ECLI:NL:RVS:2010:BM5620

Ingevolge artikel 8:69 van de Awb doet de rechtbank uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting. Dat appellant zich hierover niet heeft kunnen uitlaten omdat hij noch een gemachtigde ter zitting is verschenen, komt voor zijn eigen risico. Nu artikel 6:13 van de Awb noch een andere rechtsregel er aan in de weg staat dat in beroep nieuwe gronden tegen een besluit worden aangevoerd, heeft de rechtbank ten onrechte deze eerst in beroep aangevoerde gronden buiten beschouwing gelaten. De bij de rechtbank ingediende nadere memorie moet worden aangemerkt als een nader stuk als bedoeld in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb en is het stuk niet opgenomen als proceshandeling in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. Als vergoeding voor de schending van de redelijke termijn geleden immateriële schade wordt uitgegaan van € 500,00 per half jaar.

Lees “ECLI:NL:RVS:2010:BM5620” verder

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2551

De redelijke termijn is gaan lopen op het moment van ontvangst van het bezwaar tegen het besluit. Ten tijde van de uitspraak van de rechtbank waren negen jaar en bijna zeven maanden verstreken. De redelijke termijn was met vijf jaar en bijna zeven maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 6.000,–. Nu de rechtbank de Staat tot een schadevergoeding van € 4.000,– en het Uwv tot een schadevergoeding van € 1.000,– heeft veroordeeld, in totaal € 5.000,–, moet worden geconcludeerd dat de rechtbank de schadevergoeding te laag heeft vastgesteld. Ten tijde van deze uitspraak zijn tien jaar en acht maanden verstreken. De redelijke termijn is derhalve met zes jaar en acht maanden overschreden. De toe te kennen schadevergoeding bedraagt thans derhalve € 7.000,–. Met de door de rechtbank aan de Staat opgelegde schadevergoeding van € 4.000,– is het aandeel van de Staat niet onderschat. Er komt derhalve € 3.000,– voor rekening van het Uwv. De Raad zal het Uwv tot deze schadevergoeding veroordelen.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2010:BM2551” verder

ECLI:NL:RVS:2008:BG8294

De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant. Sedert de ontvangst door het college van het bezwaarschrift zijn ten tijde van deze uitspraak van de Afdeling elf jaar en ruim twee maanden verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden. Niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De Afdeling zal, uitgaande van een tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden.

Lees “ECLI:NL:RVS:2008:BG8294” verder

ECLI:NL:RVS:2008:BG5910

Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vallen procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen buiten het bereik van artikel 6 van het EVRM. Aangezien het geschil over de vergoeding van de door appellante gemaakte proceskosten is te herleiden tot de weigering aan haar een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, kan het verzoek tot vergoeding van immateriële schade niet op deze verdragsbepaling worden gebaseerd. Hoewel de procedure thans bijna zeven jaar duurt, is in dit geval niet aannemelijk dat appellante door dat tijdsverloop zodanige spanning en frustratie heeft ondervonden, dat deze grond opleveren voor een financiële genoegdoening. Daartoe is redengevend dat het geschil louter op vergoeding van proceskosten betrekking heeft en appellante klaarblijkelijk geen belang had bij spoedige voldoening daarvan, omdat, zoals ter zitting is verklaard, zij op advies van haar gemachtigde gedurende de gehele periode voor de indiening van het beroepschrift niet heeft gerappelleerd ten einde een zo hoog mogelijk bedrag aan vertragingsrente te kunnen genereren.

Lees “ECLI:NL:RVS:2008:BG5910” verder

ECLI:NL:RVS:2008:BD3121

Volgens de Regeling Nadeelcompensatie Betuweroute kent de minister op verzoek van degene die schade lijdt, of zal lijden, als gevolg van het onherroepelijke Tracébesluit Betuweroute, voorzover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van de verzoeker behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet, of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd. Hiervan is geen toepassing. Sedert de ontvangst door de minister van het bezwaarschrift, is ten tijde van deze uitspraak van de Afdeling ruim vijf jaar en acht maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door de minister ruim negen maanden geduurd, heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank ruim drie jaar en vijf maanden geduurd en heeft de behandeling van het hoger beroep door de Afdeling een jaar en een maand geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn is geschonden door de rechtbank.

Lees “ECLI:NL:RVS:2008:BD3121” verder

ECLI:NL:RVS:2007:BA7097

Bij besluiten heeft de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aanvragen van appellanten om een tegemoetkoming in schade tengevolge van extreem zware regenval geheel dan wel gedeeltelijk afgewezen. Bij de vraag of de redelijke termijn is overschreden, neemt de Afdeling allereerst in aanmerking dat sedert de ontvangst van de bezwaarschriften tegen de besluiten, ten tijde van deze uitspraak van de Afdeling ruim acht jaar is verstreken. Dit grote tijdsverloop is slechts ten dele te verklaren door het gegeven dat de zaak tot tweemaal toe in twee rechterlijke instanties is behandeld. Naar het oordeel van de Afdeling maakte de complexiteit van de zaak het grote tijdsverloop niet onvermijdelijk. Opvallend en door de Minister niet verklaard is voorts het tijdsverloop tussen de uitspraak van de Afdeling en de besluiten van de Minister. Vastgesteld moet worden dat het tijdsverloop niet is veroorzaakt door het procesgedrag van appellanten. Dit samenstel van feiten en omstandigheden leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden.

Lees “ECLI:NL:RVS:2007:BA7097” verder