger beroep in deze zaak ontvankelijk is. Daarbij speelt een rol dat sprake is van een nog bestaande sanctie van € 180,-; de kantonrechter heeft inmiddels, in een afzonderlijk gevoerde procedure ex artikel 9 WAHV, het beroep ongegrond verklaard. De onderhavige procedure is aangevangen met het verzoek aan de CVOM om de inleidende beschikking te vernietigen wegens het niet tijdig doorzenden van het beroep ex artikel 9 WAHV aan de rechtbank. Dit verzoek is niet gebaseerd op een wettelijke grondslag en is daarom geen aanvraag als bedoeld in artikel 4:17 Awb. Dat brengt mee dat tegen het niet tijdig beslissen op dit verzoek geen beroep bij de kantonrechter open stond. Volgt vernietiging van de beslissing van de kantonrechter en niet-ontvankelijk verklaring van het verzoekschrift.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:1225” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:1224

Het hof stelt vast dat de betrokkene op zichzelf relevante rechtsvragen aan de orde stelt over de beantwoording waarvan, blijkens aan het hof voorgelegde zaken, binnen de CVOM en door kantonrechters verschillend wordt gedacht. De enkele omstandigheid dat de betrokkene een andere dan de gebruikelijke procedure entameert, rechtvaardigt niet de conclusie dat er sprake is van misbruik van procesrecht.
Ingevolge artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht kan het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom verbeuren als het niet tijdig een beschikking op aanvraag geeft. In dit verband is eerst de vraag aan de orde of het verzoek van de betrokkene een aanvraag betreft. In de brief vraagt de betrokkene aan de CVOM om de door hem betaalde administratiekosten te retourneren. Naar het oordeel van het hof moet dit worden aangemerkt als een verzoek tot het verrichten van een handeling van feitelijke aard. Tegen een beslissing op een verzoek om een handeling van feitelijke aard te verrichten staan geen (bestuursrechtelijke) rechtsmiddelen open. Dit betekent dat de minister het bezwaarschrift van de betrokkene niet-ontvankelijk had moeten verklaren.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:1224” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:10

Hangende de procedure bij de kantonrechter heeft de officier van justitie de inleidende beschikking vernietigd. De gemachtigde heeft de officier van justitie geantwoord dat de betrokkene het beroep bij de kantonrechter wil intrekken onder de voorwaarde van toewijzing van proceskostenvergoeding. Er is een ingebrekestelling verstuurd, maar de officier van justitie verbeurt geen dwangsom wegens het niet tijdig beslissen. De officier van justitie heeft de ambtshalve bevoegdheid tot het vergoeden van proceskosten, maar de WAHV kent niet de bevoegdheid om de officier van justitie te verzoeken van die bevoegdheid gebruik te maken. Er is geen sprake van een aanvraag van een beschikking in de zin van de Awb.
Het appelverbod wordt doorbroken omdat is verzuimd aan de gemachtigde een uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter te sturen.
In dit geval bestaat er aanleiding om alleen de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep te vergoeden. De betrokkene heeft zelf beroep bij de officier van justitie en kantonrechter ingesteld. Hangende de procedure bij de kantonrechter heeft de gemachtigde zich in het geding gevoegd. Dat de gemachtigde de betrokkene heeft geadviseerd alvorens deze zijn beroepschriften heeft ingediend, maakt dat niet anders.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:10” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:9019

Een verzoek aan de officier van justitie om zijn beslissing op het administratief beroep te heroverwegen, is geen aanvraag om een beschikking als bedoeld in 1:3 jo. 4:17 Awb, maar een verzoek om gebruik te maken van een ambtshalve bevoegdheid. Gevolgen? Niet tijdig reageren op dit verzoek kan niet leiden tot verbeurte van een dwangsom. De reactie van de officier van justitie op het verzoek is een mededeling van feitelijke aard waartegen ingevolge de WAHV geen rechtsmiddel openstaat. Uit een oogpunt van concentratie van rechtsmacht dient de kantonrechter erover te oordelen in de WAHV-procedure. De officier van justitie is niet bevoegd te beslissen op een bezwaarschrift van de betrokkene dat is gericht tegen de reactie van de officier van justitie op het verzoek. Dit bezwaarschrift moet worden doorgezonden naar de kantonrechter die over het WAHV-beroep moet oordelen. Het niet tijdig beslissen op dit bezwaarschrift door de officier van justitie kan daarom ook niet leiden tot verbeurte van een dwangsom.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:9019” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:5906

Het instellen van administratief beroep kan worden beschouwd als het indienen van een aanvraag als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, Awb. Dat dit administratief beroep zich richt tegen een ambtshalve gegeven beschikking doet daaraan niet af. Bij brief heeft de gemachtigde de officier van justitie verzocht een beslissing te nemen op zijn beroepschrift en is de officier van justitie in gebreke gesteld. Volgens het zaakoverzicht van het CJIB is de beslissing van de officier van justitie echter reeds, voor het einde van de termijn, aan de betrokkene toegezonden. Het hof heeft in ECLI:NL:GHLEE:2009:BP3020 overwogen dat, gelet op de vaste werkwijze van het CJIB bij de verzending van stukken, de kans op fouten daarbij nagenoeg is uitgesloten. Op grond daarvan mag worden aangenomen dat verzending daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het ligt vervolgens op de weg van de betrokkene om de ontvangst van de beslissing van de officier van justitie op niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. De betrokkene is daar niet in geslaagd. De omstandigheid dat de beslissing niet is verzonden aan de gemachtigde, brengt niet mee dat de officier van justitie niet op het beroep heeft beslist.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:5906” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:1132

De gemachtigde is niet behoorlijk in de gelegenheid heeft gesteld zijn beroep van argumenten te voorzien, nu de gemachtigde ondanks zijn verzoek hiertoe niet een nadere termijn is gegeven om zijn beroep aan te vullen en de officier van justitie reeds voor het toezenden van het zaakoverzicht een beslissing op het beroep van de gemachtigde heeft genomen. De officier van justitie heeft het beroep kennelijk ongegrond verklaard. Het beroep had niet kennelijk ongegrond verklaard kunnen worden, nu de gronden van het administratief beroep nog niet (volledig) bekend waren.
Er is verzocht de beschikking te vernietigen wegens termijnoverschrijding en om een dwangsom vast te stellen. Het beroepschrift en de overige zaakstukken zijn niet binnen de daarvoor gestelde termijn toegezonden aan de rechtbank. Genoemde termijn betreft echter een termijn van orde, waaraan de wet niet het gevolg verbindt dat de sanctie dient te worden vernietigd. De op de officier van justitie rustende verplichting om een dossier door te sturen naar de rechtbank, is niet als een beschikking op aanvraag aan te merken en hierdoor kan er geen dwangsom worden opgelegd.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:1132” verder

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4522

De Raad stelt voorop dat het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen de hoogte van de proceskostenveroordeling. De rechtbank heeft het gewicht van de zaak als zeer licht (factor 0,25) aangemerkt, maar heeft dit oordeel niet gemotiveerd. De Raad stelt vast dat het beroep was gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, waarbij de gemachtigde van appellante heeft betoogd dat de brief van appellante van 1 februari 2009 als een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand moet worden aangemerkt en de brief van 13 maart 2009 van het College als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De Raad is van oordeel dat de gewichtfactor van deze zaak als gemiddeld (factor 1) moet worden aangemerkt. Het standpunt van het College dat de rechtbank het gewicht van de zaak terecht als zeer licht heeft aangemerkt, omdat appellante geen belang meer had bij een uitspraak nu zij inmiddels een aanvraag had ingediend, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft het beroep immers niet niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een procesbelang, terwijl de later ingediende aanvraag om bijstand niet afdoet aan de zwaarte van de in beroep te beoordelen zaak.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2011:BU4522” verder

ECLI:NL:RVS:2010:BM0214

Artikel 6 van het EVRM geldt ook in procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen. Het voornemen heeft geen rechtsgevolg en is derhalve niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. In zaken, waarin geen sprake is van een punitieve sanctie, mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren. Deze termijn en de daarbinnen gehanteerde verdeling is ook van toepassing geacht in een procedure over een reguliere verblijfsvergunning. Nu belangen voor asielzoekers bij duidelijkheid over hun verblijfsstatus niet zwaarder wegen dan de belangen van vreemdelingen in andere procedures van verblijfsrechtelijke aard, dient in asielzaken in beginsel van dezelfde termijn en de daarbinnen gehanteerde verdeling te worden uitgegaan, waarbij, gelet op de uitsluiting van de bezwaarschriftenprocedure in asielzaken, een termijn van ten hoogste vier jaar redelijk is. Daarbij mag de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep eveneens ten hoogste twee jaar duren.

Lees “ECLI:NL:RVS:2010:BM0214” verder

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7537

Arbeidsdeskundige heeft op 12 april 2000 in een brief medegedeeld dat hij tot de conclusie gekomen dat het verlies aan verdienvermogen minder dan 15% bedraagt. In deze brief staat vermeld dat appellante pas bezwaar kan maken als zij hieromtrent een officiële beslissing van het Uwv heeft ontvangen. De gemachtigde heeft bij brieven van 25 juli 2000, 9 juli 2001, 26 maart 2002 en 26 augustus 2004 verzocht om een beslissing. Uiteindelijk heeft het Uwv bij besluit van 6 september 2004 medegedeeld dat appellante vanaf 29 mei 1999 geen recht heeft op een uitkering op grond van de WAO. Naar vaste jurisprudentie van de Raad vangt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM aan als op zijn minst gesproken kan worden van een geschil tussen partijen. Over het algemeen zal dat zijn op het moment dat een bezwaarschrift wordt ingediend tegen het primaire besluit of, in voorkomende gevallen, tegen het uitblijven daarvan. In de bijzondere omstandigheden van dit geval is de Raad van oordeel dat de redelijke termijn is aangevangen met de brief van de gemachtigde van 25 juli 2000.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2008:BC7537” verder

ECLI:NL:RVS:2008:BC4253

Bij brief heeft de burgemeester aan appellant medegedeeld het verzoek om hem vergunning te verlenen, om als beheerder op te mogen treden van een seksinrichting, niet in behandeling te nemen. Aan de burgemeester komt, op grond van de APV noch anderszins, de bevoegdheid toe een vergunning te verlenen als door appellant gevraagd. De onderscheiden brieven van appellant kunnen dan ook niet worden aangemerkt als aanvragen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, evenmin als de brief van de burgemeester kan worden aangemerkt als besluit. Hiertegen kon dan ook geen bezwaar worden gemaakt ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb. De burgemeester heeft het bezwaar van appellant tegen het buiten behandeling laten van de verzoeken dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank is, zij het op andere gronden, tot dezelfde conclusie gekomen.

Lees “ECLI:NL:RVS:2008:BC4253” verder