ECLI:NL:GHARL:2017:1037

Nog daargelaten de mededeling dat de gemachtigde nog vier weken behoeft om de definitieve gronden te formuleren, overweegt het hof het volgende. In het beroepschrift bij de kantonrechter heeft de gemachtigde geen gronden aangevoerd tegen de oplegging van de sanctie. Ook is de gemachtigde niet ter zitting van de kantonrechter verschenen om inhoudelijk verweer te voeren. Evenmin heeft de gemachtigde in hoger beroep enige grond aangevoerd tegen de oplegging van de administratieve sanctie. Daarnaast heeft de gemachtigde niet op enigerlei wijze aannemelijk gemaakt dat betrokkene een redelijk belang heeft bij het alsnog bieden van de gelegenheid tot het aanvullen van gronden tegen de sanctie.
De wijze waarop de gemachtigde heeft geprocedeerd kan niet redelijkerwijs worden geacht het belang van de betrokkene te dienen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:1037” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:10365

Het hof geeft een overzichtsarrest betreffende (het bieden van gelegenheid tot) het indienen en aanvullen van gronden in WAHV-verband, de betekenis van pro forma-beroepschriften en de mogelijkheid van toepassing van artikel 6:6 Awb. De term “pro forma beroepschrift” is geen wettelijk begrip. De inhoud van het beroepschrift is doorslaggevend en niet hoe de indiener van het beroepschrift het geschrift kwalificeert. Indien een beroepschrift geen gronden bevat, dient de indiener daarvan de gelegenheid te worden geboden om deze op een later moment in te dienen, indien uit het beroepschrift blijkt van de wens daartoe. Deze wens moet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn gedaan. De voor het indienen van gronden geboden termijn dient een redelijke te zijn. Indien een beroepschrift wel gronden bevat, dient de indiener daarvan als uitgangspunt de gelegenheid te worden geboden deze aan te vullen, indien uit het beroepschrift blijkt van de wens tot aanvulling van gronden. Deze wens moet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn gedaan. Deze lijdt uitzondering indien een redelijk belang bij inwilliging ontbreekt.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:10365” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:9269

Binnen de gestelde termijn is echter geen ondertekend beroepschrift ontvangen. Als gevolg van het door de betrokkene inzenden van een ondertekende aanvulling van de gronden van het beroep, dient naar het oordeel van het hof het verzuim dat het (pro forma) beroepschrift niet is ondertekend als hersteld te worden beschouwd. Als gevolg van het niet doorzenden van de aanvullende stukken van de betrokkene door de CVOM, heeft de kantonrechter hier geen rekening mee kunnen houden en is de betrokkene ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep. De betreden beslissing kan derhalve niet in stand blijven.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:9269” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:8247

Het pro forma beroepschrift bevat een algemene ontkenning van de verweten gedraging. Verder wordt de rechtmatigheid van de gebruikte opsporingsmethode(n) betwist. Gelet hierop moet worden vastgesteld dat het beroepschrift, dat niet is aan te merken als pro forma beroepschrift, gronden bevat. Daarom bestond voor de officier van justitie niet de bevoegdheid om (na een herstel verzuim mogelijkheid) het beroep niet-ontvankelijk te verklaren in verband met het ontbreken van gronden.
Nu de op de zaak betrekking hebbende stukken op de voet van artikel 11, vierde lid, WAHV ter inzage zijn gelegd en in hoger beroep niet is verzocht om toezending daarvan, gaat het hof er van uit dat de gemachtigde van de betrokkene inmiddels over deze stukken beschikt, zodat hij in de gelegenheid is geweest om zijn bezwaren tegen de inleidende beschikking te formuleren.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:8247” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:6694

De stelling dat de kantonrechter de gemachtigde een termijn had moeten geven om de gronden aan te vullen, is niet juist. Gemachtigde heeft in zijn pro forma beroepschrift niet om een termijn voor het indienen van gronden verzocht. Geen rechtsregel schrijft voor dat in dat geval een termijn moet worden gegeven voor het indienen van gronden. De gemachtigde heeft ruim de tijd gehad om voorafgaand aan de behandeling van het beroep door de kantonrechter nadere gronden in te zenden, maar heeft dit nagelaten. Evenmin is de gemachtigde ter openbare zitting van de kantonrechter verschenen om zijn bezwaren mondeling naar voren te brengen. Het hof concludeert dat de gemachtigde voldoende gelegenheid had tot aanvulling van zijn beroepschrift, maar er zelf voor heeft gekozen om daarvan geen gebruik te maken.
Motivering afzien hoorplicht is geen voorschrift van openbare orde.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:6694” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:6551

Gemachtigde heeft niet aan de kantonrechter gevraagd een termijn te geven voor het indienen dan wel aanvullen van de gronden. In het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie is verzocht het beroep gegrond te verklaren, de beschikking te vernietigen en dat nadere gronden van het beroep op een later moment zullen worden aangevuld. De kantonrechter heeft het beroep niet niet-ontvankelijk verklaard, terwijl evenmin een herstelgelegenheid is gegeven. Schending van artikel 6:6 van de Awb kan in dit geval dan ook niet aan de orde zijn. Het staat de kantonrechter vrij om een gebrekkig beroepschrift ook aanstonds ontvankelijk te achten. De gemachtigde heeft voldoende gelegenheid gehad om desgewenst nadere gronden in te dienen, geheel uit eigen beweging, dan wel naar aanleiding van de ontvangstbevestiging van het beroep of de uitnodiging voor de zitting. Ook had hij op de zitting van de kantonrechter de gronden van het beroep kunnen aanvullen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:6551” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:5210

De officier van justitie heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet tijdig is ingesteld. Uit het beroepschrift blijkt niet wat de reden van de termijnoverschrijding is. De gemachtigde had verzocht om te worden gehoord. Het hof is van oordeel dat de betrokkene in dit geval had moeten worden gehoord door de officier van justitie, aangezien het beroep niet kennelijk niet-ontvankelijk is. Uit het beroepschrift blijkt niet wat de reden van de termijnoverschrijding is zodat de betrokkene tijdens het horen in de gelegenheid had moeten worden gesteld om de oorzaken van de termijnoverschrijding toe te lichten, teneinde na te gaan of toepassing dient te worden gegeven aan artikel 6:11 van de Awb (ECLI:NL:CRVB:2004:AP0537).

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:5210” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:5109

De advocaat-generaal voert aan dat de bezwaren niet ter beoordeling staan, omdat de kantonrechter de brief van de gemachtigde gelet op de inhoud daarvan ten onrechte heeft aangemerkt als beroep tegen de beslissing van de officier van justitie. De brief is gericht aan de officier van justitie en strekt tot het nemen van een beslissing op een Wob-verzoek en het vaststellen van een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op een Wob-verzoek. Gelet daarop kan deze brief niet worden aangemerkt als een beroepschrift gericht tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep. Dat brengt mee dat de kantonrechter de brief ten onrechte heeft aangemerkt en behandeld als beroepschrift. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en alsnog verstaan dat geen beroep is ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:5109” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:3032

De gemachtigde stelt administratief beroep in “op nader aan te voeren gronden” en verzoekt hem daarvoor een termijn te geven. Het beroepschrift bevat het verzoek om het zaakoverzicht en enkele gronden. Uit het dossier blijkt dat de officier van justitie het zaakoverzicht heeft toegezonden. Beginselen van zorgvuldige procesvoering brengen mee dat de officier van justitie de gemachtigde, daarbij in de gelegenheid had dienen te stellen binnen een daartoe te stellen termijn nadere gronden aan te voeren. Uit het dossier blijkt niet dat de officier van justitie daaraan heeft voldaan. Dat de gemachtigde, door het tijdsverloop tussen de toezending van het zaakoverzicht en het nemen van de beslissing op het beroep, feitelijk die gelegenheid wel heeft gehad, doet daar niet aan af.
Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Daaraan doet niet af dat de verbalisant geen opgave heeft gedaan van zijn schatting van de afstand die over de vluchtstrook is gereden. Doorslaggevend is immers de omstandigheid dat dit zonder noodzaak is gebeurd.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:3032” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:2387

Betrokkene beroep heeft beroep ingesteld bij de officier van justitie. In dit beroepschrift stond het volgende vermeld: “Naar aanleiding van ons telefonisch contact, hierbij beroep! Is er sprake van identiteitsfraude?” In eerdere uitspraken heeft het hof reeds uitgemaakt dat met de gronden van het beroep de redenen worden bedoeld die de indiener heeft om een besluit vernietigd, gewijzigd of herroepen te krijgen. Als zodanig is ook de enkele opmerking dat sprake is van identiteitsfraude een grond, zij het in het algemeen – zonder nadere onderbouwing – niet licht leidend tot vernietiging van de inleidende beschikking. Het hof stelt dan ook vast dat het beroep tegen de inleidende beschikking een – zij het zeer summiere – grond bevat. De officier van justitie had het beroep tegen de inleidende beschikking derhalve niet niet-ontvankelijk kunnen verklaren.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:2387” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:2040

Het dossier bevat een niet ondertekend beroepschrift van de betrokkene. De betrokkene is in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens binnen twee weken na dagtekening van deze brief in te dienen. Niet gebleken is dat een reactie bij de rechtbank is binnengekomen. Blijkens de door de advocaat-generaal ingewonnen inlichtingen heeft de betrokkene tijdig en op de voorschreven wijze gereageerd op de brief van de griffier van de rechtbank, met dien verstande dat de betrokkene het ondertekende beroepschrift naar de CVOM in plaats van de rechtbank heeft gezonden. Ingevolge artikel 11, eerste lid, WAHV en artikel 6:15 Awb rustte op de CVOM de plicht om het alsnog ondertekende beroepschrift door te zenden naar de rechtbank. Dit is nagelaten.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:2040” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:1633

De vraag of een beroepschrift de gronden van het beroep bevat, is niet een aspect van openbare orde waaromtrent het hof onafhankelijk van hetgeen is aangevoerd moet beslissen. Het gaat immers om de vraag of het beroepsorgaan in staat is om het beroep te behandelen, niet of het beroepsorgaan het beroep mag behandelen. De beoordeling van de beroepsgrond houdt verband met de beantwoording van de vraag of de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie terecht heeft vernietigd. In dit verband wijst het hof ook op artikel 13, eerste lid, WAHV, waaruit volgt dat eerst als het beroep gegrond wordt geacht, het besluit van de officier van justitie kan worden vernietigd. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in het administratief beroepschrift heeft aangevoerd dat, omdat onvoldoende informatie is verschaft om de beschikking op juistheid te kunnen toetsen, het beroep vooralsnog is beperkt tot de algemene ontkenning van de verweten gedraging. Het beroepschrift is niet geduid als pro forma beroepschrift. Naar het oordeel van het hof is -hoe algemeen geformuleerd ook- sprake van gronden van beroep. De officier van justitie heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De kantonrechter had het beroep tegen de beslissing gegrond moeten verklaren.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:1633” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:1613

Gemachtigde heeft een e-mailbericht aan de rechtbank verzonden waarin hij hoger beroep aantekent tegen de beslissing van de kantonrechter. Het verzenden van een e-mail met bijlagen, voldoet niet aan het schriftelijkheidsvereiste. Bovendien kan bij verzending per e-mail niet worden voldaan aan de eis dat het beroepschrift wordt ondertekend. Het hof stelt vast dat ten tijde van de ontvangst van het e-mailbericht de termijn voor het instellen van hoger beroep nog niet was verstreken. De griffier van de rechtbank heeft de gemachtigde niet gewezen op de onjuiste wijze waarop hij hoger beroep wilde instellen en hem evenmin gelegenheid gegeven het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Naar het oordeel van het hof dient de gemachtigde alsnog in de gelegenheid te worden gesteld zijn verzuim bij het instellen van hoger beroep te herstellen. Ten behoeve van de gemachtigde merkt het hof op dat niet voldoende is, dat als bijlage bij de e-mail dezelfde tekst als in de e-mail is gevoegd die wel is voorzien van een handtekening. Nu het gaat om een bijlage bij een e-mail is er geen sprake van een schriftelijk beroep met een originele handtekening, zoals vereist.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:1613” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:1449

De gemachtigde van de betrokkene deelt in haar brief van 10 augustus 2015 mee dat haar na het bijwonen van de zitting van de kantonrechter nog iets van het hart moet, te weten dat een voor de maatschappij kostbare rechtszaak wat haar betreft niet nodig was geweest. Zij wilde weliswaar graag gehoord worden omdat zij het gevoel had dat er iets oneerlijks was gebeurd, maar wat haar betreft had een telefonisch contact, ongeacht de uitkomst, kunnen volstaan. Uit dit schrijven kan niet blijken dat (prematuur) voorziening wordt gevraagd van de beslissing van de kantonrechter. Gelet op het voorgaande, zal het hof verstaan dat geen hoger beroep is ingesteld.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:1449” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:211

In het beroepschrift worden de naam en adresgegevens van de gemachtigde, de naam van de betrokkene en een CJIB-nummer genoemd. Het hof constateert dat het genoemde CJIB-nummer niet overeenkomt met het CJIB-nummer van de onderhavige zaak. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat geen beroep is ingesteld. Het genoemde CJIB nummer heeft betrekking op een zaak van een ander, zodat niet kan worden vastgesteld dat in een andere zaak beroep is ingesteld. Daar komt nog bij dat in het beroepschrift de inhoud van het administratieve beroepschrift en van de beslissing van de officier van justitie is weergegeven. De onjuiste vermelding van het CJIB-nummer zou kunnen worden beschouwd als het ontbreken van een omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht, zodat sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, sub c, Awb. Uit de stukken blijkt echter niet dat de gelegenheid is gesteld dit verzuim te herstellen.
Het beroepschrift is naar het oordeel van het hof niet aan te merken als een pro forma beroepschrift. In het beroepschrift wordt namelijk niet aangegeven dat het beroep nog nader zal worden gemotiveerd. Gelet daarop bestond voor de officier van justitie geen verplichting om (de gemachtigde van) de betrokkene in de gelegenheid te stellen binnen een daartoe gestelde termijn (nadere) gronden op te geven en heeft de officier van justitie het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:211” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:9743

In het dossier bevindt zich een aan de betrokkene gerichte ontvangstbevestiging, waarin de ontvangst van het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie wordt bevestigd. Het hof leidt hieruit af dat nog een geschrift moet zijn ontvangen nadat de officier van justitie een beslissing heeft genomen. Uit het dossier van het hof is niet gebleken van enig geschrift dat kan worden aangemerkt als beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie. Gelet op het voorgaande dient het er voor te worden gehouden dat de officier van justitie in strijd met artikel 11 van de WAHV het beroepschrift niet ter kennis heeft gebracht van de rechtbank dan wel dat de rechtbank in strijd met artikel 15 van de WAHV het beroepschrift niet heeft ingezonden ter griffie van het gerechtshof. Nu het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie in het ongerede is geraakt kan de beslissing van de kantonrechter tegen die beslissing niet beoordeeld worden. Dit leidt tot de conclusie dat de beslissing van zowel de kantonrechter als die van de officier van justitie vernietigd dienen te worden. Ook de initiële sanctie kan niet in stand blijven.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:9743” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:9703

Betrokkene heeft een e-mailbericht aan de rechtbank heeft verzonden met als bijlage een document waarin zij hoger beroep aantekent tegen de beslissing van de kantonrechter. Ingevolge artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Het verzenden van een e-mail met bijlagen, voldoet niet aan het schriftelijkheidsvereiste. Bovendien kan bij verzending per e-mail niet worden voldaan aan de eis dat het beroepschrift wordt ondertekend. De griffier van de rechtbank heeft de betrokkene niet gewezen op de onjuiste wijze waarop zij hoger beroep wilde instellen en haar evenmin gelegenheid gegeven het verzuim te herstellen binnen een haar daartoe gestelde termijn. Het hof acht geen redenen aanwezig om de betrokkene in de gelegenheid te stellen het verzuim te herstellen. Daartoe acht het hof doorslaggevend dat ten tijde van de ontvangst van het e-mailbericht de termijn voor het instellen van hoger beroep was verstreken.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:9703” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:9698

Betrokkene heeft een e-mailbericht aan de rechtbank heeft verzonden met als bijlage een document waarin zij hoger beroep aantekent tegen de beslissing van de kantonrechter. Ingevolge artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Het verzenden van een e-mail met bijlagen, voldoet niet aan het schriftelijkheidsvereiste. Bovendien kan bij verzending per e-mail niet worden voldaan aan de eis dat het beroepschrift wordt ondertekend. De griffier van de rechtbank heeft de betrokkene niet gewezen op de onjuiste wijze waarop zij hoger beroep wilde instellen en haar evenmin gelegenheid gegeven het verzuim te herstellen binnen een haar daartoe gestelde termijn. Naar het oordeel van het hof dient de betrokkene alsnog in de gelegenheid te worden gesteld haar verzuim bij het instellen van hoger beroep te herstellen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:9698” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:9490

De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de officier van justitie de gemachtigde niet in de gelegenheid hoefde te stellen om de gronden van het beroep in te dienen. De gemachtigde heeft tegen de inleidende beschikking een pro forma beroepschrift ingediend waarbij nadrukkelijk is verzocht om een termijn te stellen om de gronden van het beroep in te dienen. Het hof heeft bij arrest van 12 januari 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:195) beslist, dat indien een betrokkene of diens gemachtigde aangeeft dat het gaat om een pro forma ingesteld beroep en dat het beroep nader zal worden gemotiveerd, de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid dient te worden gesteld de gronden van het beroep op te geven binnen een daartoe gestelde termijn. Het hof stelt vast dat de officier van justitie de gemachtigde niet behoorlijk in de gelegenheid heeft gesteld zijn beroep van argumenten te voorzien, nu de gemachtigde ondanks zijn verzoek hiertoe niet een nadere termijn is gegeven om zijn beroep aan te vullen. Het Hof overweegt in dit verband, dat de officier van justitie bij het stellen van die termijn niet had hoeven te wachten totdat alle in het kader van het Wob-verzoek gevraagde stukken zouden zijn verstrekt.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:9490” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:7636

Het hof deelt niet de conclusie dat de grond, opgenomen in het aanvullend beroepschrift, te laat is ingediend. De gemachtigde heeft binnen de termijn gereageerd. Het stond de gemachtigde hierbij vrij om op het aanvullend proces-verbaal een aanvullende beroepsgrond in te dienen. Op het afschrift van de aankondiging van beschikking is te zien dat de verbalisant hierop als pleegdatum heeft ingevuld ’20-01-10′. Bij de ondertekening van de aankondiging van beschikking is eveneens de datum 20-01-2010 genoteerd. Uit het zaakoverzicht blijkt dat de verbalisant deze kennelijke verschrijving heeft hersteld. In de inleidende beschikking is de juiste pleegdatum weergegeven. Gelet hierop is sprake van een kennelijke verschrijving die redelijkerwijs niet tot enig misverstand kan hebben geleid. Het hof wijst erop dat op grond van artikel 2, derde lid, WAHV de hoogte van de sanctie voor elke gedraging is vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. In WAHV-zaken staat het de verbalisant en de rechter derhalve in het algemeen niet vrij zich een oordeel te vormen omtrent de hoogte van de door de wetgever vastgestelde tarieven. Een marginale toetsing terzake kan evenmin aan de orde zijn.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:7636” verder