ECLI:NL:GHARL:2016:9517

Motivering van de officier van justitie behoeft niet in de vorm van een formele brief. Betrokkene geeft aan dat hij de beslissing op het administratief beroepschrift heeft ontvangen en dat hij bij dit schrijven een stukje tekst heeft ontvangen wat lijkt op de lang verwachte motivering van de officier van justitie. Dat deze beslissing niet wordt weergegeven in een formele brief en de betrokkene via de Ombudsman alsnog de formele beslissing heeft verkregen, doet hieraan niet af. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft, gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb, mede betrekking op de na het instellen van beroep genomen beslissing van de officier van justitie. Nu door de betrokkene beroep is ingesteld bij de kantonrechter, terwijl de betrokkene niet daarna daarop is gewezen, is de betrokkene niet op de juiste wijze op de hoogte gesteld van de verplichting tot zekerheidstelling en heeft de kantonrechter het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:9517” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:4928

De officier van justitie heeft op het administratief beroep beslist voordat de kantonrechter de in hoger beroep bestreden beslissing, die betrekking had op het uitblijven van een beslissing op het administratief beroep, heeft gegeven. Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb wordt het beroep tegen het niet tijdig beslissen mede geacht te zijn gericht tegen de beslissing van de officier van justitie. De kantonrechter heeft daar geen toepassing aan gegeven. De gemachtigde is niet in de gelegenheid gesteld om de gronden tegen de beslissing van de officier van justitie in te dienen. Dit brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij niet is beslist op het beroep gericht tegen de beslissing van de officier van justitie, niet in stand kan blijven.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:4928” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:1632

Gemachtigde heeft een aan de kantonrechter gericht beroepschrift ingediend – kort gezegd – inhoudende dat de officier van justitie ten onrechte niet tijdig op het administratief beroepschrift heeft beslist. De officier van justitie heeft een beslissing op het beroep gegeven voordat de kantonrechter op het beroep heeft beslist. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:20, derde lid Awb wordt het beroep tegen het niet tijdig beslissen mede geacht te zijn gericht tegen de beslissing van de officier van justitie. Uit de beslissing van de kantonrechter blijkt niet dat hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:20, derde lid Awb het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie heeft behandeld. Het hof zal daarom de gemachtigde van de betrokkene alsnog in de gelegenheid stellen om de gronden van het beroep in te dienen, alvorens op het beroep te beslissen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:1632” verder

ECLI:NL:RVS:2014:4448

Bij besluit heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat hij geen dwangsom heeft verbeurd wegens het niet tijdig nemen van een besluit op een door appellant ingediend verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob-verzoek).
Ingevolge artikel 6:20, vijfde lid, van de Awb kan het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog gegrond worden verklaard, indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen kan het bestuursorgaan niet krachtens 4:17, eerste lid, van de Awb een dwangsom verbeuren wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit. De Afdeling overweegt dat in lijn met deze uitspraak moet worden geoordeeld dat ook geen dwangsom wordt verbeurd bij het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar tegen een dwangsombesluit.

Lees “ECLI:NL:RVS:2014:4448” verder

ECLI:NL:RVS:2008:BG5910

Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vallen procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen buiten het bereik van artikel 6 van het EVRM. Aangezien het geschil over de vergoeding van de door appellante gemaakte proceskosten is te herleiden tot de weigering aan haar een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, kan het verzoek tot vergoeding van immateriële schade niet op deze verdragsbepaling worden gebaseerd. Hoewel de procedure thans bijna zeven jaar duurt, is in dit geval niet aannemelijk dat appellante door dat tijdsverloop zodanige spanning en frustratie heeft ondervonden, dat deze grond opleveren voor een financiële genoegdoening. Daartoe is redengevend dat het geschil louter op vergoeding van proceskosten betrekking heeft en appellante klaarblijkelijk geen belang had bij spoedige voldoening daarvan, omdat, zoals ter zitting is verklaard, zij op advies van haar gemachtigde gedurende de gehele periode voor de indiening van het beroepschrift niet heeft gerappelleerd ten einde een zo hoog mogelijk bedrag aan vertragingsrente te kunnen genereren.

Lees “ECLI:NL:RVS:2008:BG5910” verder

ECLI:NL:CBB:2003:AO1044

Afgifte van verklaringen van geen bezwaar ex artikel 2:179 van het Burgerlijk Wetboek voor de oprichting van de rechtspersonen. Het College stelt vast dat de termijn waarbinnen op het bezwaarschrift beslist had moeten worden, ruimschoots was overschreden. Verweerder is van oordeel dat het onmogelijk was om eerder tot besluitvorming in bezwaar over te gaan en tot een afgewogen oordeel te komen. Dit omdat essentiële informatie van de zijde van het Openbaar Ministerie, ondanks herhaald rappelleren, eerst medio maart 2002 beschikbaar is gekomen. Het College oordeelt: dat verweerder voor een afgewogen besluitvorming afhankelijk was van informatie van het Openbaar Ministerie, welke niet voortvarend is aangeleverd, doet hieraan niet af en dient in redelijkheid voor rekening en risico van verweerder te komen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van appellant is derhalve gegrond.

Lees “ECLI:NL:CBB:2003:AO1044” verder