ECLI:NL:GHARL:2017:1481

De betrokkene heeft geen bestaansmiddelen en woont bij zijn ouders. Hij is dus niet in staat om een eigen woning met een goede brievenbus te verwerven. Gebrekkige postbezorging op het woonadres van de betrokkene – poststukken worden samen met stukken voor andere bewoners in een gemeenschappelijk trapportaal gedeponeerd – zijn omstandigheden die een beroep op verschoonbare termijnoverschrijding niet rechtvaardigen. In dat geval moet gesteld en gebleken zijn dat de betrokkene inspanningen heeft verricht om een oplossing voor de problemen met de postbezorging te bewerkstelligen. Eenieder wordt geacht op het adres waarop hij in het basisregister is ingeschreven bereikbaar te zijn voor brieven van instanties, waaronder beschikkingen van het CJIB. Dat de betrokkene heeft nagelaten adequate maatregelen te nemen om een behoorlijke postbezorging te verzekeren, komt voor zijn rekening.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:1481” verder

ECLI:NL:GHARL:2017:1269

Betrokkene is niet geslaagd om de ontvangst van de beslissing van de officier van justitie op niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. De later verzonden brief van het CJIB maakt het voorgaande niet anders. Onduidelijk is op grond waarvan deze brief door het CJIB is verzonden. Voorop staat dat met de verzending van die brief niet een nieuwe beroepstermijn is gaan lopen. De termijn om in beroep te gaan was reeds verstreken. Voor zover bij de betrokkene door deze brief van het CJIB het vertrouwen is gewekt dat hij alsnog tijdig beroep kon instellen tegen de beslissing van de officier van justitie, is die omstandigheid niet van dien aard dat niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege dient te blijven. Het is vaste jurisprudentie dat vertrouwen, ontleend aan informatie waarvan eerst kennis is genomen na de beroepstermijn, niet kan bewerkstelligen dat een inmiddels plaats gehad hebbende niet-verschoonbare termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar wordt.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:1269” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:7306

Betrokkene heeft in zijn brief van 14 november de rechtbank verzocht in de beslissing van de kantonrechter onjuiste vermelde bedragen te corrigeren. Deze brief kan daarmee op zichzelf wel als een hoger beroepschrift worden aangemerkt. Uit de brief van de betrokkene van 21 december blijkt dat hij het ingestelde hoger beroep niet wenst te handhaven. Voor zover bij de betrokkene door de brief van de griffier van de rechtbank het vertrouwen is gewekt dat hij door voor 17 januari te laten weten dat hij zijn hoger beroep wenste te handhaven, een situatie zou kunnen bewerkstelligen waarin tijdig hoger beroep was ingesteld, deze omstandigheid niet van dien aard is dat op grond daarvan niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep achterwege dient te blijven. Het hoger beroep van 9 januari is dus niet tijdig door de betrokkene ingesteld. In dit verband overweegt het hof dat bij een herstelbeslissing niet mee brengt dat daarmee een nieuwe beroepstermijn is gaan lopen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:7306” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:4607

De beslissing van de officier van justitie is op 4 februari aan de gemachtigde verzonden. De afzonderlijk verzonden motivering van die beslissing van 25 januari, is bij brief van 12 maart nogmaals aan de gemachtigde toegezonden. De gemachtigde heeft bij brief van 20 februari verzocht alsnog de door de officier van justitie afzonderlijk verzonden motivering, die hij niet heeft ontvangen, te mogen ontvangen. Zoals het hof in ECLI:NL:GHARL:2015:4145 heeft geoordeeld, geldt ten aanzien van de door de officier van justitie afzonderlijk verzonden motivering van de beslissing niet dat op voorhand aannemelijk is dat zij zijn verzonden. Het hof is van oordeel dat nu de door het CJIB verzonden beslissing d.d. 4 februari 2013 geen beslissing van de officier van justitie inhoudt, de beslissing van de officier van justitie d.d. 25 januari eerst bij brief van 12 maart is bekendgemaakt.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:4607” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:4324

Het beroepschrift is niet naar het postadres van de CVOM, maar naar een antwoordnummer gezonden. Dit heeft tot gevolg gehad dat op de envelop waarin het beroepschrift is verstuurd geen poststempel is aangebracht, waardoor niet valt na te gaan wanneer het beroepschrift ter post is bezorgd. Hoewel het beroepschrift binnen één week na afloop van de beroepstermijn door de CVOM ontvangen is, kan, doordat het beroepschrift niet is gestempeld met een datumstempel, niet worden vastgesteld of de brief binnen de beroepstermijn ter post is bezorgd. Nu het ontbreken van dit bewijs in beginsel voor risico van de betrokkene komt en de gemachtigde niet op andere wijze aannemelijk heeft gemaakt dat het beroepschrift tijdig ter post is bezorgd, is het hof van oordeel dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet tijdig is ingesteld.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:4324” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:4406

Naar aanleiding van de door het CJIB verzonden sommatie in het kader van inneming van het rijbewijs, had de betrokkene weliswaar op de hoogte kunnen zijn van het feit dat de kantonrechter reeds op het beroep heeft beslist, maar deze sommatie kan niet worden aangemerkt als toezending van een afschrift van de aantekening van de beslissing van de kantonrechter, aangezien deze niet de gronden bevat waarop die beslissing berust. Slechts ingeval – anders dan hier – kan worden vastgesteld dat de beslissing van de kantonrechter (rechtsgeldig) is verzonden, maar de ontvangst van die beslissing op niet ongeloofwaardige wijze wordt betwist, kan aan de toezending van een sommatie de betekenis toekomen dat – teneinde de termijnoverschrijding verschoonbaar te doen zijn – vanaf dat moment zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs kan worden verlangd beroep moet worden ingesteld.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:4406” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:1129

Aan de betrokkene zijn twee sancties opgelegd. De kantonrechter behandelt de zaken separaat, maanden na elkaar. Na de uitspraak in de eerste zaak stelt de betrokkene bij één brief in beide zaken hoger beroep in. In de tweede zaak was geen beslissing door de kantonrechter gegeven. Er is derhalve prematuur hoger beroep ingesteld. Gelet op artikel 6:10 Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien de betrokkene redelijkerwijs kon menen dat de kantonrechter bij de hem toegezonden uitspraak ook in de onderhavige zaak uitspraak had gedaan. Dat is echter niet het geval. In die uitspraak is niet het CJIB-nummer van de onderhavige zaak vermeld. Er wordt slechts één sanctie genoemd. In de onderhavige zaak is de betrokkene, na de uitspraak in de andere zaak, een oproep, toegezonden voor de zitting waar onderhavige zaak is behandeld. Gelet hierop had de betrokkene, naar aanleiding van de hem toegezonden uitspraak, hoger beroep moeten instellen. Dat heeft hij niet gedaan. Prematuur ingesteld hoger beroep is niet-ontvankelijk.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:1129” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:42

Uit het dossier blijkt dat de kantonrechter op 8 februari heeft beslist en dat de beslissing op diezelfde dag zou zijn verzonden. Verder volgt op geen enkele wijze uit het dossier dat de beslissing daadwerkelijk aan de betrokkene is toegezonden. Het hof acht dit onvoldoende om aannemelijk te achten dat verzending heeft plaatsgevonden. Uit de stukken kan derhalve niet worden afgeleid dat (en zo ja wanneer) de beroepstermijn is aangevangen. Gelet daarop kan een termijnoverschrijding niet worden vastgesteld. Dat wordt niet anders doordat de betrokkene nadien nog stukken van het CJIB heeft ontvangen, zoals een betalingsoverzicht na beroep bij de kantonrechter van het CJIB en aanmaningen. Aan die omstandigheid komt niet hetzelfde rechtsgevolg toe als aan een (rechtsgeldige) verzending van de beslissing van de kantonrechter. Door toezending van het betalingsoverzicht na beroep bij de kantonrechter vangt niet een beroepstermijn aan.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:42” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:35

De betrokkene woont in Duitsland, betwist de inleidende beschikking te hebben ontvangen en legt een uittreksel uit het bevolkingsregister over. Gelet op dat uittreksel rijst twijfel aan de juistheid van het bij het CJIB geregistreerde adres van de betrokkene. Onvoldoende vast staat dat de inleidende beschikking op de juiste wijze bekend is gemaakt. Dit leidt tot het oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat niet tijdig beroep is ingesteld tegen de inleidende beschikking. In dit geval wordt ook de inleidende beschikking vernietigd. De betrokkene heeft daarvan ruim twee jaar na de gedraging pas kennis genomen en is in zijn verdedigingsbelang geschaad door de overschrijding van de voorgeschreven termijn van bekendmaking van de inleidende beschikking.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:35” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:9029

Bij het wisselen van rijstrook heeft betrokkene het puntstuk overschreden. Betrokkene stelt dat van belang is dat hij het overige verkeer op geen enkele wijze in gevaar heeft gebracht of hinder heeft veroorzaakt. De betrokkene wijst erop dat het verkeer op de uitvoegstrook – ook in verband met de file – langzaam reed. Bovendien gaf de bestuurder die de betrokkene gelegenheid gaf om in te voegen hem een lichtsignaal. Mogelijk heeft die bestuurder geremd, zoals de verbalisant verklaart, maar dat was om de betrokkene ruimte te geven. Wat er overigens ook van zij van die stelling, tot het oordeel dat de sanctie achterwege moet blijven of gematigd moet worden, leidt deze stelling niet. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven om van de vastgestelde sancties af te wijken.
Officier van justitie heeft binnen de gestelde termijn beslist op het administratieve beroep van de betrokkene. Van belang is dat op grond van het bepaalde in artikel 7:24, derde lid, van de Awb deze beslistermijn wordt opgeschort vanaf de dag dat de indiener van het beroep in de gelegenheid is gesteld een verzuim te herstellen, tot de dag waarop dat verzuim is hersteld of de daartoe gestelde termijn is verstreken.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:9029” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:3669

De bestreden beslissing is verzonden naar het oude adres, terwijl de betrokkene in zijn beroepschrift aan de kantonrechter een ander adres had opgegeven. Aldus is de beslissing van de kantonrechter niet op voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Dat brengt mee – gelet op het bepaalde in artikel 6:8, eerste lid, van de Awb – dat voornoemde beroepstermijn niet is aangevangen. Gelet daarop kan een termijnoverschrijding niet worden vastgesteld. Dat wordt niet anders doordat de betrokkene nadien nog een betalingsoverzicht na beroep bij de kantonrechter van het CJIB heeft ontvangen op zijn oude adres, zoals de advocaat-generaal heeft aangevoerd. Aan die omstandigheid komt niet hetzelfde rechtsgevolg toe als aan een (rechtsgeldige) verzending van de beslissing van de kantonrechter. Door toezending van het betalingsoverzicht na beroep bij de kantonrechter vangt niet een beroepstermijn aan.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:3669” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:2723

Onder de inleidende beschikking is vermeld dat geen beroep kon worden ingesteld tegen de administratiekosten. Omdat de betrokkene enkel bezwaar had tegen de administratiekosten, heeft de betrokkene in eerste instantie geen beroep ingesteld. Toen hem door de opgelegde verhoging bleek dat wel administratiekosten in rekening werden gebracht, heeft hij alsnog beroep ingesteld. Dit beroep op verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding treft doel. In de destijds toegepaste rechtsmiddelverwijzing staat onder de inleidende beschikking ten onrechte dat tegen de administratiekosten geen beroep kan worden ingesteld. Door deze onjuiste rechtsmiddelverwijzing is ten onrechte de indruk gewekt dat tegen de oplegging van de administratiekosten geen beroep kon worden ingesteld. De termijnoverschrijding moet op deze grond verschoonbaar worden geacht (ECLI:NL:GHLEE:2012:BW8480).
Ook stelt het hof nog vast dat ten onrechte op 9 augustus de tweede verhoging is toegepast. De betrokkene heeft immers bij brief van 2 augustus, ontvangen op 3 augustus, beroep bij de officier van justitie ingesteld.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:2723” verder

ECLI:NL:GHARL:2014:8530

De kantonrechter heeft het draagkrachtverweer schriftelijk behandeld en op basis van door de betrokkene overgelegde stukken het als zekerheid te stellen bedrag verlaagd tot € 75,-. De betrokkene betaalde ook dat bedrag niet. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet stellen van zekerheid. Ten onrechte: de betrokkene had moeten worden uitgenodigd op een zitting te worden gehoord over zijn financiële draagkracht. Het hof herhaalt de relevante overwegingen uit zijn arrest van 17 februari 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:1139). Om proceseconomische redenen volgt geen terugwijzing naar de kantonrechter.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2014:8530” verder

ECLI:NL:RVS:2012:BV2442

Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. De Belastingdienst heeft informatie verstrekt over de wijze waarop hij de besluiten omtrent aanvragen van zorgtoeslagen geautomatiseerd vaststelt, uitprint en per batch aan TNT Post ter verzending aanbiedt. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 35 van de Awir blijkt dat de achtergrond van de afwijking die in deze bepaling staat, de geautomatiseerde werkwijze bij de Belastingdienst is die erop neerkomt dat besluiten van de Belastingdienst veelal op een latere dag zijn gedateerd dan die waarop de feitelijke bekendmaking plaatsvindt.

Lees “ECLI:NL:RVS:2012:BV2442” verder

ECLI:NL:RVS:2011:BQ4617

De hoogste bestuursrechters hanteren alle als uitgangspunt dat, in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Deze precisering van de benadering van het bewijs van ontvangst van niet-aangetekend verzonden stukken sluit aan bij de rechtspraak van de Hoge Raad en draagt aldus bij aan de rechtseenheid in het bestuursrecht.

Lees “ECLI:NL:RVS:2011:BQ4617” verder

ECLI:NL:GHLEE:2009:BP3020

Het is het hof ambtshalve bekend dat het CJIB voor de vervaardiging en aanbieding ter verzending van poststukken gebruikt maakt van de diensten van een printermailservicebedrijf. Het aanmaken, uitdraaien op papier, voegen in een enveloppe en aanbieden aan TNT Post geschiedt ook door middel van een geautomatiseerd systeem. Het CJIB geeft de verzenddatum van de beschikking mee. De logistiek bij het printermailservicebedrijf is zodanig ingericht, dat de beschikkingen vóór de verzenddatum aan TNT Post worden aangeboden. Er is sprake van een interne kwaliteitscontrole bij het printermailservicebedrijf. Zo vindt een vergelijking plaats van het totale aantal aan TNT Post aangeboden stukken en het totale aantal door het CJIB aangeleverde zaken. Gecontroleerd wordt of hetzelfde aantal documenten wordt uitgeprint als dat aan TNT Post wordt aangeboden.

Lees “ECLI:NL:GHLEE:2009:BP3020” verder

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ3210

Het hof gaat om. Undue delay leidt niet langer tot vernietiging van de inleidende beschikking. Het hof zal voortaan volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden.

Lees “ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ3210” verder

ECLI:NL:RVS:2007:BB6318

Het enkele feit dat, ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift, geen schriftelijke machtiging aan het college is overgelegd betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat iemand niet als gemachtigde kan worden aangemerkt. Een bestuursorgaan is niet verplicht een machtiging te verlangen.
Het optreden van een gemachtigde tot gevolg heeft dat het contact met een belanghebbende in beginsel via de gemachtigde loopt en dat, indien een besluit aan de bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde wordt toegezonden, sprake is van een bekendmaking op de voorgeschreven wijze.
Volgens vaste jurisprudentie dient, ingeval van niet aangetekende verzending van besluiten of andere rechtens van belang zijnde documenten, het bestuursorgaan aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. Indien het bestuursorgaan de verzending van het desbetreffende stuk aannemelijk heeft gemaakt, ligt het op de weg van de geadresseerde om de ontvangst ervan op niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen.

Lees “ECLI:NL:RVS:2007:BB6318” verder

ECLI:NL:CRVB:2004:AP0537

Toeslag op het ouderdomspensioen ingevolge de AOW komt te vervallen met ingang van de maand dat partner 65 wordt. De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten, maar heeft in haar uitspraak overwogen dat gedaagde, alvorens op het bezwaarschrift te beslissen, appellant ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord over de overschrijding van de bezwaartermijn. Ingevolge artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is gedaagde gehouden belanghebbende in de gelegenheid te stellen te worden gehoord
De Raad acht het echter, evenals de rechtbank, onjuist dat gedaagde nagelaten heeft appellant te vragen naar de reden van de termijnoverschrijding zoals bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. De Raad verbindt hieraan in tegenstelling tot de rechtbank het gevolg dat het bestreden besluit op die grond dient te worden vernietigd.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2004:AP0537” verder

ECLI:NL:RVS:2004:AO8477

Het recht van openbaarmaking dient ingevolge de Wob uitsluitend het belang van een goede en democratische bestuursvoering. Het komt iedere burger in gelijke mate toe. Derhalve kan geen onderscheid worden gemaakt naar de persoonlijke belangen en oogmerken van de verzoeker. Bij de te verrichten belangenafweging in het kader van de Wob worden het publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie en de door de weigeringsgronden te beschermen belangen betrokken, maar niet het specifieke belang van de verzoeker. Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis te hebben genomen van de vertrouwelijk overgelegde stukken stelt de Afdeling vast dat gezien de inhoud en aard daarvan niet zonder meer vaststaat dat de belangen als beschermd door genoemde uitzonderingsgronden in dit geval zwaarwegender zijn dan het belang bij openbaarmaking.

Lees “ECLI:NL:RVS:2004:AO8477” verder