ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2125

Het Uwv heeft bijgedragen aan de schending van de redelijke termijn. De behandelingsduur van een half jaar voor de bezwaarfase is langer dan de wettelijke beslistermijn, binnen welke het Uwv zijn besluit had moeten afgeven. Voor de behandeling in hoger beroep kan geen langere behandelingsduur gerechtvaardigd worden geacht in verband met de inschakeling van een deskundige. De behandelingsduren die voor de rechterlijke fase gelden, bieden in het algemeen voldoende ruimte voor het normale verloop van een proces, de inschakeling van een deskundige daaronder begrepen. Slechts onder bijzondere omstandigheden zal een langere behandelingsduur gerechtvaardigd zijn. De overschrijding van de redelijke termijn in de tweede procedure dient niet tot een hogere schadevergoeding te leiden. Zowel de eerste als de tweede procedure had betrekking op appellants recht op een WAO-uitkering, zodat zij in hoofdzaak betrekking hadden op hetzelfde onderwerp. Van extra spanning en frustratie was door de tweede procedure derhalve geen sprake.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2125” verder

ECLI:NL:CRVB:2009:BI8665

De Raad overweegt dat in een geval als dit, waarin een vernietiging door de rechtbank van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en een herhaalde behandeling door de rechtbank, en waarin tijdens die tweede rechtbankprocedure een verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn is gedaan, de rechtbank moet uitgaan van een redelijke termijn van twee jaar voor de procedure als geheel. Indien tegen de – tweede – uitspraak van de rechtbank hoger beroep wordt ingesteld, moet de Raad daarvan uitgaande beoordelen of de rechtbank terzake een juiste beslissing heeft gegeven. Vervolgens zal de Raad de overschrijding van de redelijke termijn ten tijde van zijn eigen uitspraak moeten beoordelen.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2009:BI8665” verder

ECLI:NL:CRVB:2009:BI2044

In een geval waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en – eventueel – een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (het ministerie van Justitie).

Lees “ECLI:NL:CRVB:2009:BI2044” verder

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1549

De Raad overweegt in de eerste plaats dat in de uitspraak van de rechtbank van 21 december 2004 de grieven van appellante met betrekking tot de medische grondslag van het besluit van 9 oktober 2003 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen. Dit betekent dat, nu appellante tegen deze uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld, volgens vaste rechtspraak van de Raad – verwezen wordt naar bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 1 maart 2005 – van de juistheid van die grondslag moet worden uitgegaan en deze grieven, zoals ook de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft geoordeeld, thans niet meer ter beoordeling staan. Dit kan uitzondering lijden in het hier zich niet voordoende geval dat er sedert de uitspraak van 21 december 2004 nieuwe medische gegevens naar voren zijn gekomen die een ander licht werpen op de gezondheidstoestand van appellante, zoals die in die uitspraak is beoordeeld.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2008:BC1549” verder

ECLI:NL:CRVB:2007:BA6375

Volgens vaste jurisprudentie geldt als maatmaninkomen van een directeur-grootaandeelhouder het loon dat hij feitelijk, direct voorafgaand aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid heeft genoten, tenzij gezegd moeten worden dat dit loon geen getrouwe afspiegeling vormt van de verdiencapaciteit van de betrokkene. De Raad ziet geen aanleiding om in het onderhavige geval van dit beginsel af te wijken. Het inkomen van appellant bestond in de referteperiode uitsluitend uit de fiscale bijtelling van de auto van de zaak. Het feit dat aan appellant als directeur-grootaandeelhouder geen beloning werd toegekend in verband met verliezen uit het verleden of dat er in het jaar voorafgaand aan de uitval van appellant voldoende winst werd gegenereerd om appellant desgewenst toch een substantieel inkomen te verstrekken, merkt de Raad niet als dusdanig bijzondere omstandigheid aan.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2007:BA6375” verder

ECLI:NL:CRVB:2006:AV9060

De Raad heeft als hoofdregel neergelegd dat in gevallen waarin dat praktisch mogelijk is bij de bepaling van het maatmaninkomen van een zelfstandige in beginsel dient te worden uitgegaan van de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de laatste drie boekjaren voorafgaande aan het jaar van intreden van de arbeidsongeschiktheid. Naar de Raad vaker heeft overwogen stoelt die hoofdregel op de wenselijkheid, gezien de veelal wisselende inkomsten van een zelfstandige, de representativiteit van het maatmaninkomen te vergroten en het telkenmale voeren van discussies over allerlei min of meer arbitraire aspecten te voorkomen. Een andersluidende vaststelling van genoemde referteperiode kan aangewezen zijn indien daarvoor praktische gronden bestaan. Hiervan afgezien zal echter binnen de grenzen van de redelijkheid aan genoemde periode van drie jaar dienen te worden vastgehouden. Ruimte voor afwijking is er dan ook slechts in zeer bijzondere gevallen, waarin evident is dat de in de referteperiode geen reële afspiegeling vormt.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2006:AV9060” verder

ECLI:NL:CRVB:2005:AU5643

Weigering WAO-uitkering onder overweging dat bij betrokkene geen sprake is van arbeidsongeschiktheid die voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waarvoor hij uitkering heeft ontvangen. Appellants gemachtigde heeft zich ter zitting van de Raad nog op het standpunt gesteld dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn nu de beslissing op bezwaar is genomen vijf jaren na de in geding zijnde datum. De Raad kan de gemachtigde hierin niet volgen. Volgens vaste jurisprudentie vangt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM aan op het moment dat er – op zijn minst – een standpunt van het bestuursorgaan ligt, waarvan duidelijk is dat de betrokkene dit wil aanvechten. Doorgaans zal dit zijn op het moment waarop een bezwaarschrift wordt ingediend tegen het primaire besluit of tegen het uitblijven daarvan. De Raad ziet geen aanleiding in casu van dit uitgangspunt af te wijken. Geen aanleiding tot veroordeling schadevergoeding.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2005:AU5643” verder