ECLI:NL:GHARL:2015:7009

De administratieve sanctie bedraagt na de beslissing van de kantonrechter minder dan € 70,-. De sanctie is door de officier van justitie ongedaan gemaakt. Het hoger beroep van de gemachtigde dient daarom in beginsel niet-ontvankelijk te worden verklaard. In het dossier bevindt zich een aan de gemachtigde gerichte oproeping voor de zitting van 13 november 2014. Echter, niet blijkt uit een stempel, aantekening of anderszins, dat de oproeping aan de betrokkene is toegezonden. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat de gemachtigde van behoorlijk is opgeroepen voor de zitting. Aldus is gehandeld in strijd met artikel 12, eerste lid, WAHV. Na doorbreking van het appelverbod komt het hof toe aan de beoordeling van het verzoek om toekenning van een dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen en een proceskostenvergoeding voor de procedure bij de officier van justitie. Het hof is van oordeel dat de (tweede) brief als ingebrekestelling kan worden aangemerkt. Dat daarin niet uitdrukkelijk is vermeld dat het een ingebrekestelling betreft met het oog op de wet dwangsommen, zoals de gemachtigde van de advocaat-generaal ter zitting van het hof heeft aangevoerd, kan daaraan niet afdoen. Twee verschillende wegingsfactoren proceskosten voor de verschillende fasen van de procedure.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:7009” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:3333

De betrokkene heeft administratief beroep ingesteld tegen de administratiekosten. Deze administratiekosten maken onderdeel uit van de beschikking waarbij aan de betrokkene een sanctie is opgelegd. Dit brengt mee dat de officier van justitie zich terecht bevoegd heeft geacht om van het geschil kennis te nemen en dat ook de kantonrechter, na het uitblijven van een beslissing op het beroep, zich bevoegd heeft geacht om een beslissing te nemen. In dit verband wijst het hof naar ECLI:NL:RVS:2013:BZ0722. Het hof is ter zake bevoegd. De omstandigheid dat de sanctie bij de kantonrechter geen onderwerp van geschil is geweest, doet daaraan niet af. Artikel 14, eerste lid, WAHV stelt die eis niet. Het hof heeft bij arrest ECLI:NL:GHARL:2013:2333 bepaald dat het hoger beroep ook betrekking kan hebben op geschillen met betrekking tot de vaststelling van de hoogte van de dwangsom ingeval van niet-tijdig beslissen op een administratief beroep. In de ingebrekestelling komt het woord ‘ingebrekestelling’ niet voor, noch wordt de officier van justitie gemaand om op het administratief beroep te beslissen. De ingebrekestelling kan, gelet op de inhoud daarvan, niet als ingebrekestelling in de zin van artikel 4:17, derde lid, Awb worden aangemerkt.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:3333” verder

ECLI:NL:RVS:2014:4129

De in artikel 13, eerste lid, van Boek 3 van het BW neergelegde regel dat een bevoegdheid niet kan worden ingeroepen voor zover deze wordt misbruikt, vindt ingevolge artikel 15 van Boek 3 van het BW ook toepassing buiten het vermogensrecht. Voor het niet-ontvankelijk verklaren van een bij een rechter ingesteld rechtsmiddel wegens misbruik van recht zijn zwaarwichtige gronden vereist, aangezien met de niet-ontvankelijkverklaring de betrokkene in feite het recht op toegang tot de rechter wordt ontzegd.
Voor het procesgedrag kan geen andere plausibele verklaring worden gevonden dan het oogmerk om ten laste van de overheid dwangsommen en proceskostenvergoedingen te incasseren.

Lees “ECLI:NL:RVS:2014:4129” verder

ECLI:NL:RVS:2014:1290

Uit de geschiedenis van wettelijke bepalingen volgt dat de ingebrekestelling is bedoeld om het bestuursorgaan aan te sporen om alsnog binnen een termijn van twee weken een besluit te nemen en aldus de dwangsomregeling als het ware te activeren. Er zijn echter geen aanknopingspunten dat de wetgever heeft beoogd om de ingebrekestelling om die reden aan te merken als een aanvraag in de zin van de Awb. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat onder deze omstandigheden het nemen van een dwangsombesluit geen beschikking op aanvraag in de zin van de Awb is en de staatssecretaris dientengevolge niet krachtens die bepaling een dwangsom kan verbeuren wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit.
Het was aan appellanten om twee weken na die ingebrekestelling desgewenst bij de rechter beroep in te stellen.

Lees “ECLI:NL:RVS:2014:1290” verder

ECLI:NL:GHARL:2014:2500

Na doorbreking van het appelverbod komt het hof toe aan de beoordeling van de vraag of de officier van justitie dwangsommen heeft verbeurd aan de betrokkene wegens het niet tijdig beslissen op een verzoek van de betrokkene aan de officier van justitie om vergoeding van proceskosten. Het hof stelt vast dat het verzoek is gedaan, op het moment dat de betrokkene reeds beroep bij de kantonrechter had ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep. In de fase van het beroep bij de kantonrechter is deze echter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die aan andere partij in verband met de behandeling van het beroep, het bezwaar of het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Nu de officier van justitie niet meer bevoegd was te beslissen op het verzoek tot vergoeding van proceskosten, kan reeds daarom geen sprake zijn van het niet tijdig geven van een beschikking op aanvraag dat aanleiding zou kunnen zijn voor het verbeuren van dwangsommen op de voet van artikel 4:17 van de Awb.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2014:2500” verder

ECLI:NL:RVS:2013:1133

Het verzoek om betaling van een dwangsom is afgewezen. Het verzoek van appellante is terecht niet opgevat als een Wob-verzoek. De brieven hebben als onderwerp “beroepschrift” en erin zijn gronden geformuleerd tegen de opgelegde sanctie. Aan het eind van de brieven verzoekt appellante om toezending van het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal en eventuele andere stukken uit het dossier. Zij refereert daarbij niet aan de Wob. Gelet op de omstandigheid dat het verzoek om toezending is gedaan in het kader van een WAHV-procedure, diende het verzoek in het kader van die procedure te worden begrepen.
Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat het in het kader van een Wahv-procedure mogelijk is op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Awb stukken uit te wisselen, bestaat geen grond voor het oordeel dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden.

Lees “ECLI:NL:RVS:2013:1133” verder

ECLI:NL:RVS:2013:BZ0722

Bij uitspraak van 23 december 2011 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het door appellant ingestelde beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een beschikking tot vaststelling van een dwangsom door de officier van justitie. De rechtbank had ambtshalve moeten bezien of zij als algemene of bijzondere bestuursrechter bevoegd was van het beroepschrift kennis te nemen. De algemene bestuursrechter van de rechtbank was niet bevoegd van het beroep van appellant kennis te nemen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft dit niet tot gevolg dat de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard, aangezien de kantonrechter van die rechtbank als bijzondere bestuursrechter wordt aangemerkt als de Wahv van toepassing is.

Lees “ECLI:NL:RVS:2013:BZ0722” verder

ECLI:NL:RVS:2011:BP3711

Bij besluit van 16 december 2009 heeft het college een verzoek van [appellanten] om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot een schapen- en rundveehouderij aan de Vissersweg (ongenummerd) te Appeltern, afgewezen.
Indien het bestuursorgaan prematuur in gebreke is gesteld en het vervolgens de verschuldigdheid van een dwangsom afwijst, is die afwijzing een besluit.

Lees “ECLI:NL:RVS:2011:BP3711” verder

ECLI:NL:RVS:2010:BN5684

In de verzoeken van de wederpartij is aangegeven over welke op zijn ambtelijke rechtspositie en de voorbereiding van het ontslag betrekking hebbende stukken hij wenst te beschikken. De wederpartij heeft zich in die verzoeken niet beroepen op, noch verwezen naar de Wob. Het college had het verzoek van wederpartij niet mogen afdoen met toepassing van de Wob en had het bezwaar van wederpartij niet-ontvankelijk dienen te verklaren.
De uitspraak van de rechtbank is gedaan na 1 oktober 2009. Met die uitspraak is een nieuwe termijn gaan lopen waarbinnen het college diende te beslissen op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar. Wederpartij heeft het college in gebreke heeft gesteld en verzocht om vaststelling van de hoogte van de verbeurde dwangsom.

Lees “ECLI:NL:RVS:2010:BN5684” verder