ECLI:NL:GHLEE:2012:BW8480

Tegen het in rekening brengen van administratiekosten kan in de procedure tegen de oplegging van de administratieve sanctie wèl beroep worden ingesteld. Dat beroep slaagt niet. Nationale en internationale regelgeving staan niet in de weg aan het in rekening brengen van administratiekosten in WAHV-zaken.

Lees “ECLI:NL:GHLEE:2012:BW8480” verder

ECLI:NL:CBB:2012:BV0842

Het College stelt in dit verband voorop dat appellanten in een procedure als de onderhavige geen rechten kunnen ontlenen aan het bepaalde in artikel 6 van het EVRM, aangezien deze procedure wat betreft appellanten geen betrekking heeft op enig burgerlijk recht of burgerlijke verplichting, maar op het algemeen belang dat gemoeid is met openbaarmaking van de aan de orde zijnde gegevens. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Sedert de ontvangst van het bezwaarschrift van appellanten, is ten tijde van deze uitspraak van het College bijna zes jaar en negen maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door verweerder twee jaar en drie maanden geduurd en heeft de behandeling van het beroep door het College, vanaf de ontvangst van het beroepschrift, ruim vier jaar en vijf maanden geduurd.

Lees “ECLI:NL:CBB:2012:BV0842” verder

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4029

Bij besluit heeft het Uwv appellantes bezwaar tegen het besluit van 13 oktober 2004 alsnog gegrond verklaard. Besloten is het recht op WW-uitkering te laten herleven over de periode van 7 oktober 2004 tot en met 23 mei 2005 en te zullen nabetalen. De Raad stelt vast dat met het nadere besluit geheel aan appellantes bezwaren is tegemoet gekomen, zodat appellante geen belang meer heeft bij de beoordeling van haar hoger beroep. De Raad zal dit hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. De behandeling van het hoger beroep door de Raad heeft vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift tot deze uitspraak vijf jaar en bijna vier maanden geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn is geschonden door de Raad. In de vervolgprocedure kan worden bezien in hoeverre een verlenging van de behandelingsduur in hoger beroep gerechtvaardigd is door de prejudiciële vraagstelling aan het HvJ EU.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2011:BR4029” verder

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2125

Het Uwv heeft bijgedragen aan de schending van de redelijke termijn. De behandelingsduur van een half jaar voor de bezwaarfase is langer dan de wettelijke beslistermijn, binnen welke het Uwv zijn besluit had moeten afgeven. Voor de behandeling in hoger beroep kan geen langere behandelingsduur gerechtvaardigd worden geacht in verband met de inschakeling van een deskundige. De behandelingsduren die voor de rechterlijke fase gelden, bieden in het algemeen voldoende ruimte voor het normale verloop van een proces, de inschakeling van een deskundige daaronder begrepen. Slechts onder bijzondere omstandigheden zal een langere behandelingsduur gerechtvaardigd zijn. De overschrijding van de redelijke termijn in de tweede procedure dient niet tot een hogere schadevergoeding te leiden. Zowel de eerste als de tweede procedure had betrekking op appellants recht op een WAO-uitkering, zodat zij in hoofdzaak betrekking hadden op hetzelfde onderwerp. Van extra spanning en frustratie was door de tweede procedure derhalve geen sprake.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2125” verder

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0790

De Raad stelt vast dat het Uwv het hoger beroep heeft ingetrokken en dat betrokkene heeft verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten in beroep en in hoger beroep. De Raad constateert verder dat, nu het Uwv blijkens de aangevallen uitspraak reeds door de rechtbank is veroordeeld tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg, hier nog slechts de in hoger beroep gemaakte kosten ter beoordeling staan. De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten. De in verband met het hoger beroep door de gemachtigde van betrokkene gemaakte reiskosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu betrokkene zelf niet aanwezig is geweest bij de zitting van 5 november 2008 en het Bpb niet voorziet in vergoeding van de door een professionele gemachtigde gemaakte reiskosten. Met betrekking tot het namens betrokkene gedane verzoek om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente overweegt de Raad dat artikel 21a van de Beroepswet niet de mogelijkheid biedt in hoger beroep, nadat het bestuursorgaan het hoger beroep heeft ingetrokken, toepassing te geven aan artikel 8:73 van de Awb.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0790” verder

ECLI:NL:CRVB:2009:BI2044

In een geval waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en – eventueel – een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (het ministerie van Justitie).

Lees “ECLI:NL:CRVB:2009:BI2044” verder

ECLI:NL:CRVB:2009:BI2179

De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. In dit geval betreft het een procedure in twee instanties, te weten bezwaar en beroep. De Raad merkt daarbij de bezwaarfase als een afzonderlijke instantie aan, nu het hier gaat om een in beginsel verplichte procedure voor de behandeling van een tussen partijen bestaand geschil, die moet worden gevolgd alvorens de belanghebbende dit geschil aan de rechter kan voorleggen. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak is bijna 5,5 jaar verstreken. Dit is meer dan 2,5 jaar. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot de datum van het bestreden besluit zijn negen maanden verstreken. In dit geval is echter van een te lange behandelingsduur bij verweerster geen sprake, nu verweerster noodzakelijkerwijs – extern – archiefonderzoek heeft moeten doen, de gemachtigde van appellant na de hoorzitting in het kader van de bezwaarprocedure nog nadere stukken heeft ingezonden en ook anderszins geen sprake is geweest van stilliggen van de bezwaarprocedure.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2009:BI2179” verder

ECLI:NL:RVS:2009:BH4667

De Stichting heeft niet voldaan aan de bij de besluiten tot subsidievaststelling aan haar opgelegde verplichting tot medewerking aan controle, waardoor niet tijdig de rechtmatigheid van de verstrekte subsidies kon worden vastgesteld. Dat voorafgaand aan de vaststelling ook controle heeft plaatsgevonden, betekent niet dat geen nadere controles konden plaatsvinden. De behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep mogen tezamen niet meer dan drie jaar duren en dat een vertraging bij één van beide behandelingen kan worden gecompenseerd door voortvarendheid bij de andere behandeling. De rechtbank mag echter niet anticiperen op een mogelijke voortvarende behandeling van een eventueel tegen haar uitspraak in te stellen hoger beroep en evenmin vanwege de mogelijkheid van hoger beroep zich van een oordeel over de schending van de redelijke termijn onthouden. Ten tijde van de uitspraak van de rechtbank had de procedure van bezwaar en beroep zes jaar en ruim tien maanden geduurd, terwijl deze ten hoogste drie jaren had mogen duren.

Lees “ECLI:NL:RVS:2009:BH4667” verder

ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009

Uit deze jurisprudentie van het EHRM leidt de Raad af dat er ruimte bestaat voor een vergoedingensysteem op nationaal niveau, waarbij niet zonder meer aangesloten behoeft te worden bij de door het EHRM gehanteerde berekeningswijze en de bedragen die het EHRM in gevallen van overschrijding van de redelijke termijn toekent. Heeft de totale procedure langer dan vier jaar geduurd, dan dient vervolgens per instantie te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, waarbij de verschillende instanties in beginsel binnen de volgende termijnen zouden moeten worden afgerond: bezwaar een half jaar, beroep anderhalf jaar en hoger beroep twee jaar. Hierbij geldt dat doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel, als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Is in een of meer instanties sprake van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, dan is er een overschrijding van de redelijke termijn in de procedure als geheel.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009” verder

ECLI:NL:CRVB:2008:BD7033

Het zorgvuldigheidsbeginsel brengt met zich dat alvorens tot intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt overgegaan, de betrokkene op de hoogte dient te worden gesteld van de medische beperkingen die naar het oordeel van het bestuursorgaan voor hem gelden, alsmede van de functies die hij met deze beperkingen zou kunnen vervullen. De voorgehouden functies behoeven niet met de betrokkene te worden besproken. Wel is vereist dat het voor de betrokkene voldoende duidelijk is welke zijn arbeidsmogelijkheden zijn. Na confrontatie met de opvatting dat betrokkene geschikt is voor passende werkzaamheden, dient een uitlooptermijn te worden gegund. Deze confrontatie kan geschieden in een gesprek met de betrokkene. Ook een schriftelijke aanzegging is mogelijk. In het voorliggende geval heeft de aanzegging van de nieuwe, in de bezwaarfase geselecteerde functies alleen aan de gemachtigde van appellant plaatsgevonden. Deze aanzegging kan derhalve niet als startpunt van de uitlooptermijn gelden. Bestuursrechter moet schadevergoeding voor rechterlijke overschrijding redelijke termijn zelf afdoen.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2008:BD7033” verder