ECLI:NL:RVS:2012:BY5083

Gedeeltelijke afwijzing Wob-verzoek appellant aan afdelingshoofd om toezending van stukken die betrekking hebben op een aan hem opgelegde naheffingsaanslag. Parkstad Limburg is een samenwerkingsverband tussen de gemeente Heerlen en zeven andere Limburgse gemeenten. Het is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam dat is ingesteld met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Het afdelingshoofd is bij besluit door het dagelijks bestuur van Parkstad Limburg aangewezen als gemeenteambtenaar, als bedoeld in de Gemeentewet. Het afdelingshoofd is een bestuursorgaan als bedoeld in de Awb. Het afdelingshoofd heeft uiteengezet dat aan de GBRD de heffing en invordering van de gemeentelijke belastingen ten behoeve van de gemeenten binnen het samenwerkingsverband Parkstad Limburg zijn opgedragen. In een dienstverleningsovereenkomst is vastgelegd op welke wijze de GBRD deze taken moet uitvoeren. Aangezien het afdelingshoofd zich bij de uitvoering van deze taken naar de opdracht van de betrokken gemeenten dient te richten, is hij een onder verantwoordelijkheid van deze gemeenten werkzaam bestuursorgaan, als bedoeld in de Wob. Het afdelingshoofd heeft zich terecht bevoegd geacht een besluit te nemen op het verzoek van appellant om openbaarmaking van de gevraagde stukken, die zich bij de GBRD bevinden. Dat het college, als het verantwoordelijke bestuursorgaan, eveneens op dat verzoek mocht beslissen, doet aan de bevoegdheid van het afdelingshoofd niet af.

“ECLI:NL:RVS:2012:BY5083” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2012:BX1061

Ingevolge de Flora- en faunawet zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet onder meer de bij besluit van het college aangewezen ambtenaren belast. Door deze attributie van de toezichthoudende bevoegdheid zijn de toezichthouders op grond van de Awb weliswaar zelf een bestuursorgaan, maar werken zij in dit verband onder verantwoordelijkheid van het college. Dat de toezichthouders in dienst zijn van de provincie Gelderland laat deze verantwoordelijkheidsrelatie onverlet.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, verzetten de bepalingen van de Wob zich er niet tegen dat een bestuursorgaan, onder wiens verantwoordelijkheid een ander bestuursorgaan werkzaam is, bevoegd is om op een Wob-verzoek te beslissen, indien de informatie waarom is verzocht in documenten bij het ondergeschikte orgaan berust.

“ECLI:NL:RVS:2012:BX1061” verder lezen

ECLI:NL:CBB:2012:BV0842

Het College stelt in dit verband voorop dat appellanten in een procedure als de onderhavige geen rechten kunnen ontlenen aan het bepaalde in artikel 6 van het EVRM, aangezien deze procedure wat betreft appellanten geen betrekking heeft op enig burgerlijk recht of burgerlijke verplichting, maar op het algemeen belang dat gemoeid is met openbaarmaking van de aan de orde zijnde gegevens. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Sedert de ontvangst van het bezwaarschrift van appellanten, is ten tijde van deze uitspraak van het College bijna zes jaar en negen maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door verweerder twee jaar en drie maanden geduurd en heeft de behandeling van het beroep door het College, vanaf de ontvangst van het beroepschrift, ruim vier jaar en vijf maanden geduurd.

“ECLI:NL:CBB:2012:BV0842” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2010:BM8823

Bij onderscheiden besluiten heeft de staatssecretaris boetes opgelegd van totaal € 312.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Appellant heeft betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. Het beroep is gegrond. De boetekennisgevingen dateren van 7 augustus 2006. De rechtbank heeft op 30 september 2009 uitspraak gedaan. Op dat moment was de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 van het EVRM met meer dan zes maanden overschreden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, ligt bij een zodanige overschrijding een vermindering van de boete met 10%, met een maximum van € 2.500,00, in de rede. Naast deze vermindering is voor schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 van de Awb wegens overschrijding van de redelijke termijn geen plaats.

“ECLI:NL:RVS:2010:BM8823” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2010:BM3243

Bij besluit heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een boete opgelegd van € 8000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Dat appellante het transport en de distributie van de haar uitgegeven dagbladen heeft uitbesteed en feitelijk niet in staat is om te controleren of de Wav wordt nageleefd, laat onverlet dat het op haar weg ligt om de nodige maatregelen te treffen teneinde overtreding van de Wav te voorkomen. De redelijke termijn was op het moment van het doen van uitspraak overschreden. De rechtbank heeft op 14 juli 2009 uitspraak gedaan. Op dat moment was de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 van het EVRM met meer dan zes maanden overschreden. Bij een zodanige overschrijding ligt een vermindering van de boete met 10%, met een maximum van € 2.500,00, in de rede. Naast deze vermindering is voor schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 van de Awb wegens overschrijding van de redelijke termijn geen plaats.

“ECLI:NL:RVS:2010:BM3243” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2010:BL7835

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 1 en 2 van de Wav blijkt dat diegene die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten vergunningplichtig werkgever is en dat deze werkgever te allen tijde verantwoordelijk is voor en aanspreekbaar op het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde tewerkstellingsvergunning. Of sprake is van een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding is daarbij niet relevant. Het feit dat in opdracht of ten dienste van een werkgever arbeid wordt verricht is voor het feitelijk werkgeverschap reeds voldoende. Volgens de boeterapporten hebben de uitgevers het distributiebedrijf opdracht gegeven de door hen uitgegeven dagbladen te verspreiden. Uitgevers van dagbladen moeten worden aangemerkt als werkgever in de zin van de Wav ten aanzien van een bezorger van het door haar uitgegeven dagblad. De minister heeft in redelijkheid de in de beleidsregels opgenomen boetenormbedragen kunnen vaststellen, zodat hij deze bij de vaststelling van de hoogte van de boete als uitgangspunt dient te nemen.

“ECLI:NL:RVS:2010:BL7835” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2009:BI4562

Ten tijde van de controle op 30 juni 2005 bestonden dienstbetrekkingen tussen Paradigm en de vreemdelingen. Voor zover de minister heeft betoogd dat het begrip ‘hoofdactiviteit’ inhoudt dat de vreemdelingen na terugkeer in Polen deze dienstbetrekkingen bij Paradigm moeten voortzetten, kan dit betoog niet worden gevolgd. In dit verband is van belang dat Paradigm onbetwist heeft gesteld dat het in Polen gebruikelijk is om personen in dienst te nemen per uit te voeren opdracht. Voorts is van belang dat blijkt dat een dergelijke uitleg sterk de terbeschikkingstelling bemoeilijkt van werknemers voor het verrichten van diensten in sectoren waarin wegens de bijzondere kenmerken van de betrokken activiteiten vaak overeenkomsten voor korte tijd of voor een bepaald werk worden gesloten. De rechtbank heeft dan ook, door te overwegen dat niet slechts het na de dienstverrichting werkzaam zijn bij Paradigm in Polen als hoofdactiviteit kan worden aangemerkt doch dat dit ook het verrichten van andere activiteiten kan omvatten, geen onjuiste uitleg aan het begrip ‘hoofdactiviteit’ gegeven.

“ECLI:NL:RVS:2009:BI4562” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2009:BH9243

Bij besluit van 18 september 2006 heeft de Raad voor Rechtsbijstand ‘s-Gravenhage (hierna: de Raad voor Rechtsbijstand) een aanvraag van de vereniging ‘Vereniging Surinaamse Nederlanders’ (hierna: de VSN) om gesubsidieerde rechtsbijstand afgewezen. Anders dan de VSN betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat artikel 12, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wrb op haar van toepassing is. Nu de VSN ingevolge haar statuten de in het eerste lid vermelde doeleinden mede beoogt te bereiken door het optreden als procespartij of als procesgemachtigde, is de Afdeling, evenals de rechtbank, van oordeel dat de VSN mede is opgericht voor het voeren van gerechtelijke procedures. Een rechtspersoon kan slechts bij uitzondering aanspraak maken op van overheidswege gefinancierde rechtsbijstand.

“ECLI:NL:RVS:2009:BH9243” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2008:BG8294

De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant. Sedert de ontvangst door het college van het bezwaarschrift zijn ten tijde van deze uitspraak van de Afdeling elf jaar en ruim twee maanden verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden. Niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De Afdeling zal, uitgaande van een tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden.

“ECLI:NL:RVS:2008:BG8294” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2008:BG5910

Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vallen procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen buiten het bereik van artikel 6 van het EVRM. Aangezien het geschil over de vergoeding van de door appellante gemaakte proceskosten is te herleiden tot de weigering aan haar een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, kan het verzoek tot vergoeding van immateriële schade niet op deze verdragsbepaling worden gebaseerd. Hoewel de procedure thans bijna zeven jaar duurt, is in dit geval niet aannemelijk dat appellante door dat tijdsverloop zodanige spanning en frustratie heeft ondervonden, dat deze grond opleveren voor een financiële genoegdoening. Daartoe is redengevend dat het geschil louter op vergoeding van proceskosten betrekking heeft en appellante klaarblijkelijk geen belang had bij spoedige voldoening daarvan, omdat, zoals ter zitting is verklaard, zij op advies van haar gemachtigde gedurende de gehele periode voor de indiening van het beroepschrift niet heeft gerappelleerd ten einde een zo hoog mogelijk bedrag aan vertragingsrente te kunnen genereren.

“ECLI:NL:RVS:2008:BG5910” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2008:BC5807

De Afdeling leidt uit diverse arresten van het HvJ af dat beperking van de vrijheid van dienstverrichting door middel van nationale maatregelen slechts in bepaalde omstandigheden gerechtvaardigd kan zijn. Een dergelijke beperking moet worden gerechtvaardigd door de bescherming van een algemeen belang en moet proportioneel zijn. Uit deze jurisprudentie blijkt voorts dat nationale maatregelen – zoals de eis van een tewerkstellingsvergunning – ter controle of het vrij verkeer van diensten niet wordt gebruikt voor een ander doel dan de betrokken dienst zelf – zoals de omzeiling van de beperkingen op het vrij verkeer van werknemers – in ieder geval niet tot gevolg mogen hebben dat het vrij verkeer van diensten illusoir wordt. Daarnaast mag volgens het HvJ EG de uitoefening van de vrijheid van dienstverrichting niet aan de beoordelingsvrijheid van de administratie onderworpen zijn.

“ECLI:NL:RVS:2008:BC5807” verder lezen

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1549

De Raad overweegt in de eerste plaats dat in de uitspraak van de rechtbank van 21 december 2004 de grieven van appellante met betrekking tot de medische grondslag van het besluit van 9 oktober 2003 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen. Dit betekent dat, nu appellante tegen deze uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld, volgens vaste rechtspraak van de Raad – verwezen wordt naar bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 1 maart 2005 – van de juistheid van die grondslag moet worden uitgegaan en deze grieven, zoals ook de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft geoordeeld, thans niet meer ter beoordeling staan. Dit kan uitzondering lijden in het hier zich niet voordoende geval dat er sedert de uitspraak van 21 december 2004 nieuwe medische gegevens naar voren zijn gekomen die een ander licht werpen op de gezondheidstoestand van appellante, zoals die in die uitspraak is beoordeeld.

“ECLI:NL:CRVB:2008:BC1549” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2007:BA6496

Bij besluiten van 6 februari 2001 is namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de toekenning van huursubsidie herzien en de teveel toegekende huursubsidie teruggevorderd. Bij overschrijding van de redelijke termijn voor het nemen van een besluit, behoudens bijzondere omstandigheden, worden spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade verondersteld. In aanmerking genomen dat het aandeel van de Minister in de overschrijding van de redelijke termijn 2,5 jaar bedraagt, acht de Afdeling het oordeel van de rechtbank dat de Staat der Nederlanden wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 2.500,00 gelet op het vorenstaande niet onjuist.

“ECLI:NL:RVS:2007:BA6496” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2006:AW3998

Naar het oordeel van de Afdeling had het college daarin aanleiding moeten zien het besluit van 23 november 2004 te herroepen. In het kader van artikel 7:15 van de Awb moet worden onderzocht of de herroeping het gevolg is van een aan het college te wijten onrechtmatigheid. De Afdeling is van oordeel dat reeds uit de besluiten blijkt dat voor de aanvankelijke weigering om enig stuk openbaar te maken geen grondslag aanwezig was. Hoewel het oorspronkelijke verzoek van appellant voldeed aan de vereisten zoals die ingevolge artikel 3 van de Wob aan verzoeken om informatie worden gesteld, zijn eerst naar aanleiding van het bezwaar van appellant bepaalde stukken verstrekt. Gelet op het vorenstaande moet worden geoordeeld dat het besluit van 23 november 2004 onrechtmatig is.

“ECLI:NL:RVS:2006:AW3998” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2005:AT7485

De Wob wijkt als algemene openbaarmakingsregeling voor bijzondere openbaarmakingsregelingen met een uitputtend karakter, neergelegd in wetten in formele zin. Zo’n regeling is uitputtend, indien zij ertoe strekt te voorkomen dat door toepassing van de Wob afbreuk zou worden gedaan aan de goede werking van materiële bepalingen in de bijzondere wet.
Ten aanzien van de documenten met betrekking tot de kwalificatie van de betrokken opsporingsambtenaar is overwogen dat deze gegevens bestuurlijke aangelegenheden zijn in de zin van de Wob

“ECLI:NL:RVS:2005:AT7485” verder lezen

ECLI:NL:HR:2001:ZC3635

Het Hof heeft geoordeeld dat de dwangbevelen wegens het daaraan klevende formele gebrek weliswaar niet als geldig kunnen worden beschouwd, maar dat met overeenkomstige toepassing van art. 8:72 lid 3 Awb de rechtsgevolgen van die besluiten in stand kunnen blijven. Voor zover onderdeel 2 dit oordeel als onjuist bestrijdt, is het gegrond. Het onderdeel kan evenwel niet tot cassatie leiden, omdat in hetgeen het Hof heeft overwogen besloten ligt dat Kora niet is benadeeld door het aan het dwangbevel klevende formele gebrek. Derhalve moet worden aangenomen dat, in overeenstemming met het beginsel dat ten grondslag ligt aan art. 6:22 Awb, dit gebrek niet tot nietigheid van het dwangbevel leidt. Aldus overwegende heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Met name vloeit, anders dan het middel wil, uit het karakter van een dwangbevel als executoriale titel niet voort dat de omstandigheid dat een mandaat niet schriftelijk is verleend, voor de toepassing van art. 90 Rv. een niet te helen nietigheid oplevert.

“ECLI:NL:HR:2001:ZC3635” verder lezen