ECLI:NL:GHARL:2017:2902

De Hoge Raad heeft de kentekenaansprakelijkheid niet in strijd met het (internationale) recht geoordeeld. Vervolgens is het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) tot hetzelfde oordeel gekomen. Dat een dergelijke rechtsfiguur in strijd zou zijn met het Duitse rechtssysteem, maakt het voorgaande niet anders, nu de betreffende gedraging op Nederlands grondgebied heeft plaatsgevonden. De stelling dat de toegang tot het recht wordt onthouden of belemmerd, is daarop gebaseerd dat door het betalen van zekerheid feitelijk geen beroep meer toekomt op de door de gemachtigde bedoelde Duitse regeling waarin wel toepassing wordt gegeven aan het schuldprincipe. Zoals de Hoge Raad eerder heeft geoordeeld is het stellen van zekerheid niet in strijd met het in artikel 6, tweede lid, van het EVRM vervatte vermoeden van onschuld. De omstandigheid dat de Duitse regelgeving meer mogelijkheden kent tot disculpatie, doet hieraan niet af.

“ECLI:NL:GHARL:2017:2902” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2017:2706

De gemachtigde voert aan dat het met het oog op artikel 6 van het EVRM onaanvaardbaar is dat de kantonrechter in zaken van verschillende betrokkenen in één beslissing uitspraak heeft gedaan in plaats van in iedere zaak afzonderlijk. De betrokkenen kunnen redelijkerwijs geen kennis nemen van de beslissing zonder daarbij kennis te dragen van de zaken van andere betrokkenen. Het hof vermag niet in te zien op welke wijze de kantonrechter hier heeft gehandeld in strijd met artikel 6 van het EVRM. De enkele omstandigheid dat betrokkenen ook kennis hebben kunnen nemen van beslissingen ten aanzien van andere betrokkenen regardeert niet artikel 6 van het EVRM.
De gemachtigde heeft ongemotiveerd verzocht om de eerder ingediende bezwaren als ingelast te beschouwen. Het is niet de taak van het hof om -anders dan in kwesties van openbare orde- ambtshalve de rechtmatigheid van de beslissing van de kantonrechter te beoordelen.

“ECLI:NL:GHARL:2017:2706” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2017:2301

In navolging van bestendige rechtspraak van de hoogste bestuursrechters heeft het hof bij arrest van 3 maart 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:1777) geoordeeld dat sprake is van schending van de redelijke termijn van berechting wanneer de procedure in eerste aanleg – inclusief het administratief beroep – langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. Voor het hoger beroep bedraagt de redelijke termijn van berechting eveneens ten hoogste twee jaar. Die termijn gaat in op het moment dat het rechtsmiddel is ingesteld. Bestraffende sancties hoger dan € 1000,- worden bij schending van de redelijke termijn in beginsel gematigd. Bij sancties onder de € 1000,-, zoals de onderhavige, wordt volstaan met de vaststelling dat artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden.

“ECLI:NL:GHARL:2017:2301” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2017:1838

De onschuldspresumptie zoals neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het EVRM, verzet zich niet tegen het in WAHV-zaken gehanteerde uitgangspunt dat de ambtsedige verklaring van de verbalisant, zoals weergegeven in het zaakoverzicht, in beginsel een voldoende grondslag kan bieden voor de vaststelling dat de gedraging is verricht maar dat dit anders is indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten of omstandigheden aanvoert die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van die verklaring. Dat oordeel van de kantonrechter is door de gemachtigde niet betwist. Ook dit bezwaar brengt niet mee dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven.

“ECLI:NL:GHARL:2017:1838” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2017:1777

Het hof past voortaan bij een beroep op schending van de redelijke termijn van berechting het beoordelingskader toe dat wordt toegepast in de bestuursrechtelijke rechtspraak waaraan een bestraffende sanctie ten grondslag ligt: er is sprake van schending van de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van het EVRM wanneer de procedure in eerste aanleg – inclusief administratief beroep – langer dan twee jaar heeft geduurd. Voor het hoger beroep bedraagt de redelijke termijn van berechting eveneens ten hoogste twee jaar. Bij sancties onder de € 1000,-, wordt de sanctie niet gematigd, maar volstaan met de vaststelling dat artikel 6 van het EVRM is geschonden.
De betrokkene wilde in persoon worden gehoord door de officier van justitie. Gelet op de wetsgeschiedenis is telefonisch horen in beginsel geen volwaardig alternatief voor een hoorzitting. Aan de omstandigheid dat de betrokkene niet heeft verzocht om te worden gehoord, kan in dit geval niet de betekenis toekomen dat de officier van justitie op de voet van 7:17, aanhef en onder d, AWB ervan heeft kunnen afzien de betrokkene (in persoon) te horen.

“ECLI:NL:GHARL:2017:1777” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2017:1003

Bij of krachtens de WAHV is niet voorzien in de mogelijkheid van het instellen van beroep tegen de ingevolge artikel 23 WAHV van rechtswege toegepaste verhoging van de sanctie. Het hof is van oordeel dat artikel 6 EVRM niet meebrengt dat een betrokkene een rechtsmiddel kan instellen tegen de van rechtswege ingetreden verhoging. Onder verwijzing naar het arrest ECLI:NL:HR:2006:AU7141 is het hof van oordeel dat artikel 6, eerste lid, EVRM niet van toepassing is ten aanzien van de opgelegde verhogingen. Bij de vraag of een verhoging al dan niet terecht is opgelegd dan wel een dwangbevel terecht is uitgevaardigd, kan de rechtmatigheid van de sanctie zelf geen voorwerp van onderzoek meer zijn en gaat het slechts om de vraag naar de rechtmatigheid van de inning van de sanctie. De omstandigheid dat niet is voorzien in de mogelijkheid van het instellen van beroep tegen een opgelegde verhoging is naar het oordeel van het hof dan ook niet in strijd met het EVRM.

“ECLI:NL:GHARL:2017:1003” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2016:9028

Gemachtigde heeft binnen de termijn om zekerheid te stellen, aangegeven dat de betrokkene over een verminderde draagkracht beschikt. Daarbij is verzocht om een nadere termijn om het draagkrachtverweer te onderbouwen. De kantonrechter heeft zonder het draagkrachtverweer in zijn beschouwing te betrekken, het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De betrokkene is niet uitgenodigd voor een zitting. Acht de kantonrechter het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht ongegrond, dan dient de kantonrechter de betrokkene een nadere termijn te gunnen om alsnog het volledige bedrag van de zekerheidstelling te voldoen.

“ECLI:NL:GHARL:2016:9028” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2016:8851

De kantonrechter heeft de zaak ten onrechte teruggewezen naar de officier van justitie. De WAHV voorziet niet in een mogelijkheid voor de kantonrechter om een bij de rechtbank aanhangige beroepsprocedure terug te wijzen naar de officier van justitie. Artikel 9, eerste lid, van de WAHV verklaart hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing, zodat de daarin opgenomen verwijzingsmogelijkheid evenmin kan worden benut in WAHV-zaken. De enkele omstandigheid dat het niet kunnen terugwijzen naar de officier van justitie meebrengt dat niet een rechtmatigheids- of doelmatigheidsbeoordeling door de officier van justitie van de inleidende beschikking zou kunnen plaatsvinden, betekent niet dat sprake is van strijd met artikel 6 EVRM.

“ECLI:NL:GHARL:2016:8851” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2016:825

De omstandigheid dat de afdoening van verkeersrechtelijke overtredingen in een administratiefrechtelijke procedure geschiedt, neemt niet weg dat er sprake is van een ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het EVRM (vgl. EHRM 21 februari 1984, Serie A Vol.73, NJ 1988/937, “Özturk”). Dit brengt mee dat aan de betrokkene in deze procedure een beroep toekomt op de in het EVRM vervatte beginselen met betrekking tot de rechtspleging. Het recht op toegang tot de rechter is in de woorden van het Europese Hof niet onbegrensd (vgl. EHRM 8 juli 1986, nr. 9006/80, Lithgow tegen het Verenigd Koninkrijk, Series A no. 102, punt 194). Naar het oordeel van het hof wordt door het stellen van een beroepstermijn geen ongerechtvaardigde beperking gesteld aan het recht op toegang tot de rechter en wordt de toegang tot de rechter niet zozeer beperkt dat het betrokken recht in de kern wordt aangetast. Gelet hierop bestaat geen aanleiding om voorbij te gaan aan de termijnoverschrijding en het beroep ten gronde te behandelen.

“ECLI:NL:GHARL:2016:825” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2016:824

De omstandigheid dat de afdoening van verkeersrechtelijke overtredingen in een administratiefrechtelijke procedure geschiedt, neemt niet weg dat er sprake is van een ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het EVRM (vgl. EHRM 21 februari 1984, “Özturk”). Het recht op toegang tot de rechter is in de woorden van het Europese Hof niet onbegrensd (vgl. EHRM 8 juli 1986, nr. 9006/80, Lithgow vs Verenigd Koninkrijk). Naar het oordeel van het hof wordt door het vereiste van zekerheidstelling geen ongerechtvaardigde beperking gesteld aan het recht op toegang tot de rechter. Op de zekerheidstelling dient een uitzondering te worden gemaakt, indien de hoogte van het bedrag aan zekerheid een zodanige belemmering oplevert, dat zou neerkomen op een ontoelaatbare beperking van het gegarandeerde recht op toegang tot een rechterlijke instantie.
De kantonrechter heeft het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dat de betrokkene – nadat hij de gelegenheid voorbij heeft laten gaan om te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht – alsnog inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Voorts acht het hof niet aannemelijk geworden dat de betrokkene wegens zijn gezondheidstoestand niet in staat was tijdig te reageren op het verzoek om inkomensgegevens te verstrekken en zijn beroep op het ontbreken van draagkracht te onderbouwen, aangezien het schietincident waarnaar de betrokkene verwijst heeft plaatsgevonden na de zitting van de kantonrechter.

“ECLI:NL:GHARL:2016:824” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2015:7842

De in de inleidende beschikking opgenomen passage: ‘U hebt een verkeersvoorschrift overtreden waarvoor u bent staandegehouden’ is naar het oordeel van het hof niet in strijd met het in artikel 6 van het EVRM vervatte vermoeden van onschuld. Het hierin vervatte recht is niet absoluut. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heeft bepaald dat het opleggen van een administratieve sanctie ingevolge de WAHV niet in strijd met artikel 6, tweede lid, van het EVRM. De onschuldpresumptie is dan ook niet in het geding.
De betrokkene stelt dat hij zijn mobiele telefoon niet heeft vastgehouden en dat hij beschikt over een handsfree installatie. Het hof ziet daarin geen aanleiding de verklaring van de verbalisant terzijde te stellen. Dat het voertuig van de betrokkene is voorzien van een werkende bluetooth/carkit, brengt slechts mee dat geen noodzaak bestaat om niet handsfree te bellen. Dat laat echter onverlet dat de betrokkene diverse andere redenen kan hebben gehad om de mobiele telefoon vast te houden.

“ECLI:NL:GHARL:2015:7842” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2015:7627

In deze WAHV-procedure is beroep ingesteld tegen de wettelijke verhogingen van de administratieve sanctie. De gemachtigde heeft aangevoerd dat op grond van artikel 6 EVRM de betrokkene het recht heeft om zijn bezwaren tegen de aan hem opgelegde verhogingen aan een rechter voor te leggen. Dat de betrokkene – nadat een dwangbevel tegen hem zou zijn uitgevaardigd of verhaal is genomen – de mogelijkheid heeft verzet te doen, brengt naar de mening van de gemachtigde niet mee dat de betrokkene niet door de kantonrechter in zijn beroep kon worden ontvangen. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat noch op grond van de WAHV, noch op grond van de Algemene wet bestuursrecht of een andere wettelijke regeling, beroep openstaat bij de rechter tegen de opgelegde verhogingen. Niet eerst dan nadat een dwangbevel is uitgevaardigd, staat voor de betrokkene het rechtsmiddel van verzet open. Het gaat hier slechts om de rechtmatigheid van de inning van de sanctie. Derhalve is geen sprake van een ‘criminal charge’ of een ‘determination of civil obligations’.

“ECLI:NL:GHARL:2015:7627” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2015:7007

De tweede volzin van artikel 2, eerste lid, WAHV bepaalt dat voorzieningen van strafrechtelijke of strafvorderlijke aard zijn uitgesloten. Dat houdt in dat de voorschriften van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering inzake de opsporing, vervolging en berechting niet van toepassing zijn, tenzij deze in de WAHV zelf van toepassing worden verklaard.
De Hoge Raad heeft de kentekenaansprakelijkheid zoals neergelegd in artikel 5 van de WAHV bij uitspraak van 15 juli 1993 niet in strijd met het internationale recht geoordeeld. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens is tot hetzelfde oordeel gekomen, inhoudende dat de kentekenaansprakelijkheid van artikel 5 van de WAHV niet in strijd is met artikel 6 EVRM en de in dat artikel gewaarborgde onschuldpresumptie.
Dat fotograferen van de achterzijde van een voertuig niet is toegelaten en hierover nog nooit is geoordeeld door een rechter, is niet juist. Deze werkwijze is in Nederland toegestaan en past bij de in artikel 5 van de WAHV neergelegde kentekenaansprakelijkheid. Dat in Duitsland voertuigen slechts aan de voorzijde mogen worden gefotografeerd en sancties slechts aan de bestuurder kunnen worden opgelegd, kan daaraan niet afdoen.

“ECLI:NL:GHARL:2015:7007” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2015:4691

Het bedrag van te stellen zekerheid gelijktijdig is in drie zaken verlaagd tot € 75,-, zodat de totale som € 225,- bedraagt. Indien een betrokkene in de procedure bij de kantonrechter met redenen omkleed aanvoert dat hij niet in staat is zekerheid te stellen, zal de kantonrechter de betrokkene in de gelegenheid moeten stellen op een openbare zitting te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht. Niet gebleken is dat de betrokkene tijdens deze zitting, noch tijdens de eerdere zitting, voldoende in de gelegenheid is gesteld zijn draagkrachtverweer te onderbouwen. Gelet hierop, en in aanmerking genomen dat de betrokkene stelt dat hij tijdens de eerdere zitting gevraagd heeft de zekerheid op nihil te stellen, is het hof van oordeel dat de betrokkene redelijkerwijs in de veronderstelling kon komen te verkeren dat hij nogmaals in de gelegenheid zou worden gesteld om zijn financiële situatie nader toe te lichten en (nog) niet de verlaagde zekerheid heeft gesteld.

“ECLI:NL:GHARL:2015:4691” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2015:1220

De zekerheidstelling als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de WAHV is vereist met het oog op de ontvankelijkheid van het bij de kantonrechter ingestelde beroep. Volgens vaste jurisprudentie mag, om de ontvankelijkheid van het ingestelde beroep ten overstaan van de kantonrechter aan de orde te kunnen stellen, van een betrokkene worden verwacht dat in de procedure bij de kantonrechter een draagkrachtverweer wordt gevoerd. Dat houdt in dat hetzij in het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie, hetzij in reactie op (één van) de hem toegezonden brieven omtrent de verplichting tot zekerheidstelling en vóór het einde van de voor het stellen van zekerheid geldende termijn, wordt aangevoerd dat van de betrokkene in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij zekerheid stelt tot het totale van hem verlangde bedrag. In zodanig geval dient de kantonrechter de betrokkene uit te nodigen voor een zitting teneinde hem omtrent zijn draagkracht te horen (ECLI:NL:GHARL:2014:1139). Naar het oordeel van het hof is dit niet in strijd met het uit artikel 6 EVRM voortvloeiend recht om een zaak ten overstaan van een rechter te kunnen bepleiten.

“ECLI:NL:GHARL:2015:1220” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2014:4129

De in artikel 13, eerste lid, van Boek 3 van het BW neergelegde regel dat een bevoegdheid niet kan worden ingeroepen voor zover deze wordt misbruikt, vindt ingevolge artikel 15 van Boek 3 van het BW ook toepassing buiten het vermogensrecht. Voor het niet-ontvankelijk verklaren van een bij een rechter ingesteld rechtsmiddel wegens misbruik van recht zijn zwaarwichtige gronden vereist, aangezien met de niet-ontvankelijkverklaring de betrokkene in feite het recht op toegang tot de rechter wordt ontzegd.
Voor het procesgedrag kan geen andere plausibele verklaring worden gevonden dan het oogmerk om ten laste van de overheid dwangsommen en proceskostenvergoedingen te incasseren.

“ECLI:NL:RVS:2014:4129” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2014:5564

Het hof gaat om en beoordeelt een in hoger beroep gevoerd draagkrachtverweer met betrekking tot de verplichting griffierecht te betalen en zekerheid te stellen. In het arrest van 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:699 oordeelde de Hoge Raad dat de enkele omstandigheid dat artikel 6, eerste lid, van het EVRM niet van toepassing is in het aan de Hoge Raad voorgelegde geschil niet meebrengt dat het verschuldigde griffierecht in alle gevallen op straffe van niet-ontvankelijkheid dient te worden betaald. Indien een betrokkene in hoger beroep aannemelijk maakt dat hij niet (volledig) in staat is om het griffierecht te voldoen dan wel zekerheid te stellen, zal het hof oordelen dat in zoverre redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat een betrokkene in verzuim is. De gemachtigde heeft aannemelijk gemaakt dat de financiële draagkracht ontbreekt om zekerheid (van € 1143,73) te stellen. Gelet hierop kan in zoverre redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim is.

“ECLI:NL:GHARL:2014:5564” verder lezen

ECLI:NL:HR:2014:699

In het algemeen kan worden aangenomen dat de regeling in het bestuursrecht over heffing van griffierecht, inclusief de thans daarbij behorende bedragen aan griffierecht, van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Dit laat onverlet dat zich gevallen kunnen voordoen waarin heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor de rechtzoekende onmogelijk, althans uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. In een dergelijk geval mag niet worden aanvaard dat een (hoger) beroep wegens het onbetaald blijven van griffierecht niet-ontvankelijk wordt verklaard. Dit kan worden voorkomen door aan te nemen dat de betrokkene met het achterwege laten van een betaling van griffierecht niet in verzuim is.

“ECLI:NL:HR:2014:699” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2014:188

De ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld en het processuele gedrag van appellant gedurende de gehele procesgang onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de als uitgangspunt gehanteerde termijnen gerechtvaardigd te achten. De gehanteerde redelijke termijn van vijf jaar voor zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan, vermoedelijk niet in strijd is met artikel 6, eerste lid, van het EVRM. In niet-punitieve procedures die volgen op primaire besluiten die bekend zijn gemaakt vóór 1 februari 2014 geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer dan drie jaar mogen duren en dat in niet-punitieve procedures die volgen op primaire besluiten die bekendgemaakt zijn gemaakt op of na 1 februari 2014 als uitgangspunt geldt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer dan twee jaar mogen duren. Tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden.

“ECLI:NL:RVS:2014:188” verder lezen

ECLI:NL:CBB:2013:BZ6866

De procedure waarin door DNB een boete is opgelegd voor overtreding van artikel 10 Wtt juncto artikel 12, derde lid, Rib, moet binnen een redelijke termijn dient te zijn voltooid. Gelet op de aanvang van de redelijke termijn met de brief van 24 april 2008, waarin is meegedeeld dat bij een toezichtbezoek een aantal tekortkomingen is geconstateerd, dat DNB de situatie ernstig acht en dat zij zich op dat moment beraadt over het treffen van formele maatregelen door het opleggen van een bestuurlijke boete en/of last onder dwangsom, en nu het geding in eerste aanleg is geëindigd met de uitspraak van de rechtbank van 9 maart 2010, is deze termijn niet overschreden. De eveneens op twee jaren te stellen redelijke termijn voor hoger beroep is, gelet op de datum van ontvangst van het hoger beroepschrift wel overschreden. Het College ziet aanleiding, in lijn met het arrest van de Hoge Raad, de opgelegde boete met 10 procent te verminderen.

“ECLI:NL:CBB:2013:BZ6866” verder lezen