ECLI:NL:GHARL:2017:2448

Gemachtigde stelt dat hij de beslissing van de officier van justitie niet heeft ontvangen. Het hof stelt vast dat het beroepschrift bij de kantonrechter wel gronden bevat van het beroep, gronden tegen de beslissing van de officier van justitie en gronden tegen de inleidende beschikking. In het beroepschrift wordt niet om een termijn gevraagd voor het aanvullen van gronden. Evenmin wordt gevraagd om toezending van de (motivering van de) beslissing van de officier van justitie. De griffier van de kantonrechter heeft daarnaast de gelegenheid gesteld om het dossier voor de zitting in te zien. De gemachtigde heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de kantonrechter de (motivering van de) beslissing van de officier van justitie had moeten (doen) toesturen en hem in de gelegenheid had moeten stellen om nadere gronden van beroep in te dienen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:2448” verder

ECLI:NL:GHARL:2017:1037

Nog daargelaten de mededeling dat de gemachtigde nog vier weken behoeft om de definitieve gronden te formuleren, overweegt het hof het volgende. In het beroepschrift bij de kantonrechter heeft de gemachtigde geen gronden aangevoerd tegen de oplegging van de sanctie. Ook is de gemachtigde niet ter zitting van de kantonrechter verschenen om inhoudelijk verweer te voeren. Evenmin heeft de gemachtigde in hoger beroep enige grond aangevoerd tegen de oplegging van de administratieve sanctie. Daarnaast heeft de gemachtigde niet op enigerlei wijze aannemelijk gemaakt dat betrokkene een redelijk belang heeft bij het alsnog bieden van de gelegenheid tot het aanvullen van gronden tegen de sanctie.
De wijze waarop de gemachtigde heeft geprocedeerd kan niet redelijkerwijs worden geacht het belang van de betrokkene te dienen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:1037” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:10365

Het hof geeft een overzichtsarrest betreffende (het bieden van gelegenheid tot) het indienen en aanvullen van gronden in WAHV-verband, de betekenis van pro forma-beroepschriften en de mogelijkheid van toepassing van artikel 6:6 Awb. De term “pro forma beroepschrift” is geen wettelijk begrip. De inhoud van het beroepschrift is doorslaggevend en niet hoe de indiener van het beroepschrift het geschrift kwalificeert. Indien een beroepschrift geen gronden bevat, dient de indiener daarvan de gelegenheid te worden geboden om deze op een later moment in te dienen, indien uit het beroepschrift blijkt van de wens daartoe. Deze wens moet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn gedaan. De voor het indienen van gronden geboden termijn dient een redelijke te zijn. Indien een beroepschrift wel gronden bevat, dient de indiener daarvan als uitgangspunt de gelegenheid te worden geboden deze aan te vullen, indien uit het beroepschrift blijkt van de wens tot aanvulling van gronden. Deze wens moet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn gedaan. Deze lijdt uitzondering indien een redelijk belang bij inwilliging ontbreekt.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:10365” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:8247

Het pro forma beroepschrift bevat een algemene ontkenning van de verweten gedraging. Verder wordt de rechtmatigheid van de gebruikte opsporingsmethode(n) betwist. Gelet hierop moet worden vastgesteld dat het beroepschrift, dat niet is aan te merken als pro forma beroepschrift, gronden bevat. Daarom bestond voor de officier van justitie niet de bevoegdheid om (na een herstel verzuim mogelijkheid) het beroep niet-ontvankelijk te verklaren in verband met het ontbreken van gronden.
Nu de op de zaak betrekking hebbende stukken op de voet van artikel 11, vierde lid, WAHV ter inzage zijn gelegd en in hoger beroep niet is verzocht om toezending daarvan, gaat het hof er van uit dat de gemachtigde van de betrokkene inmiddels over deze stukken beschikt, zodat hij in de gelegenheid is geweest om zijn bezwaren tegen de inleidende beschikking te formuleren.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:8247” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:6694

De stelling dat de kantonrechter de gemachtigde een termijn had moeten geven om de gronden aan te vullen, is niet juist. Gemachtigde heeft in zijn pro forma beroepschrift niet om een termijn voor het indienen van gronden verzocht. Geen rechtsregel schrijft voor dat in dat geval een termijn moet worden gegeven voor het indienen van gronden. De gemachtigde heeft ruim de tijd gehad om voorafgaand aan de behandeling van het beroep door de kantonrechter nadere gronden in te zenden, maar heeft dit nagelaten. Evenmin is de gemachtigde ter openbare zitting van de kantonrechter verschenen om zijn bezwaren mondeling naar voren te brengen. Het hof concludeert dat de gemachtigde voldoende gelegenheid had tot aanvulling van zijn beroepschrift, maar er zelf voor heeft gekozen om daarvan geen gebruik te maken.
Motivering afzien hoorplicht is geen voorschrift van openbare orde.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:6694” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:6551

Gemachtigde heeft niet aan de kantonrechter gevraagd een termijn te geven voor het indienen dan wel aanvullen van de gronden. In het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie is verzocht het beroep gegrond te verklaren, de beschikking te vernietigen en dat nadere gronden van het beroep op een later moment zullen worden aangevuld. De kantonrechter heeft het beroep niet niet-ontvankelijk verklaard, terwijl evenmin een herstelgelegenheid is gegeven. Schending van artikel 6:6 van de Awb kan in dit geval dan ook niet aan de orde zijn. Het staat de kantonrechter vrij om een gebrekkig beroepschrift ook aanstonds ontvankelijk te achten. De gemachtigde heeft voldoende gelegenheid gehad om desgewenst nadere gronden in te dienen, geheel uit eigen beweging, dan wel naar aanleiding van de ontvangstbevestiging van het beroep of de uitnodiging voor de zitting. Ook had hij op de zitting van de kantonrechter de gronden van het beroep kunnen aanvullen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:6551” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:2387

Betrokkene beroep heeft beroep ingesteld bij de officier van justitie. In dit beroepschrift stond het volgende vermeld: “Naar aanleiding van ons telefonisch contact, hierbij beroep! Is er sprake van identiteitsfraude?” In eerdere uitspraken heeft het hof reeds uitgemaakt dat met de gronden van het beroep de redenen worden bedoeld die de indiener heeft om een besluit vernietigd, gewijzigd of herroepen te krijgen. Als zodanig is ook de enkele opmerking dat sprake is van identiteitsfraude een grond, zij het in het algemeen – zonder nadere onderbouwing – niet licht leidend tot vernietiging van de inleidende beschikking. Het hof stelt dan ook vast dat het beroep tegen de inleidende beschikking een – zij het zeer summiere – grond bevat. De officier van justitie had het beroep tegen de inleidende beschikking derhalve niet niet-ontvankelijk kunnen verklaren.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:2387” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:2040

Het dossier bevat een niet ondertekend beroepschrift van de betrokkene. De betrokkene is in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens binnen twee weken na dagtekening van deze brief in te dienen. Niet gebleken is dat een reactie bij de rechtbank is binnengekomen. Blijkens de door de advocaat-generaal ingewonnen inlichtingen heeft de betrokkene tijdig en op de voorschreven wijze gereageerd op de brief van de griffier van de rechtbank, met dien verstande dat de betrokkene het ondertekende beroepschrift naar de CVOM in plaats van de rechtbank heeft gezonden. Ingevolge artikel 11, eerste lid, WAHV en artikel 6:15 Awb rustte op de CVOM de plicht om het alsnog ondertekende beroepschrift door te zenden naar de rechtbank. Dit is nagelaten.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:2040” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:1613

Gemachtigde heeft een e-mailbericht aan de rechtbank verzonden waarin hij hoger beroep aantekent tegen de beslissing van de kantonrechter. Het verzenden van een e-mail met bijlagen, voldoet niet aan het schriftelijkheidsvereiste. Bovendien kan bij verzending per e-mail niet worden voldaan aan de eis dat het beroepschrift wordt ondertekend. Het hof stelt vast dat ten tijde van de ontvangst van het e-mailbericht de termijn voor het instellen van hoger beroep nog niet was verstreken. De griffier van de rechtbank heeft de gemachtigde niet gewezen op de onjuiste wijze waarop hij hoger beroep wilde instellen en hem evenmin gelegenheid gegeven het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Naar het oordeel van het hof dient de gemachtigde alsnog in de gelegenheid te worden gesteld zijn verzuim bij het instellen van hoger beroep te herstellen. Ten behoeve van de gemachtigde merkt het hof op dat niet voldoende is, dat als bijlage bij de e-mail dezelfde tekst als in de e-mail is gevoegd die wel is voorzien van een handtekening. Nu het gaat om een bijlage bij een e-mail is er geen sprake van een schriftelijk beroep met een originele handtekening, zoals vereist.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:1613” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:178

Anders dan de officier van justitie heeft de kantonrechter wel een schriftelijke machtiging van [naam B] verlangd. De griffier van de kantonrechter heeft [naam B] bij brief uitgenodigd voor de zitting. Daarbij is hij erop gewezen dat niet is gebleken dat hij gemachtigd is om namens de kentekenhoudster beroep in te stellen. Voorts is hij in de gelegenheid gesteld om de vereiste machtiging over te leggen. Uit de stukken blijkt niet dat de betrokkene de gelegenheid om het verzuim – binnen de gestelde termijn – te herstellen heeft benut. De kantonrechter heeft derhalve op goede gronden vastgesteld dat de betrokkene heeft verzuimd alsnog een machtiging te overleggen en het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:178” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:211

In het beroepschrift worden de naam en adresgegevens van de gemachtigde, de naam van de betrokkene en een CJIB-nummer genoemd. Het hof constateert dat het genoemde CJIB-nummer niet overeenkomt met het CJIB-nummer van de onderhavige zaak. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat geen beroep is ingesteld. Het genoemde CJIB nummer heeft betrekking op een zaak van een ander, zodat niet kan worden vastgesteld dat in een andere zaak beroep is ingesteld. Daar komt nog bij dat in het beroepschrift de inhoud van het administratieve beroepschrift en van de beslissing van de officier van justitie is weergegeven. De onjuiste vermelding van het CJIB-nummer zou kunnen worden beschouwd als het ontbreken van een omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht, zodat sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, sub c, Awb. Uit de stukken blijkt echter niet dat de gelegenheid is gesteld dit verzuim te herstellen.
Het beroepschrift is naar het oordeel van het hof niet aan te merken als een pro forma beroepschrift. In het beroepschrift wordt namelijk niet aangegeven dat het beroep nog nader zal worden gemotiveerd. Gelet daarop bestond voor de officier van justitie geen verplichting om (de gemachtigde van) de betrokkene in de gelegenheid te stellen binnen een daartoe gestelde termijn (nadere) gronden op te geven en heeft de officier van justitie het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:211” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:9703

Betrokkene heeft een e-mailbericht aan de rechtbank heeft verzonden met als bijlage een document waarin zij hoger beroep aantekent tegen de beslissing van de kantonrechter. Ingevolge artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Het verzenden van een e-mail met bijlagen, voldoet niet aan het schriftelijkheidsvereiste. Bovendien kan bij verzending per e-mail niet worden voldaan aan de eis dat het beroepschrift wordt ondertekend. De griffier van de rechtbank heeft de betrokkene niet gewezen op de onjuiste wijze waarop zij hoger beroep wilde instellen en haar evenmin gelegenheid gegeven het verzuim te herstellen binnen een haar daartoe gestelde termijn. Het hof acht geen redenen aanwezig om de betrokkene in de gelegenheid te stellen het verzuim te herstellen. Daartoe acht het hof doorslaggevend dat ten tijde van de ontvangst van het e-mailbericht de termijn voor het instellen van hoger beroep was verstreken.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:9703” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:9698

Betrokkene heeft een e-mailbericht aan de rechtbank heeft verzonden met als bijlage een document waarin zij hoger beroep aantekent tegen de beslissing van de kantonrechter. Ingevolge artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Het verzenden van een e-mail met bijlagen, voldoet niet aan het schriftelijkheidsvereiste. Bovendien kan bij verzending per e-mail niet worden voldaan aan de eis dat het beroepschrift wordt ondertekend. De griffier van de rechtbank heeft de betrokkene niet gewezen op de onjuiste wijze waarop zij hoger beroep wilde instellen en haar evenmin gelegenheid gegeven het verzuim te herstellen binnen een haar daartoe gestelde termijn. Naar het oordeel van het hof dient de betrokkene alsnog in de gelegenheid te worden gesteld haar verzuim bij het instellen van hoger beroep te herstellen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:9698” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:9029

Bij het wisselen van rijstrook heeft betrokkene het puntstuk overschreden. Betrokkene stelt dat van belang is dat hij het overige verkeer op geen enkele wijze in gevaar heeft gebracht of hinder heeft veroorzaakt. De betrokkene wijst erop dat het verkeer op de uitvoegstrook – ook in verband met de file – langzaam reed. Bovendien gaf de bestuurder die de betrokkene gelegenheid gaf om in te voegen hem een lichtsignaal. Mogelijk heeft die bestuurder geremd, zoals de verbalisant verklaart, maar dat was om de betrokkene ruimte te geven. Wat er overigens ook van zij van die stelling, tot het oordeel dat de sanctie achterwege moet blijven of gematigd moet worden, leidt deze stelling niet. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven om van de vastgestelde sancties af te wijken.
Officier van justitie heeft binnen de gestelde termijn beslist op het administratieve beroep van de betrokkene. Van belang is dat op grond van het bepaalde in artikel 7:24, derde lid, van de Awb deze beslistermijn wordt opgeschort vanaf de dag dat de indiener van het beroep in de gelegenheid is gesteld een verzuim te herstellen, tot de dag waarop dat verzuim is hersteld of de daartoe gestelde termijn is verstreken.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:9029” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:8774

Indien een ander dan de betrokkene beroep instelt, kan de kantonrechter van degene die het beroep heeft ingesteld een schriftelijke machtiging verlangen. Wordt de gevraagde machtiging niet verstrekt of voldoet het niet aan de eisen, dan kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener van het beroep de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen. Uit de stukken blijkt niet dat de gelegenheid is geboden het verzuim te herstellen.
Niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten. In dit verband overweegt het hof dat gemachtigde in de procedure, voor zover deze is gericht tegen de beslissing van de kantonrechter, op eigen titel procedeert zodat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor zover in deze zaak wel namens de betrokkene procedeert, wordt de betrokkene niet in het gelijk gesteld.
De officier van justitie kon in dit geval van het horen afzien omdat het beroep kennelijk ongegrond is. Het beroepschrift gaat over snelheid maar de sanctie betreft een roodlichtgedraging. Uit het beroepschrift zelf blijkt reeds aanstonds dat de bezwaren ongegrond zijn en over die conclusie is redelijkerwijs geen twijfel mogelijk. Daaraan doet niet af dat de officier van justitie ambtshalve onderzoek heeft gedaan.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:8774” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:8751

De wetgever heeft ervoor gekozen bepaalde administratieve handelingen met betrekking tot het beroep bij de kantonrechter te laten verrichten door de CVOM. De gemachtigde heeft pro-forma beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie inzake een verkeersboete. In afwijking van de Algemene wet bestuursrecht, wordt het beroepschrift ingediend bij de officier van justitie die op het administratief beroep heeft beslist. Bij een beroep bij de kantonrechter is uitsluitend de kantonrechter bevoegd om vast te stellen dat de gronden van het beroep ontbreken en vervolgens de betrokkene, dan wel de gemachtigde van de betrokkene, in de gelegenheid te stellen dit verzuim te herstellen en eventueel consequenties te verbinden aan het niet (tijdig) verstrekken van de gronden van het beroep. Uit de stukken blijkt niet dat de gemachtigde de gelegenheid is geboden de gronden van het beroep aan te vullen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:8751” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:2418

De advocaat-generaal heeft de informatie verstrekt over de werkwijze bij verzending van brieven waarin een termijn wordt gegund een geconstateerd verzuim te herstellen. Het hof stelt vast dat uit de omstandigheid dat de verzuim-herstel-brief zich in het dossier van het hof bevindt niet meer blijkt dan dat de brief is aangemaakt. Of de brief vervolgens is geprint, in de postbak is gelegd, naar de postkamer is gebracht, in een envelop is gedaan en aan een medewerker van PostNL is aangeboden ter bezorging, wordt niet geregistreerd. Naar het oordeel van het hof is gelet hierop niet voldoende aannemelijk geworden dat de brief is verzonden aan de gemachtigde.
De gemachtigde heeft aangevoerd dat de foto van de gedraging zo onduidelijk is dat de beschikking niet kan worden gecontroleerd op juistheid. Naar het oordeel van het hof bieden de stukken in het dossier, in het bijzonder de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht van het CJIB, voldoende grond voor de conclusie dat de in de inleidende beschikking weergegeven gedraging is verricht.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:2418” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:1057

De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de overgelegde machtiging vanwege de algemene bewoordingen geen bijzondere schriftelijke volmacht inhoudt tot het instellen van beroep tegen de inleidende beschikking in de onderhavige zaak. Het hof oordeelt dat indien een ander dan de betrokkene beroep instelt, de kantonrechter van degene die het heeft ingesteld een schriftelijke machtiging kan verlangen. Wordt de gevraagde machtiging niet verstrekt of voldoet de verstrekte machtiging niet aan de daaraan te stellen eisen, dan kan ingevolge het bepaalde in artikel 6:6 Awb het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener van het beroep de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Uit de stukken blijkt niet dat aan de gemachtigde de gelegenheid is geboden het geconstateerde verzuim te herstellen. Dat brengt mee dat de kantonrechter het ingestelde beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Gelet op het voorgaande kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:1057” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:195

Houdt een beroepschrift slechts een enkele ontkenning in dat een gedraging is begaan, dan is dat een grond en bestaat geen verplichting om op grond van artikel 6:5 juncto 6:6 Awb de indiener in de gelegenheid te stellen binnen een daartoe gestelde termijn (nadere) gronden op te geven. Die verplichting bestaat wel indien een beroepschrift inhoudt dat pro forma beroep wordt ingesteld en dat het beroep nader zal worden gemotiveerd (al dan niet na ontvangst van gevraagde stukken), óók als in dat pro forma beroepschrift iets wordt aangevoerd dat op zichzelf beschouwd ook als een grond kan worden beschouwd, zoals in dit geval dat de gedraging (impliciet en expliciet) wordt ontkend. De door de kantonrechter gegeven motivering kan diens beslissing om de beslissing van de officier van justitie te vernietigen niet dragen. In deze zaak leidt dat tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter. Het hof houdt de zaak aan om de advocaat-generaal in de gelegenheid te stellen aannemelijk te maken dat de CVOM de verzuimbrief heeft verzonden.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:195” verder

ECLI:NL:GHARL:2014:137

Gronden van het beroep en wanneer op grond van artikel 6:5 juncto 6:6 Awb wel of niet de verplichting bestaat de indiener in de gelegenheid te stellen binnen een daartoe gestelde termijn (nadere) gronden op te geven. Het hof herhaalt de overwegingen uit zijn arrest van 12 januari 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:195). De door de kantonrechter gegeven motivering kan diens beslissing om de beslissing van de officier van justitie te vernietigen niet dragen. In deze zaak wordt zijn beslissing echter slechts vernietigd voor zover daarbij geen vergoeding voor proceskosten is toegekend. De officier van justitie heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard nu de verzuimbrief in strijd met 6:17 Awb niet naar de gemachtigde is gezonden. Proceskostenvergoeding.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2014:137” verder