ECLI:NL:RVS:2013:1924

Indien het bestuursorgaan prematuur in gebreke is gesteld en het vervolgens de verschuldigdheid van een dwangsom afwijst, is die afwijzing een besluit. Door premature ingebrekestelling heeft de minister geen dwangsom verbeurd.
Het besluit komt wegens strijd met het motiveringsbeginsel voor vernietiging in aanmerking.
De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling heeft het beroep tegen het besluit gegrond verklaard. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 10:5 van de Awb voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarbij het door appellant gemaakte bezwaar tegen de afwijzing van zijn verzoek om betaling van een dwangsom ongegrond is verklaard.

Lees “ECLI:NL:RVS:2013:1924” verder

ECLI:NL:RVS:2012:BX1061

Ingevolge de Flora- en faunawet zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet onder meer de bij besluit van het college aangewezen ambtenaren belast. Door deze attributie van de toezichthoudende bevoegdheid zijn de toezichthouders op grond van de Awb weliswaar zelf een bestuursorgaan, maar werken zij in dit verband onder verantwoordelijkheid van het college. Dat de toezichthouders in dienst zijn van de provincie Gelderland laat deze verantwoordelijkheidsrelatie onverlet.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, verzetten de bepalingen van de Wob zich er niet tegen dat een bestuursorgaan, onder wiens verantwoordelijkheid een ander bestuursorgaan werkzaam is, bevoegd is om op een Wob-verzoek te beslissen, indien de informatie waarom is verzocht in documenten bij het ondergeschikte orgaan berust.

Lees “ECLI:NL:RVS:2012:BX1061” verder

ECLI:NL:RVS:2010:BM5620

Ingevolge artikel 8:69 van de Awb doet de rechtbank uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting. Dat appellant zich hierover niet heeft kunnen uitlaten omdat hij noch een gemachtigde ter zitting is verschenen, komt voor zijn eigen risico. Nu artikel 6:13 van de Awb noch een andere rechtsregel er aan in de weg staat dat in beroep nieuwe gronden tegen een besluit worden aangevoerd, heeft de rechtbank ten onrechte deze eerst in beroep aangevoerde gronden buiten beschouwing gelaten. De bij de rechtbank ingediende nadere memorie moet worden aangemerkt als een nader stuk als bedoeld in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb en is het stuk niet opgenomen als proceshandeling in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. Als vergoeding voor de schending van de redelijke termijn geleden immateriële schade wordt uitgegaan van € 500,00 per half jaar.

Lees “ECLI:NL:RVS:2010:BM5620” verder

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1549

De Raad overweegt in de eerste plaats dat in de uitspraak van de rechtbank van 21 december 2004 de grieven van appellante met betrekking tot de medische grondslag van het besluit van 9 oktober 2003 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen. Dit betekent dat, nu appellante tegen deze uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld, volgens vaste rechtspraak van de Raad – verwezen wordt naar bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 1 maart 2005 – van de juistheid van die grondslag moet worden uitgegaan en deze grieven, zoals ook de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft geoordeeld, thans niet meer ter beoordeling staan. Dit kan uitzondering lijden in het hier zich niet voordoende geval dat er sedert de uitspraak van 21 december 2004 nieuwe medische gegevens naar voren zijn gekomen die een ander licht werpen op de gezondheidstoestand van appellante, zoals die in die uitspraak is beoordeeld.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2008:BC1549” verder

ECLI:NL:RVS:2007:BB7314

Bij besluit heeft het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg een vergunning verleend voor het kappen van twee bomen. Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb overweegt de Afdeling dat het college met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het door [appellant] gemaakte bezwaar dient te nemen. Niet zeker is hoe dat besluit zal luiden. Het is derhalve thans niet mogelijk om vast te stellen of en, zo ja, in welke omvang door appellant schade is geleden ten gevolge van het bij deze uitspraak vernietigde besluit. De Afdeling zal daarom het verzoek om schadevergoeding afwijzen.

Lees “ECLI:NL:RVS:2007:BB7314” verder

ECLI:NL:RVS:2007:BB4317

Het college van B&W heeft een bouwvergunning en vrijstelling verleend voor het uitbreiden van een garage/werkplaats. De luifel vormt een onverbrekelijk geheel met (de rest van) het gebouw. Het bouwplan dient derhalve als één geheel aan de maatstaven van de Woningwet te worden getoetst. Voorts bevindt de luifel zich buiten de bebouwingsstrook. Nu het bouwplan ook op dit punt in strijd is met het bestemmingsplan, had het college het besluit moeten herroepen en de aanvraag om bouwvergunning voor het bouwplan geheel moeten afwijzen of de bij besluit verleende bouwvergunning in stand moeten laten met verlening van vrijstelling voor zowel de overschrijding van het bebouwingsvlak aan de achterzijde van de garage als voor de overschrijding van de bebouwingsstrook aan de voorzijde van de garage. Een nadere memorie moet worden aangemerkt als een nader stuk als bedoeld in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb. Het indienen van een dergelijk stuk is echter niet opgenomen als proceshandeling in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht en kan daarom geen betrekking hebben op de veroordeling in de kosten voor verlening van rechtsbijstand aan appellant in die zaak.

Lees “ECLI:NL:RVS:2007:BB4317” verder

ECLI:NL:RVS:2007:BA7572

De regels uit de Vw 2000 op grond waarvan de vreemdeling recht had op de verblijfsvergunning die haar uiteindelijk ook is verleend, hebben tot doel haar een recht op bestendig verblijf in Nederland te verlenen en strekken niet tot bescherming van vermogenrechtelijke belangen van de vreemdeling. Weliswaar stelt de vergunningverlening de vreemdeling in staat hier te lande een bestaan op te bouwen, omdat het recht in Nederland in aanmerking te komen voor voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen is gebaseerd op rechtmatig verblijf. Dit betekent niet dat de verlening van een verblijfsvergunning als hier aan de orde ertoe strekt de vreemdeling in staat te stellen inkomen te verwerven. Dat recht ontstaat pas na een beoordeling op grond van de wetten en overige regels waarin is bepaald wie en onder welke voorwaarden, waaronder rechtmatig verblijf, daarop aanspraak kan maken. De vermogensrechtelijke belangen spelen ook geen rol bij de beoordeling van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning.

Lees “ECLI:NL:RVS:2007:BA7572” verder

ECLI:NL:RVS:2005:AT7485

De Wob wijkt als algemene openbaarmakingsregeling voor bijzondere openbaarmakingsregelingen met een uitputtend karakter, neergelegd in wetten in formele zin. Zo’n regeling is uitputtend, indien zij ertoe strekt te voorkomen dat door toepassing van de Wob afbreuk zou worden gedaan aan de goede werking van materiële bepalingen in de bijzondere wet.
Ten aanzien van de documenten met betrekking tot de kwalificatie van de betrokken opsporingsambtenaar is overwogen dat deze gegevens bestuurlijke aangelegenheden zijn in de zin van de Wob

Lees “ECLI:NL:RVS:2005:AT7485” verder

ECLI:NL:RVS:2004:AO8477

Het recht van openbaarmaking dient ingevolge de Wob uitsluitend het belang van een goede en democratische bestuursvoering. Het komt iedere burger in gelijke mate toe. Derhalve kan geen onderscheid worden gemaakt naar de persoonlijke belangen en oogmerken van de verzoeker. Bij de te verrichten belangenafweging in het kader van de Wob worden het publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie en de door de weigeringsgronden te beschermen belangen betrokken, maar niet het specifieke belang van de verzoeker. Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis te hebben genomen van de vertrouwelijk overgelegde stukken stelt de Afdeling vast dat gezien de inhoud en aard daarvan niet zonder meer vaststaat dat de belangen als beschermd door genoemde uitzonderingsgronden in dit geval zwaarwegender zijn dan het belang bij openbaarmaking.

Lees “ECLI:NL:RVS:2004:AO8477” verder

ECLI:NL:RVS:2000:AA9473

De Minister heeft op het verzoek van gedeputeerde staten ten onrechte de Wob toegepast. De rechtbank heeft dit onderkend en heeft terecht overwogen dat tegen een op grond van de Bmw genomen besluit ingevolge artikel 8 van die wet beroep kon worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, maar zij heeft daaraan ten onrechte de conclusie verbonden dat zij onbevoegd was om van het beroep kennis te nemen. Het bestreden besluit strekt immers tot toepassing van de Wob. Voorts zouden op een verzoek om inzage in documenten, voor zover die betrekking hebben op schadelijke bestanddelen van een stof, de Bmw en voor het overige de Wob van toepassing zijn, met als gevolg dat ook in zoverre twee verschillende rechtsingangen ontstaan, hetgeen uit een oogpunt van een overzichtelijke rechtsbedeling zo ongewenst voorkomt, dat de wetgever dat niet bedoeld kan hebben. Het vorenstaande betekent dat de Minister op het verzoek van GS ten onrechte de Wob heeft toegepast.

Lees “ECLI:NL:RVS:2000:AA9473” verder