ECLI:NL:GHARL:2016:1084

Kennelijk heeft betrokkene door het afgeven van de machtiging willen bewerkstelligen dat gemachtigde hem als gemachtigde vertegenwoordigt. Een algemeen geformuleerde machtiging is op zichzelf niet in strijd met artikel 8:24 Awb of andere wettelijke voorschriften. Een machtiging moet wel zodanig specifiek zijn dat daaruit de grenzen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid kunnen worden afgeleid. Uit de tekst van de machtiging blijkt genoegzaam dat gemachtigde gerechtigd was om namens betrokkene beroep in te stellen tegen de beslissing van de officier van justitie. Niet is gebleken dat zich een omstandigheid als bedoeld in artikel 3:72 van het BW heeft voorgedaan als gevolg waarvan de volmacht is geëindigd. Dat de machtiging dateert van vóór de datum van de gedraging (of de beschikking waarbij de sanctie is opgelegd) doet aan de geldigheid van de machtiging niet af. In dit verband overweegt het hof dat, gezien de aangevoerde bezwaren, het niet anders kan zijn dan dat betrokkene aan gemachtigde de aan het geschil ten grondslag liggende sanctiebeschikking heeft verstrekt, daarmee tot uitdrukking brengende dat ook deze zaak onder de reeds eerder afgegeven machtiging dient te worden begrepen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:1084” verder

ECLI:NL:HR:2014:446

Uit de overgelegde machtiging blijkt de bevoegdheid van [A] om (onder meer) in de onderhavige zaak namens belanghebbende beroep in te stellen. De uitspraak van de Rechtbank en de stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen dat zich tussen het verlenen van die machtiging en het instellen van het onderhavige beroep een omstandigheid als bedoeld in artikel 3:72 BW heeft voorgedaan waardoor de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [A] zou zijn geëindigd. De Rechtbank kon daarom in redelijkheid geen aanleiding vinden om eraan te twijfelen of die bevoegdheid ten tijde van het instellen van het beroep nog bestond en op die grond van [A] een nieuwe schriftelijke machtiging te verlangen. Het beroep is mitsdien ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van bewijs ten aanzien van de bevoegdheid van [A] (vgl. HR 11 oktober 2013, nr. 13/00924, ECLI:NL:HR:2013:840, BNB 2013/244).

Lees “ECLI:NL:HR:2014:446” verder

ECLI:NL:HR:2013:840

Beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verstrekken van door Rechtbank verlangde machtiging waaruit vertegenwoordigingsbevoegdheid blijkt. Machtiging hoeft niet per instantie te worden verleend en hoeft niet te dateren van na de bestreden uitspraak.

Lees “ECLI:NL:HR:2013:840” verder

ECLI:NL:HR:2013:840

Uit de overgelegde machtiging blijkt de bevoegdheid van [B] en [C] om (onder meer) in de onderhavige zaken namens belanghebbende beroep in te stellen. De uitspraak van de Rechtbank en de stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen dat zich tussen het verlenen van die machtiging en het instellen van de onderhavige beroepen een omstandigheid als bedoeld in artikel 3:72 BW heeft voorgedaan waardoor de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigden zou zijn geëindigd. De Rechtbank kon daarom in redelijkheid geen aanleiding vinden om eraan te twijfelen of die bevoegdheid ten tijde van het instellen van de beroepen nog bestond, en op die grond van hen een nieuwe schriftelijke machtiging te verlangen. De beroepen zijn mitsdien ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van bewijs ten aanzien van de bevoegdheid van [B] en [C].

Lees “ECLI:NL:HR:2013:840” verder