ECLI:NL:GHARL:2016:3973

De opvatting dat een vormverzuim van de officier van justitie ook dient te leiden tot vernietiging van de inleidende beschikking, een reden is om de sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen, vindt geen steun in het recht. Schending van de hoorplicht betreft een gebrekkige totstandkoming van de beslissing van de officier van justitie en niet van de inleidende beschikking.
Met betrekking tot de proceskostenvergoeding heeft de kantonrechter overwogen dat daartoe geen grond bestaat, nu de beslissing van de officier van justitie op grond van een formeel gebrek wordt vernietigd en de betrokkene voor het overige in het ongelijk wordt gesteld. Het hof overweegt dat in het geval de kantonrechter, met de vernietiging van de beslissing van de officier van justitie, de gemachtigde (gedeeltelijk) in het gelijk heeft gesteld, als uitgangspunt heeft te gelden dat aanleiding bestaat voor inwilliging van het verzoek om een vergoeding van de proceskosten.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:3973” verder

ECLI:NL:CRVB:2015:2800

De Raad stelt voorop dat het mogelijk is om in (hoger) beroep te komen uitsluitend tegen de beslissing over de vergoeding van proceskosten. Zie ECLI:NL:CRVB:2011:BU4522.
Het feit dat de gemachtigde procedeert op basis van ‘no cure no pay’ en dat betrokkene ermee heeft ingestemd dat een eventuele proceskostenvergoeding aan zijn gemachtigde wordt uitbetaald, betekent niet dat in een dergelijk geval een procesbelang voor de betrokkene ontbreekt. Aan toekenning van een vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand staat immers niet in de weg dat die bijstand is verleend op basis van ‘no cure no pay’. Uitgangspunt van het in het Bpb opgenomen forfaitaire vergoedingsstelsel is dat voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand kosten in rekening worden gebracht. Nu sprake is van een forfaitair stelsel, is de hoogte van de werkelijk in rekening gebrachte kosten voor de beantwoording van de vraag of een tegemoetkoming in de gemaakte proceskosten moet worden toegekend, niet relevant.
De rechtbank heeft voor alle proceshandelingen het gewicht van de zaak als gemiddeld aangemerkt, maar het bijwonen van de zitting als licht (factor 0,25). Dit oordeel heeft de rechtbank niet gemotiveerd. Anders dan de rechtbank, ziet de Raad geen aanleiding om in dit geval een andere wegingsfactor dan gemiddeld te hanteren met betrekking tot het bijwonen van de zitting.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2015:2800” verder

ECLI:NL:RVS:2014:4129

De in artikel 13, eerste lid, van Boek 3 van het BW neergelegde regel dat een bevoegdheid niet kan worden ingeroepen voor zover deze wordt misbruikt, vindt ingevolge artikel 15 van Boek 3 van het BW ook toepassing buiten het vermogensrecht. Voor het niet-ontvankelijk verklaren van een bij een rechter ingesteld rechtsmiddel wegens misbruik van recht zijn zwaarwichtige gronden vereist, aangezien met de niet-ontvankelijkverklaring de betrokkene in feite het recht op toegang tot de rechter wordt ontzegd.
Voor het procesgedrag kan geen andere plausibele verklaring worden gevonden dan het oogmerk om ten laste van de overheid dwangsommen en proceskostenvergoedingen te incasseren.

Lees “ECLI:NL:RVS:2014:4129” verder

ECLI:NL:RVS:2014:967

Als uitgangspunt geldt dat, in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. De Belastingdienst/Toeslagen heeft in dit geval in beroep weliswaar een uitdraai uit het Eldoc-systeem overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat op 9 januari 2012 een brief aan de gemachtigde met het besluit op bezwaar is aangemaakt maar, anders dan in de door hem in het verweerschrift aangehaalde zaak (ECLI:NL:RVS:2012:BV2442), geen printafdrukken overgelegd uit een postregistratiesysteem of een verzendadministratie, noch enig ander stuk waarmee hij de verzending van de brief van 9 januari 2012 aannemelijk heeft gemaakt.

Lees “ECLI:NL:RVS:2014:967” verder

ECLI:NL:GHAMS:2013:4500

Noch de tekst van de (bijlage bij) het Besluit proceskosten bestuursrecht, noch de toelichting ervan bieden een aanknopingspunt voor een differentiatie van de toe te passen wegingsfactor binnen één fase in de procedure. Ook de systematiek van het Besluit verzet zich hiertegen. Onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2013:BZ6822, verwerpt het Hof de stelling van de heffingsambtenaar dat er geen aanleiding bestaat voor het toekennen van een kostenvergoeding voor het taxatierapport omdat de gemachtigde op basis van het ‘no-cure-no-paybeginsel’ werkt. Het standpunt van de heffingsambtenaar dat bij de toekenning van punten onder het Besluit per proceshandeling bekeken dient te worden welke partij in welk stadium in het gelijk wordt gesteld, is niet gebaseerd op enige rechtsregel.

Lees “ECLI:NL:GHAMS:2013:4500” verder

ECLI:NL:RVS:2013:BZ3975

Besluit waarbij verweerder een deel van de door appellant op grond van de Wob verzochte documenten heeft verstrekt, waaronder een akte van aanstelling. Naar aanleiding van het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift is bij besluit alsnog een ontbrekend stuk, een wijzigingsbesluit, verstrekt onder toekenning van een proceskostenvergoeding met de wegingsfactor “zeer licht” (0,25). De Afdeling overweegt dat nu het primaire besluit niet strekt tot openbaarmaking van het wijzigingsbesluit, dient dit besluit te worden aangemerkt als een weigering het wijzigingsbesluit openbaar te maken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, kan het in bezwaar alsnog verstrekken van dit document niet anders worden aangemerkt dan als een openbaarmaking in de zin van de Wob. Het geschil was gelet hierop inhoudelijk van aard. De Afdeling is van oordeel dat de behandeling van een zaak in de bezwaar- en beroepsprocedure in beginsel behoort tot de categorie gemiddeld, tenzij er duidelijke redenen zijn hiervan af te wijken. Van dergelijke redenen is in de voorliggende zaak niet gebleken.

Lees “ECLI:NL:RVS:2013:BZ3975” verder

ECLI:NL:HR:2012:BX0904

De werkzaamheden van een taxateur dienen te worden aangemerkt als van bijzondere aard. De mate waarin dergelijke werkzaamheden van bijzondere aard zijn, wordt vooral bepaald door de aard van de te taxeren onroerende zaak. Naarmate de taxatie van een object naar haar aard complexer is, kan toepassing van een hoger uurtarief gerechtvaardigd zijn. Toepassing van het maximale uurtarief komt eerst in aanmerking indien het object van dien aard is dat de taxatie daarvan zeer complex is. Niet de hoogte van het in rekening gebrachte, of in de markt gangbare, uurtarief maatgevend, maar de aard van de werkzaamheden wordt bepaald door de aard van het te taxeren object. Het oordeel van het Hof dat de werkzaamheden van de taxateur niet van bijzondere aard zijn, van een onjuiste rechtsopvatting uitgaat, kan echter niet tot cassatie leiden. In het oordeel van het Hof dat aan belanghebbende een kostenvergoeding ter zake van het taxatierapport kan worden toegekend tegen een uurtarief van € 50 inclusief omzetbelasting, ligt besloten dat de werkzaamheden voor de taxatie van een woning, niet in die mate van bijzondere aard zijn dat de vergoeding moet worden gebaseerd op een ander uurtarief dan € 50 inclusief btw. De vaststelling van de hoogte van de vergoeding voor een taxatieverslag blijkt in de praktijk in procedures over de toepassing van de Wet WOZ regelmatig aanleiding te geven tot geschillen. In aanmerking genomen dat de beslissing over het te hanteren uurtarief vooral van feitelijke aard is, is het wenselijk dat de gerechten in feitelijke instantie beleid ontwikkelen voor een uniforme toepassing van bij de vaststelling van een vergoeding te hanteren uurtarieven. Deze zullen zich moeten richten naar de aard van de te taxeren objecten.

Lees “ECLI:NL:HR:2012:BX0904” verder

ECLI:NL:CBB:2012:BV0842

Het College stelt in dit verband voorop dat appellanten in een procedure als de onderhavige geen rechten kunnen ontlenen aan het bepaalde in artikel 6 van het EVRM, aangezien deze procedure wat betreft appellanten geen betrekking heeft op enig burgerlijk recht of burgerlijke verplichting, maar op het algemeen belang dat gemoeid is met openbaarmaking van de aan de orde zijnde gegevens. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Sedert de ontvangst van het bezwaarschrift van appellanten, is ten tijde van deze uitspraak van het College bijna zes jaar en negen maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door verweerder twee jaar en drie maanden geduurd en heeft de behandeling van het beroep door het College, vanaf de ontvangst van het beroepschrift, ruim vier jaar en vijf maanden geduurd.

Lees “ECLI:NL:CBB:2012:BV0842” verder

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4029

Bij besluit heeft het Uwv appellantes bezwaar tegen het besluit van 13 oktober 2004 alsnog gegrond verklaard. Besloten is het recht op WW-uitkering te laten herleven over de periode van 7 oktober 2004 tot en met 23 mei 2005 en te zullen nabetalen. De Raad stelt vast dat met het nadere besluit geheel aan appellantes bezwaren is tegemoet gekomen, zodat appellante geen belang meer heeft bij de beoordeling van haar hoger beroep. De Raad zal dit hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. De behandeling van het hoger beroep door de Raad heeft vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift tot deze uitspraak vijf jaar en bijna vier maanden geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn is geschonden door de Raad. In de vervolgprocedure kan worden bezien in hoeverre een verlenging van de behandelingsduur in hoger beroep gerechtvaardigd is door de prejudiciële vraagstelling aan het HvJ EU.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2011:BR4029” verder

ECLI:NL:CBB:2010:BN6785

Productschap Tuinbouw heeft appellanten niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaar, gericht tegen een aantal opgelegde naheffingen voor boomkwekerijproducten over de jaren 1998 tot en met 2002. Bezwaartermijn is overschreden en is niet verschoonbaar. Appellanten zijn terecht niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaar. De vraag of de redelijke termijn bij de behandeling van een geschil is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van partijen gedurende de gehele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellanten. Het College stelt vast dat de behandeling van het bezwaar en beroep in de onderhavige zaak – te rekenen vanaf de dag van ontvangst van het bezwaarschrift tot de dag van uitspraak van het College – bijna vijf jaar en acht maanden heeft geduurd, hetgeen een overschrijding van de redelijke termijn van bijna 2 jaar en acht maanden betekent.

Lees “ECLI:NL:CBB:2010:BN6785” verder

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0790

De Raad stelt vast dat het Uwv het hoger beroep heeft ingetrokken en dat betrokkene heeft verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten in beroep en in hoger beroep. De Raad constateert verder dat, nu het Uwv blijkens de aangevallen uitspraak reeds door de rechtbank is veroordeeld tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg, hier nog slechts de in hoger beroep gemaakte kosten ter beoordeling staan. De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten. De in verband met het hoger beroep door de gemachtigde van betrokkene gemaakte reiskosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu betrokkene zelf niet aanwezig is geweest bij de zitting van 5 november 2008 en het Bpb niet voorziet in vergoeding van de door een professionele gemachtigde gemaakte reiskosten. Met betrekking tot het namens betrokkene gedane verzoek om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente overweegt de Raad dat artikel 21a van de Beroepswet niet de mogelijkheid biedt in hoger beroep, nadat het bestuursorgaan het hoger beroep heeft ingetrokken, toepassing te geven aan artikel 8:73 van de Awb.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0790” verder

ECLI:NL:CBB:2009:BJ2560

In zaken waarin de rechtmatigheid van maatregelen in verband met de uitbraak van een besmettelijke dierziekte aan de orde is, is naar het oordeel van het College in beginsel een totale lengte van de procedure – voor de behandeling van het bezwaar en vervolgens het beroep bij het College – van drie jaren nog redelijk te achten. Hierbij is ervan uitgegaan dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar in beslag neemt. In het geval van appellant is duidelijk dat deze termijn ruimschoots is overschreden. In aanmerking genomen dat hier prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie, gaat om vragen waarvan de beantwoording ook in het geval van appellant relevant was en appellant met deze aanhouding heeft ingestemd dient de met deze aanhouding gemoeide periode bij de vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn buiten beschouwing te worden gelaten.

Lees “ECLI:NL:CBB:2009:BJ2560” verder

ECLI:NL:RVS:2009:BI9696

De Afdeling heeft blijkens haar uitspraak van 5 juli 2006 afgezien van een inhoudelijke behandeling van het verzoek wegens het ontbreken van gegevens en bescheiden. Nu de Afdeling toen ook geen toepassing heeft gegeven aan artikel 8:73, tweede lid, van de Awb en het onderzoek niet heeft heropend, staat de eerdere afwijzing van het verzoek er in dit geval niet aan in de weg alsnog een zelfstandig verzoek om schadevergoeding kan indienen, voorzien van gegevens en bescheiden. Nu de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 juni 2007 evenwel terecht ongegrond heeft verklaard, ziet de Afdeling geen aanleiding tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Het college heeft eveneens terecht geen aanleiding gezien tot vergoeding van immateriële schade wegens schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

Lees “ECLI:NL:RVS:2009:BI9696” verder

ECLI:NL:CRVB:2009:BI8287

De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM vangt aan op het moment dat er een standpunt van het bestuursorgaan ligt, waarvan duidelijk is dat de betrokkene dit wil aanvechten. Doorgaans zal dit zijn op het moment waarop een bezwaarschrift wordt ingediend. De Raad ziet geen aanleiding in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken. Weliswaar is de onderhavige procedure in het kader van de ZW beïnvloed door de WAO-procedure, maar het betreft toch afzonderlijke procedures ten aanzien van verschillende wetten en betrekking hebbend op andere tijdvakken. Op grond van de rechtspraak van het EHRM vereist de behandeling van – onder andere – socialezekerheidszaken bijzondere aandacht. Doorgaans zal geen sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn, indien de fase van bezwaar en beroep gezamenlijk niet langer dan twee jaar heeft geduurd. De Raad ziet in het voorliggende geval geen aanleiding van deze termijn af te wijken.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2009:BI8287” verder

ECLI:NL:RVS:2008:BG5910

Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vallen procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen buiten het bereik van artikel 6 van het EVRM. Aangezien het geschil over de vergoeding van de door appellante gemaakte proceskosten is te herleiden tot de weigering aan haar een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, kan het verzoek tot vergoeding van immateriële schade niet op deze verdragsbepaling worden gebaseerd. Hoewel de procedure thans bijna zeven jaar duurt, is in dit geval niet aannemelijk dat appellante door dat tijdsverloop zodanige spanning en frustratie heeft ondervonden, dat deze grond opleveren voor een financiële genoegdoening. Daartoe is redengevend dat het geschil louter op vergoeding van proceskosten betrekking heeft en appellante klaarblijkelijk geen belang had bij spoedige voldoening daarvan, omdat, zoals ter zitting is verklaard, zij op advies van haar gemachtigde gedurende de gehele periode voor de indiening van het beroepschrift niet heeft gerappelleerd ten einde een zo hoog mogelijk bedrag aan vertragingsrente te kunnen genereren.

Lees “ECLI:NL:RVS:2008:BG5910” verder

ECLI:NL:CRVB:2008:BG5163

Met ingang van 8 november 2001 is aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Bij besluit van 3 juni 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 4 augustus 2004 ingetrokken. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en bijna vijf maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank en van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het beroepschrift bij de rechtbank op in totaal drie jaar en vier maanden geduurd. Van de gezamenlijke behandelingsduur door de rechtbank en de Raad kan derhalve niet worden gezegd dat daarmee de redelijke termijn is overschreden.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2008:BG5163” verder

ECLI:NL:RVS:2008:BD8321

Uitgangspunt van het in de bijlage bij het besluit opgenomen forfaitaire vergoedingsstelsel en in de jurisprudentie is dat voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand kosten in rekening worden gebracht. Nu sprake is van een forfaitair stelsel is voorts de hoogte van de werkelijk in rekening gebrachte kosten voor de beantwoording van de vraag of een tegemoetkoming in de gemaakte proceskosten moet worden toegekend, niet relevant. Evenmin is het aan de rechter om te treden in de beoordeling van de ter zake door de betrokkene en de gemachtigde gemaakte afspraken. Dit oordeel sluit aan bij het gestelde in de Nota van toelichting bij het Besluit (Stb. 1993, 763), dat de regeling “een eenvoudige regeling die de justitiabele zekerheid geeft en de taak van de bestuursrechter niet onnodig verzwaart” is. Het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is onjuist. Dat de gemachtigde van [appellante] het verzoek om openbaarmaking opzettelijk bij de verkeerde administratieve eenheid heeft ingediend – wat daar van zij – vormt geen grond voor een andersluidend oordeel. Dat het verzoek niet intern is doorgestuurd naar de eenheid die belast is met de behandeling van verzoeken als de onderhavige, ligt immers in de risicosfeer van de minister.

Lees “ECLI:NL:RVS:2008:BD8321” verder

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7537

Arbeidsdeskundige heeft op 12 april 2000 in een brief medegedeeld dat hij tot de conclusie gekomen dat het verlies aan verdienvermogen minder dan 15% bedraagt. In deze brief staat vermeld dat appellante pas bezwaar kan maken als zij hieromtrent een officiële beslissing van het Uwv heeft ontvangen. De gemachtigde heeft bij brieven van 25 juli 2000, 9 juli 2001, 26 maart 2002 en 26 augustus 2004 verzocht om een beslissing. Uiteindelijk heeft het Uwv bij besluit van 6 september 2004 medegedeeld dat appellante vanaf 29 mei 1999 geen recht heeft op een uitkering op grond van de WAO. Naar vaste jurisprudentie van de Raad vangt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM aan als op zijn minst gesproken kan worden van een geschil tussen partijen. Over het algemeen zal dat zijn op het moment dat een bezwaarschrift wordt ingediend tegen het primaire besluit of, in voorkomende gevallen, tegen het uitblijven daarvan. In de bijzondere omstandigheden van dit geval is de Raad van oordeel dat de redelijke termijn is aangevangen met de brief van de gemachtigde van 25 juli 2000.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2008:BC7537” verder

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1549

De Raad overweegt in de eerste plaats dat in de uitspraak van de rechtbank van 21 december 2004 de grieven van appellante met betrekking tot de medische grondslag van het besluit van 9 oktober 2003 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen. Dit betekent dat, nu appellante tegen deze uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld, volgens vaste rechtspraak van de Raad – verwezen wordt naar bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 1 maart 2005 – van de juistheid van die grondslag moet worden uitgegaan en deze grieven, zoals ook de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft geoordeeld, thans niet meer ter beoordeling staan. Dit kan uitzondering lijden in het hier zich niet voordoende geval dat er sedert de uitspraak van 21 december 2004 nieuwe medische gegevens naar voren zijn gekomen die een ander licht werpen op de gezondheidstoestand van appellante, zoals die in die uitspraak is beoordeeld.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2008:BC1549” verder

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5954

De Raad heeft als hoofdregel neergelegd dat in gevallen waarin dat praktisch mogelijk is bij de bepaling van het maatmaninkomen van een zelfstandige, in beginsel dient te worden uitgegaan van de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de laatste drie boekjaren voorafgaande aan het jaar van intreden van de arbeidsongeschiktheid. Naar de Raad vaker heeft overwogen, stoelt die hoofdregel op de wenselijkheid, gezien de veelal wisselende inkomsten van een zelfstandige, de representativiteit van het maatmaninkomen te vergroten en het telkenmale voeren van discussies over allerlei min of meer arbitraire aspecten te voorkomen. Een andersluidende vaststelling van genoemde referteperiode kan aangewezen zijn indien daarvoor praktische gronden bestaan. Hiervan afgezien zal echter binnen de grenzen van de redelijkheid aan genoemde periode van drie jaar dienen te worden vastgehouden. Ruimte voor afwijking is er dan ook slechts in zeer bijzondere gevallen, waarin evident is dat de in de referteperiode geen reële afspiegeling vormt van de verdiencapaciteit als gezonde zelfstandige.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2007:BA5954” verder