ECLI:NL:RVS:2014:967

Als uitgangspunt geldt dat, in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. De Belastingdienst/Toeslagen heeft in dit geval in beroep weliswaar een uitdraai uit het Eldoc-systeem overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat op 9 januari 2012 een brief aan de gemachtigde met het besluit op bezwaar is aangemaakt maar, anders dan in de door hem in het verweerschrift aangehaalde zaak (ECLI:NL:RVS:2012:BV2442), geen printafdrukken overgelegd uit een postregistratiesysteem of een verzendadministratie, noch enig ander stuk waarmee hij de verzending van de brief van 9 januari 2012 aannemelijk heeft gemaakt.

“ECLI:NL:RVS:2014:967” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2014:188

De ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld en het processuele gedrag van appellant gedurende de gehele procesgang onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de als uitgangspunt gehanteerde termijnen gerechtvaardigd te achten. De gehanteerde redelijke termijn van vijf jaar voor zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan, vermoedelijk niet in strijd is met artikel 6, eerste lid, van het EVRM. In niet-punitieve procedures die volgen op primaire besluiten die bekend zijn gemaakt vóór 1 februari 2014 geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer dan drie jaar mogen duren en dat in niet-punitieve procedures die volgen op primaire besluiten die bekendgemaakt zijn gemaakt op of na 1 februari 2014 als uitgangspunt geldt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer dan twee jaar mogen duren. Tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden.

“ECLI:NL:RVS:2014:188” verder lezen

ECLI:NL:HR:2013:BX6666

Inkomstenbelasting; art. 16 AWR; navordering. Oordeel van het Hof dat de Inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan blijft in stand. Art. 8:73 Awb; vergoeding van immateriële schade in geval van overschrijding redelijke termijn bezwaar- en beroepsfase. Verdeling van de schadevergoeding ten laste van het bestuursorgaan en de Staat. De Minister van Veiligheid en Justitie moet worden betrokken bij de beslissing op het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.

“ECLI:NL:HR:2013:BX6666” verder lezen

ECLI:NL:CBB:2012:BV0842

Het College stelt in dit verband voorop dat appellanten in een procedure als de onderhavige geen rechten kunnen ontlenen aan het bepaalde in artikel 6 van het EVRM, aangezien deze procedure wat betreft appellanten geen betrekking heeft op enig burgerlijk recht of burgerlijke verplichting, maar op het algemeen belang dat gemoeid is met openbaarmaking van de aan de orde zijnde gegevens. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Sedert de ontvangst van het bezwaarschrift van appellanten, is ten tijde van deze uitspraak van het College bijna zes jaar en negen maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door verweerder twee jaar en drie maanden geduurd en heeft de behandeling van het beroep door het College, vanaf de ontvangst van het beroepschrift, ruim vier jaar en vijf maanden geduurd.

“ECLI:NL:CBB:2012:BV0842” verder lezen

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4029

Bij besluit heeft het Uwv appellantes bezwaar tegen het besluit van 13 oktober 2004 alsnog gegrond verklaard. Besloten is het recht op WW-uitkering te laten herleven over de periode van 7 oktober 2004 tot en met 23 mei 2005 en te zullen nabetalen. De Raad stelt vast dat met het nadere besluit geheel aan appellantes bezwaren is tegemoet gekomen, zodat appellante geen belang meer heeft bij de beoordeling van haar hoger beroep. De Raad zal dit hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. De behandeling van het hoger beroep door de Raad heeft vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift tot deze uitspraak vijf jaar en bijna vier maanden geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn is geschonden door de Raad. In de vervolgprocedure kan worden bezien in hoeverre een verlenging van de behandelingsduur in hoger beroep gerechtvaardigd is door de prejudiciële vraagstelling aan het HvJ EU.

“ECLI:NL:CRVB:2011:BR4029” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2011:BR3196

De minister heeft een wob-verzoek met betrekking tot de inlijving van een familie in de Nederlandse adel gedeeltelijk afgewezen. De Hoge Raad van Adel is bij de Wet op de adeldom ingesteld en heeft de taak om de minister te adviseren over verzoeken tot verlening van adeldom. Het advies is is verzocht en uitgebracht in het kader van de uitoefening van die publieke taak. Nu de Hoge Raad van Adel het advies heeft uitgebracht in zijn hoedanigheid van adviescollege, kan hetgeen in dat advies is neergelegd niet worden aangemerkt als persoonlijke beleidsopvattingen. Artikel 11, eerste lid, van de Wob neergelegde bescherming van deze opvattingen is in dit geval dan ook niet aan de orde. Een bestuursorgaan dient, indien het weet dat bij een ander bestuursorgaan andere stukken berusten waarop het bij hem ingediende Wob-verzoek eveneens betrekking heeft, niet alleen zelf een besluit te nemen op dat verzoek, maar dat tevens door te zenden. In dit geval doet zich echter de situatie voor dat appellant reeds zelf een Wob-verzoek had ingediend bij de Hoge Raad van Adel. Onder deze omstandigheden bestond geen belang meer bij de doorzendplicht. In deze procedure is de redelijke termijn overschreden. Er zijn geen omstandigheden die deze overschrijding kunnen rechtvaardigen.

“ECLI:NL:RVS:2011:BR3196” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2011:BQ5948

Bij afzonderlijke besluiten heeft het dagelijks bestuur aan T-Mobile Netherlands B.V. vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning, onderscheidenlijk vergunning krachtens de Monumentenverordening Amsterdam Oud-Zuid 1999 verleend voor het plaatsen van een antenne-installatie op het dak van een gebouw in Amsterdam. In de omstandigheid dat de stichting tezamen met 19 personen bezwaar heeft gemaakt en beroep heeft ingesteld, zou aanleiding kunnen zijn dit bedrag aldus te matigen, dat het bedrag van €500,00 in gelijke delen over hen wordt verdeeld. Dit zou betekenen dat ieder van de appellanten aanspraak zou hebben op een schadevergoeding van € 25,00. Een dergelijke matiging is redelijk vanwege de matigende invloed die het gezamenlijk maken van bezwaar en het instellen van beroep heeft gehad op de mate van ongemak en onzekerheid die appellanten vanwege de te lang durende procedure hebben ondervonden. Hierdoor hebben zij de voor- en nadelen van het voeren van deze procedure kunnen delen. Het feit dat een aantal klagers tezamen een procedure voert kan een zodanige matigende invloed hebben op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die wordt ondervonden door een te lang durende procedure.

“ECLI:NL:RVS:2011:BQ5948” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2011:BP3701

Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond bedraagt het toe te kennen bedrag aan schadevergoeding € 4000,00. De Afdeling heeft evenwel in de omstandigheid dat zij gezamenlijk beroepen hebben ingesteld, tegen andere besluiten en het bestreden besluit, aanleiding gezien dit bedrag te matigen met 90%, opdat het totaalbedrag van € 4000,00 in gelijke delen over hen wordt verdeeld. Deze matiging acht de Afdeling redelijk vanwege de matigende invloed die het instellen van gezamenlijke beroepen in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die deze appellanten hebben ondervonden vanwege de te lang durende procedure. Door gezamenlijk beroepen in te stellen hebben zij de voor- en nadelen van het voeren van deze procedure kunnen delen. Het feit dat een aantal klagers samen een procedure voert kan een dermate matigende invloed hebben op de mate van stress, ongemak en onzekerheid.

“ECLI:NL:RVS:2011:BP3701” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2010:BM8823

Bij onderscheiden besluiten heeft de staatssecretaris boetes opgelegd van totaal € 312.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Appellant heeft betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. Het beroep is gegrond. De boetekennisgevingen dateren van 7 augustus 2006. De rechtbank heeft op 30 september 2009 uitspraak gedaan. Op dat moment was de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 van het EVRM met meer dan zes maanden overschreden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, ligt bij een zodanige overschrijding een vermindering van de boete met 10%, met een maximum van € 2.500,00, in de rede. Naast deze vermindering is voor schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 van de Awb wegens overschrijding van de redelijke termijn geen plaats.

“ECLI:NL:RVS:2010:BM8823” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2010:BM5620

Ingevolge artikel 8:69 van de Awb doet de rechtbank uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting. Dat appellant zich hierover niet heeft kunnen uitlaten omdat hij noch een gemachtigde ter zitting is verschenen, komt voor zijn eigen risico. Nu artikel 6:13 van de Awb noch een andere rechtsregel er aan in de weg staat dat in beroep nieuwe gronden tegen een besluit worden aangevoerd, heeft de rechtbank ten onrechte deze eerst in beroep aangevoerde gronden buiten beschouwing gelaten. De bij de rechtbank ingediende nadere memorie moet worden aangemerkt als een nader stuk als bedoeld in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb en is het stuk niet opgenomen als proceshandeling in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. Als vergoeding voor de schending van de redelijke termijn geleden immateriële schade wordt uitgegaan van € 500,00 per half jaar.

“ECLI:NL:RVS:2010:BM5620” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2010:BM3243

Bij besluit heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een boete opgelegd van € 8000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Dat appellante het transport en de distributie van de haar uitgegeven dagbladen heeft uitbesteed en feitelijk niet in staat is om te controleren of de Wav wordt nageleefd, laat onverlet dat het op haar weg ligt om de nodige maatregelen te treffen teneinde overtreding van de Wav te voorkomen. De redelijke termijn was op het moment van het doen van uitspraak overschreden. De rechtbank heeft op 14 juli 2009 uitspraak gedaan. Op dat moment was de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 van het EVRM met meer dan zes maanden overschreden. Bij een zodanige overschrijding ligt een vermindering van de boete met 10%, met een maximum van € 2.500,00, in de rede. Naast deze vermindering is voor schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 van de Awb wegens overschrijding van de redelijke termijn geen plaats.

“ECLI:NL:RVS:2010:BM3243” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2010:BL7835

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 1 en 2 van de Wav blijkt dat diegene die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten vergunningplichtig werkgever is en dat deze werkgever te allen tijde verantwoordelijk is voor en aanspreekbaar op het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde tewerkstellingsvergunning. Of sprake is van een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding is daarbij niet relevant. Het feit dat in opdracht of ten dienste van een werkgever arbeid wordt verricht is voor het feitelijk werkgeverschap reeds voldoende. Volgens de boeterapporten hebben de uitgevers het distributiebedrijf opdracht gegeven de door hen uitgegeven dagbladen te verspreiden. Uitgevers van dagbladen moeten worden aangemerkt als werkgever in de zin van de Wav ten aanzien van een bezorger van het door haar uitgegeven dagblad. De minister heeft in redelijkheid de in de beleidsregels opgenomen boetenormbedragen kunnen vaststellen, zodat hij deze bij de vaststelling van de hoogte van de boete als uitgangspunt dient te nemen.

“ECLI:NL:RVS:2010:BL7835” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2009:BJ4607

Zoals in de uitspraak van 3 december 2008 is overwogen, geldt het aan artikel 6 van het EVRM ten grondslag liggende beginsel van rechtszekerheid ook in procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen en noopt dat ertoe dat die procedures binnen een redelijke termijn worden beslecht, waarbij kan worden aangesloten bij de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over de uitleg van deze verdragsbepaling. Uit deze jurisprudentie volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn voor de beslechting van een procedure, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

“ECLI:NL:RVS:2009:BJ4607” verder lezen

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2125

Het Uwv heeft bijgedragen aan de schending van de redelijke termijn. De behandelingsduur van een half jaar voor de bezwaarfase is langer dan de wettelijke beslistermijn, binnen welke het Uwv zijn besluit had moeten afgeven. Voor de behandeling in hoger beroep kan geen langere behandelingsduur gerechtvaardigd worden geacht in verband met de inschakeling van een deskundige. De behandelingsduren die voor de rechterlijke fase gelden, bieden in het algemeen voldoende ruimte voor het normale verloop van een proces, de inschakeling van een deskundige daaronder begrepen. Slechts onder bijzondere omstandigheden zal een langere behandelingsduur gerechtvaardigd zijn. De overschrijding van de redelijke termijn in de tweede procedure dient niet tot een hogere schadevergoeding te leiden. Zowel de eerste als de tweede procedure had betrekking op appellants recht op een WAO-uitkering, zodat zij in hoofdzaak betrekking hadden op hetzelfde onderwerp. Van extra spanning en frustratie was door de tweede procedure derhalve geen sprake.

“ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2125” verder lezen

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0790

De Raad stelt vast dat het Uwv het hoger beroep heeft ingetrokken en dat betrokkene heeft verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten in beroep en in hoger beroep. De Raad constateert verder dat, nu het Uwv blijkens de aangevallen uitspraak reeds door de rechtbank is veroordeeld tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg, hier nog slechts de in hoger beroep gemaakte kosten ter beoordeling staan. De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten. De in verband met het hoger beroep door de gemachtigde van betrokkene gemaakte reiskosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu betrokkene zelf niet aanwezig is geweest bij de zitting van 5 november 2008 en het Bpb niet voorziet in vergoeding van de door een professionele gemachtigde gemaakte reiskosten. Met betrekking tot het namens betrokkene gedane verzoek om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente overweegt de Raad dat artikel 21a van de Beroepswet niet de mogelijkheid biedt in hoger beroep, nadat het bestuursorgaan het hoger beroep heeft ingetrokken, toepassing te geven aan artikel 8:73 van de Awb.

“ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0790” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2009:BI9696

De Afdeling heeft blijkens haar uitspraak van 5 juli 2006 afgezien van een inhoudelijke behandeling van het verzoek wegens het ontbreken van gegevens en bescheiden. Nu de Afdeling toen ook geen toepassing heeft gegeven aan artikel 8:73, tweede lid, van de Awb en het onderzoek niet heeft heropend, staat de eerdere afwijzing van het verzoek er in dit geval niet aan in de weg alsnog een zelfstandig verzoek om schadevergoeding kan indienen, voorzien van gegevens en bescheiden. Nu de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 juni 2007 evenwel terecht ongegrond heeft verklaard, ziet de Afdeling geen aanleiding tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Het college heeft eveneens terecht geen aanleiding gezien tot vergoeding van immateriële schade wegens schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

“ECLI:NL:RVS:2009:BI9696” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2009:BI6092

De rechtbank is gehouden een beslissing te nemen op een verzoek tot vergoeding van schade, indien dat verzoek voor sluiting van het onderzoek ter zitting is gedaan en het beroep gegrond is verklaard. In deze zaak is in beroep bij de rechtbank om vergoeding van immateriële schade verzocht vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Bij de beoordeling geldt dat de behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep tezamen niet meer dan drie jaar mag duren en dat een vertraging bij één van beide behandelingen kan worden gecompenseerd door voortvarendheid bij de andere behandeling. De vreemdeling heeft op 23 februari 2006 bezwaar gemaakt wegens het niet tijdig beslissen op haar aanvraag van 14 september 2004. De staatssecretaris heeft op 29 juni 2007 op het bezwaar beslist en de rechtbank heeft bij uitspraak 26 mei 2008 op het daartegen ingestelde beroep beslist. Aldus is sprake van een behandelingsduur die is gebleven binnen de termijn van drie jaar en is de redelijke termijn niet geschonden.

“ECLI:NL:RVS:2009:BI6092” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2009:BI2283

Aangezien het geschil betrekking heeft op een verzoek om schadevergoeding in verband met een verblijfsrechtelijke procedure, kan het verzoek tot vergoeding van immateriële schade niet op artikel 6 van het EVRM worden gebaseerd. De rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan dat artikel mede ten grondslag ligt, geldt echter evenzeer binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van die verdragsbepaling en noopt er toe dat een dergelijk verzoek en het daaruit voortvloeiende geschil binnen een redelijke termijn, in voorkomend geval na behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, tot finale vaststelling leidt. Aangezien dit vereiste als neergelegd in artikel 6 van het EVRM op dat rechtsbeginsel berust, wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens over de uitleg van deze verdragsbepaling.

“ECLI:NL:RVS:2009:BI2283” verder lezen

ECLI:NL:CRVB:2009:BI2044

In een geval waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en – eventueel – een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (het ministerie van Justitie).

“ECLI:NL:CRVB:2009:BI2044” verder lezen

ECLI:NL:CRVB:2009:BI2179

De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. In dit geval betreft het een procedure in twee instanties, te weten bezwaar en beroep. De Raad merkt daarbij de bezwaarfase als een afzonderlijke instantie aan, nu het hier gaat om een in beginsel verplichte procedure voor de behandeling van een tussen partijen bestaand geschil, die moet worden gevolgd alvorens de belanghebbende dit geschil aan de rechter kan voorleggen. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak is bijna 5,5 jaar verstreken. Dit is meer dan 2,5 jaar. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot de datum van het bestreden besluit zijn negen maanden verstreken. In dit geval is echter van een te lange behandelingsduur bij verweerster geen sprake, nu verweerster noodzakelijkerwijs – extern – archiefonderzoek heeft moeten doen, de gemachtigde van appellant na de hoorzitting in het kader van de bezwaarprocedure nog nadere stukken heeft ingezonden en ook anderszins geen sprake is geweest van stilliggen van de bezwaarprocedure.

“ECLI:NL:CRVB:2009:BI2179” verder lezen