ECLI:NL:GHARL:2016:10323

De gemachtigde voert aan dat de verbalisant, een buitengewoon opsporingsambtenaar, in strijd met de toepasselijke wettelijke voorschriften is beëdigd namens de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en niet namens de minister, die daartoe bevoegd was. In het arrest ECLI:NL:GHARL:2016:9412 heeft het hof op een soortgelijk verweer een beslissing genomen. Temeer nu de gemachtigde ook in die zaak was betrokken, verwijst het hof naar dat arrest.
Het verzoek aan de officier van justitie om terug te komen op zijn beslissing op het administratief beroep, is een verzoek om gebruik te maken van een ambtshalve bevoegdheid. Onbetwist is dat de officier van justitie de ambtshalve bevoegdheid tot heroverweging heeft. De WAHV voorziet echter niet in de mogelijkheid om de officier van justitie te verzoeken van die bevoegdheid gebruik te maken. Het verzoek is geen aanvraag in de zin van artikel 1:3 juncto artikel 4:17 van de Awb.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:10323” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:4926

De gemachtigde heeft de CVOM in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het beroep. In het onderhavige geval is de beslissing op het administratief beroep, weliswaar binnen de daarvoor geldende termijn genomen, maar is deze vervolgens als gevolg van een technische storing bij het CJIB niet aan de betrokkene en de gemachtigde gezonden. Uit het dossier blijkt echter dat de officier van justitie bij separate brief aan de gemachtigde heeft bericht dat het verzoek om een kostenvergoeding wordt afgewezen. Gelet hierop is de gemachtigde binnen de geldende termijn geïnformeerd over het feit dat er een beslissing is genomen op het beroep en dat het beroep niet gegrond is verklaard. Onder deze omstandigheden is voldaan aan de strekking van de toepasselijke beslistermijn.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:4926” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:4930

In het verzoek stelt de gemachtigde dat zijn beroepschrift, dat zich richt tegen de beslissing op administratief beroep, door de officier van justitie niet tijdig is doorgezonden naar de rechtbank. Om die reden verzoekt de gemachtigde om vernietiging van de beschikking waarbij de administratieve sanctie is opgelegd. Weliswaar kan de officier van justitie met een dergelijk verzoek worden geadieerd, maar dit verzoek heeft geen wettelijke grondslag en kan niet worden aangemerkt als een aanvraag in vorenbedoelde zin. Nu er geen sprake is van het niet tijdig geven van een beschikking op aanvraag, heeft het bestuursorgaan geen dwangsom verbeurd.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:4930” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:10

Hangende de procedure bij de kantonrechter heeft de officier van justitie de inleidende beschikking vernietigd. De gemachtigde heeft de officier van justitie geantwoord dat de betrokkene het beroep bij de kantonrechter wil intrekken onder de voorwaarde van toewijzing van proceskostenvergoeding. Er is een ingebrekestelling verstuurd, maar de officier van justitie verbeurt geen dwangsom wegens het niet tijdig beslissen. De officier van justitie heeft de ambtshalve bevoegdheid tot het vergoeden van proceskosten, maar de WAHV kent niet de bevoegdheid om de officier van justitie te verzoeken van die bevoegdheid gebruik te maken. Er is geen sprake van een aanvraag van een beschikking in de zin van de Awb.
Het appelverbod wordt doorbroken omdat is verzuimd aan de gemachtigde een uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter te sturen.
In dit geval bestaat er aanleiding om alleen de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep te vergoeden. De betrokkene heeft zelf beroep bij de officier van justitie en kantonrechter ingesteld. Hangende de procedure bij de kantonrechter heeft de gemachtigde zich in het geding gevoegd. Dat de gemachtigde de betrokkene heeft geadviseerd alvorens deze zijn beroepschriften heeft ingediend, maakt dat niet anders.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:10” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:9019

Een verzoek aan de officier van justitie om zijn beslissing op het administratief beroep te heroverwegen, is geen aanvraag om een beschikking als bedoeld in 1:3 jo. 4:17 Awb, maar een verzoek om gebruik te maken van een ambtshalve bevoegdheid. Gevolgen? Niet tijdig reageren op dit verzoek kan niet leiden tot verbeurte van een dwangsom. De reactie van de officier van justitie op het verzoek is een mededeling van feitelijke aard waartegen ingevolge de WAHV geen rechtsmiddel openstaat. Uit een oogpunt van concentratie van rechtsmacht dient de kantonrechter erover te oordelen in de WAHV-procedure. De officier van justitie is niet bevoegd te beslissen op een bezwaarschrift van de betrokkene dat is gericht tegen de reactie van de officier van justitie op het verzoek. Dit bezwaarschrift moet worden doorgezonden naar de kantonrechter die over het WAHV-beroep moet oordelen. Het niet tijdig beslissen op dit bezwaarschrift door de officier van justitie kan daarom ook niet leiden tot verbeurte van een dwangsom.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:9019” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:7009

De administratieve sanctie bedraagt na de beslissing van de kantonrechter minder dan € 70,-. De sanctie is door de officier van justitie ongedaan gemaakt. Het hoger beroep van de gemachtigde dient daarom in beginsel niet-ontvankelijk te worden verklaard. In het dossier bevindt zich een aan de gemachtigde gerichte oproeping voor de zitting van 13 november 2014. Echter, niet blijkt uit een stempel, aantekening of anderszins, dat de oproeping aan de betrokkene is toegezonden. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat de gemachtigde van behoorlijk is opgeroepen voor de zitting. Aldus is gehandeld in strijd met artikel 12, eerste lid, WAHV. Na doorbreking van het appelverbod komt het hof toe aan de beoordeling van het verzoek om toekenning van een dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen en een proceskostenvergoeding voor de procedure bij de officier van justitie. Het hof is van oordeel dat de (tweede) brief als ingebrekestelling kan worden aangemerkt. Dat daarin niet uitdrukkelijk is vermeld dat het een ingebrekestelling betreft met het oog op de wet dwangsommen, zoals de gemachtigde van de advocaat-generaal ter zitting van het hof heeft aangevoerd, kan daaraan niet afdoen. Twee verschillende wegingsfactoren proceskosten voor de verschillende fasen van de procedure.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:7009” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:5906

Het instellen van administratief beroep kan worden beschouwd als het indienen van een aanvraag als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, Awb. Dat dit administratief beroep zich richt tegen een ambtshalve gegeven beschikking doet daaraan niet af. Bij brief heeft de gemachtigde de officier van justitie verzocht een beslissing te nemen op zijn beroepschrift en is de officier van justitie in gebreke gesteld. Volgens het zaakoverzicht van het CJIB is de beslissing van de officier van justitie echter reeds, voor het einde van de termijn, aan de betrokkene toegezonden. Het hof heeft in ECLI:NL:GHLEE:2009:BP3020 overwogen dat, gelet op de vaste werkwijze van het CJIB bij de verzending van stukken, de kans op fouten daarbij nagenoeg is uitgesloten. Op grond daarvan mag worden aangenomen dat verzending daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het ligt vervolgens op de weg van de betrokkene om de ontvangst van de beslissing van de officier van justitie op niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. De betrokkene is daar niet in geslaagd. De omstandigheid dat de beslissing niet is verzonden aan de gemachtigde, brengt niet mee dat de officier van justitie niet op het beroep heeft beslist.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:5906” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:3333

De betrokkene heeft administratief beroep ingesteld tegen de administratiekosten. Deze administratiekosten maken onderdeel uit van de beschikking waarbij aan de betrokkene een sanctie is opgelegd. Dit brengt mee dat de officier van justitie zich terecht bevoegd heeft geacht om van het geschil kennis te nemen en dat ook de kantonrechter, na het uitblijven van een beslissing op het beroep, zich bevoegd heeft geacht om een beslissing te nemen. In dit verband wijst het hof naar ECLI:NL:RVS:2013:BZ0722. Het hof is ter zake bevoegd. De omstandigheid dat de sanctie bij de kantonrechter geen onderwerp van geschil is geweest, doet daaraan niet af. Artikel 14, eerste lid, WAHV stelt die eis niet. Het hof heeft bij arrest ECLI:NL:GHARL:2013:2333 bepaald dat het hoger beroep ook betrekking kan hebben op geschillen met betrekking tot de vaststelling van de hoogte van de dwangsom ingeval van niet-tijdig beslissen op een administratief beroep. In de ingebrekestelling komt het woord ‘ingebrekestelling’ niet voor, noch wordt de officier van justitie gemaand om op het administratief beroep te beslissen. De ingebrekestelling kan, gelet op de inhoud daarvan, niet als ingebrekestelling in de zin van artikel 4:17, derde lid, Awb worden aangemerkt.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:3333” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:1132

De gemachtigde is niet behoorlijk in de gelegenheid heeft gesteld zijn beroep van argumenten te voorzien, nu de gemachtigde ondanks zijn verzoek hiertoe niet een nadere termijn is gegeven om zijn beroep aan te vullen en de officier van justitie reeds voor het toezenden van het zaakoverzicht een beslissing op het beroep van de gemachtigde heeft genomen. De officier van justitie heeft het beroep kennelijk ongegrond verklaard. Het beroep had niet kennelijk ongegrond verklaard kunnen worden, nu de gronden van het administratief beroep nog niet (volledig) bekend waren.
Er is verzocht de beschikking te vernietigen wegens termijnoverschrijding en om een dwangsom vast te stellen. Het beroepschrift en de overige zaakstukken zijn niet binnen de daarvoor gestelde termijn toegezonden aan de rechtbank. Genoemde termijn betreft echter een termijn van orde, waaraan de wet niet het gevolg verbindt dat de sanctie dient te worden vernietigd. De op de officier van justitie rustende verplichting om een dossier door te sturen naar de rechtbank, is niet als een beschikking op aanvraag aan te merken en hierdoor kan er geen dwangsom worden opgelegd.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:1132” verder

ECLI:NL:RVS:2014:4682

Als uitgangspunt geldt dat, in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat het besluit naar het juiste adres is verzonden.
Van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb is sprake als duidelijk is dat de belanghebbende het bestuursorgaan maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Daarvan is sprake indien voldoende duidelijk is op welke aanvraag het geschrift betrekking heeft. Het faxbericht kan, gelet op de bewoordingen, worden aangemerkt als een ingebrekestelling in de zin van artikel 4:17 van de Awb. Ingevolge het derde lid van dit artikel was het college na deze ingebrekestelling een dwangsom verschuldigd.

Lees “ECLI:NL:RVS:2014:4682” verder

ECLI:NL:RVS:2014:4448

Bij besluit heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat hij geen dwangsom heeft verbeurd wegens het niet tijdig nemen van een besluit op een door appellant ingediend verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob-verzoek).
Ingevolge artikel 6:20, vijfde lid, van de Awb kan het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog gegrond worden verklaard, indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen kan het bestuursorgaan niet krachtens 4:17, eerste lid, van de Awb een dwangsom verbeuren wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit. De Afdeling overweegt dat in lijn met deze uitspraak moet worden geoordeeld dat ook geen dwangsom wordt verbeurd bij het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar tegen een dwangsombesluit.

Lees “ECLI:NL:RVS:2014:4448” verder

ECLI:NL:RVS:2014:4129

De in artikel 13, eerste lid, van Boek 3 van het BW neergelegde regel dat een bevoegdheid niet kan worden ingeroepen voor zover deze wordt misbruikt, vindt ingevolge artikel 15 van Boek 3 van het BW ook toepassing buiten het vermogensrecht. Voor het niet-ontvankelijk verklaren van een bij een rechter ingesteld rechtsmiddel wegens misbruik van recht zijn zwaarwichtige gronden vereist, aangezien met de niet-ontvankelijkverklaring de betrokkene in feite het recht op toegang tot de rechter wordt ontzegd.
Voor het procesgedrag kan geen andere plausibele verklaring worden gevonden dan het oogmerk om ten laste van de overheid dwangsommen en proceskostenvergoedingen te incasseren.

Lees “ECLI:NL:RVS:2014:4129” verder

ECLI:NL:RVS:2014:1290

Uit de geschiedenis van wettelijke bepalingen volgt dat de ingebrekestelling is bedoeld om het bestuursorgaan aan te sporen om alsnog binnen een termijn van twee weken een besluit te nemen en aldus de dwangsomregeling als het ware te activeren. Er zijn echter geen aanknopingspunten dat de wetgever heeft beoogd om de ingebrekestelling om die reden aan te merken als een aanvraag in de zin van de Awb. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat onder deze omstandigheden het nemen van een dwangsombesluit geen beschikking op aanvraag in de zin van de Awb is en de staatssecretaris dientengevolge niet krachtens die bepaling een dwangsom kan verbeuren wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit.
Het was aan appellanten om twee weken na die ingebrekestelling desgewenst bij de rechter beroep in te stellen.

Lees “ECLI:NL:RVS:2014:1290” verder

ECLI:NL:GHARL:2014:2500

Na doorbreking van het appelverbod komt het hof toe aan de beoordeling van de vraag of de officier van justitie dwangsommen heeft verbeurd aan de betrokkene wegens het niet tijdig beslissen op een verzoek van de betrokkene aan de officier van justitie om vergoeding van proceskosten. Het hof stelt vast dat het verzoek is gedaan, op het moment dat de betrokkene reeds beroep bij de kantonrechter had ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep. In de fase van het beroep bij de kantonrechter is deze echter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die aan andere partij in verband met de behandeling van het beroep, het bezwaar of het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Nu de officier van justitie niet meer bevoegd was te beslissen op het verzoek tot vergoeding van proceskosten, kan reeds daarom geen sprake zijn van het niet tijdig geven van een beschikking op aanvraag dat aanleiding zou kunnen zijn voor het verbeuren van dwangsommen op de voet van artikel 4:17 van de Awb.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2014:2500” verder

ECLI:NL:RVS:2014:911

Ter beoordeling staat of het particuliere bedrijf een bestuursorgaan in de zin van de Awb is. Voor het antwoord op de vraag of dit bedrijf met enig openbaar gezag is bekleed, is bepalend of aan hem een publiekrechtelijke bevoegdheid tot het bepalen van een rechtspositie van andere rechtssubjecten is toegekend. Uit de Aanwijzing noch uit enig wettelijk voorschrift volgt dat aan het particuliere bedrijf een dergelijke publiekrechtelijke bevoegdheid is toegekend.
Het ijken van de boordsnelheidsmeter is een handeling die wordt verricht aan een bewijsmiddel dat wordt gebruikt bij de vaststelling van een snelheidsovertreding. Deze handeling houdt niet de uitoefening van openbaar gezag in, nu het niet het bepalen van de rechtspositie van andere rechtssubjecten betreft.

Lees “ECLI:NL:RVS:2014:911” verder

ECLI:NL:HR:2013:969

Ingevolge het bepaalde in artikel 6:17 van de Awb had de beslissing van de officier van justitie niet (alleen) aan de betrokkene, maar (ook) aan de gemachtigde moeten worden verzonden. De omstandigheid dat de beslissing van de officier van justitie niet is verzonden aan de gemachtigde, waardoor de gemachtigde niet op hoogte is geraakt van die beslissing, brengt niet mee dat de officier van justitie niet op het beroep heeft beslist.

Lees “ECLI:NL:HR:2013:969” verder

ECLI:NL:RVS:2013:1133

Het verzoek om betaling van een dwangsom is afgewezen. Het verzoek van appellante is terecht niet opgevat als een Wob-verzoek. De brieven hebben als onderwerp “beroepschrift” en erin zijn gronden geformuleerd tegen de opgelegde sanctie. Aan het eind van de brieven verzoekt appellante om toezending van het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal en eventuele andere stukken uit het dossier. Zij refereert daarbij niet aan de Wob. Gelet op de omstandigheid dat het verzoek om toezending is gedaan in het kader van een WAHV-procedure, diende het verzoek in het kader van die procedure te worden begrepen.
Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat het in het kader van een Wahv-procedure mogelijk is op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Awb stukken uit te wisselen, bestaat geen grond voor het oordeel dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden.

Lees “ECLI:NL:RVS:2013:1133” verder

ECLI:NL:RVS:2013:BZ0722

Bij uitspraak van 23 december 2011 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het door appellant ingestelde beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een beschikking tot vaststelling van een dwangsom door de officier van justitie. De rechtbank had ambtshalve moeten bezien of zij als algemene of bijzondere bestuursrechter bevoegd was van het beroepschrift kennis te nemen. De algemene bestuursrechter van de rechtbank was niet bevoegd van het beroep van appellant kennis te nemen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft dit niet tot gevolg dat de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard, aangezien de kantonrechter van die rechtbank als bijzondere bestuursrechter wordt aangemerkt als de Wahv van toepassing is.

Lees “ECLI:NL:RVS:2013:BZ0722” verder

ECLI:NL:RVS:2012:BY5083

Gedeeltelijke afwijzing Wob-verzoek appellant aan afdelingshoofd om toezending van stukken die betrekking hebben op een aan hem opgelegde naheffingsaanslag. Parkstad Limburg is een samenwerkingsverband tussen de gemeente Heerlen en zeven andere Limburgse gemeenten. Het is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam dat is ingesteld met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Het afdelingshoofd is bij besluit door het dagelijks bestuur van Parkstad Limburg aangewezen als gemeenteambtenaar, als bedoeld in de Gemeentewet. Het afdelingshoofd is een bestuursorgaan als bedoeld in de Awb. Het afdelingshoofd heeft uiteengezet dat aan de GBRD de heffing en invordering van de gemeentelijke belastingen ten behoeve van de gemeenten binnen het samenwerkingsverband Parkstad Limburg zijn opgedragen. In een dienstverleningsovereenkomst is vastgelegd op welke wijze de GBRD deze taken moet uitvoeren. Aangezien het afdelingshoofd zich bij de uitvoering van deze taken naar de opdracht van de betrokken gemeenten dient te richten, is hij een onder verantwoordelijkheid van deze gemeenten werkzaam bestuursorgaan, als bedoeld in de Wob. Het afdelingshoofd heeft zich terecht bevoegd geacht een besluit te nemen op het verzoek van appellant om openbaarmaking van de gevraagde stukken, die zich bij de GBRD bevinden. Dat het college, als het verantwoordelijke bestuursorgaan, eveneens op dat verzoek mocht beslissen, doet aan de bevoegdheid van het afdelingshoofd niet af.

Lees “ECLI:NL:RVS:2012:BY5083” verder

ECLI:NL:RVS:2011:BP3711

Bij besluit van 16 december 2009 heeft het college een verzoek van [appellanten] om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot een schapen- en rundveehouderij aan de Vissersweg (ongenummerd) te Appeltern, afgewezen.
Indien het bestuursorgaan prematuur in gebreke is gesteld en het vervolgens de verschuldigdheid van een dwangsom afwijst, is die afwijzing een besluit.

Lees “ECLI:NL:RVS:2011:BP3711” verder