ECLI:NL:CRVB:2009:BI3772

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Ingevolge artikel 3:309 van het BW verjaart de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan. Aansluiting zoekend bij dit artikel is de Raad van oordeel dat de verjaringstermijn voor het nemen van een besluit tot terugvordering van bijstand als hier aan de orde aanvangt op het moment dat het bestuursorgaan bekend is geworden met feiten en omstandigheden waaruit voldoende kan worden afgeleid dat ten onrechte bijstand is verleend en dat een besluit tot terugvordering zal volgen. Nu bij uitspraak van de rechtbank in rechte is komen vast te staan dat betrokkene binnen vijf jaar bekend is geworden met het besluit van 27 februari 2003 moet worden geconcludeerd dat de vordering over de periode van 27 februari 1998 tot en met 22 december 1998, ten tijde in geding niet was verjaard.

Lees “ECLI:NL:CRVB:2009:BI3772” verder

ECLI:NL:RVS:2008:BG8313

Staatssecretaris heeft een boete opgelegd wegens overtreding van artikel 2 Wav. Bij een besluit tot boeteoplegging is het in artikel 3:4 Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter. In deze zaak bestaat geen grond voor het oordeel tot het volledig ontbreken of verminderde mate van verwijtbaarheid. De redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden, indien de duur van de totale procedure onredelijk lang is. Voorts heeft voor de beslechting van het geschil in eerste aanleg als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar uitspraak doet.

Lees “ECLI:NL:RVS:2008:BG8313” verder