ECLI:NL:GHARL:2017:2855

Hoe worden bij trajectcontroles sancties opgelegd? De sancties voor snelheidsoverschrijdingen worden door een bevoegde ambtenaar opgelegd door het afsluiten en doorsturen naar het CJIB van de batch met automatisch vastgestelde gedragingen. In trajectcontrolezaken wordt geen ambtsedige verklaring opgemaakt door een verbalisant. De gegevens in het zaakoverzicht hebben niet de status van weergave van de inhoud van een ambtsedige verklaring. Dat hoeft op zichzelf niet te betekenen dat de sanctie niet in stand kan blijven, maar heeft wel gevolgen voor de bewijskracht van de verklaring in het zaakoverzicht. In het algemeen zal het erop neerkomen dat -als de gedraging wordt betwist- er meer moet zijn dan de vermeldingen in het zaakoverzicht. In deze zaak zijn dat foto’s van de gedraging.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:2855” verder

ECLI:NL:GHARL:2017:935

Bij arrest ECLI:NL:GHARL:2014:4324 is vastgesteld dat het opleggen van WAM-sancties aan ambtenaar [X] kan worden toegerekend. Betrokkene stelt echter dat het vanwege het grote aantal overtredingen onwaarschijnlijk is dat [X] deze alle zelf geconstateerd heeft. [X] ondertekent slechts de door het geautomatiseerde systeem geproduceerde brieven. De betrokkene concludeert daarom dat sancties als deze niet terug te leiden zijn tot een bevoegde opsporingsambtenaar, terwijl de wet dat wel eist. Het hof volgt deze redenering niet. Het hof heeft in het aangehaalde arrest overwogen dat de WAHV niet eist dat bij op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedragingen waarbij geen bijzondere omstandigheden gebleken zijn en geen nadere beoordeling is vereist, een aangewezen ambtenaar afzonderlijk en individueel beslist tot sanctieoplegging. In zodanig geval is slechts vereist dat de sanctieoplegging aan de aangewezen ambtenaar kan worden toegerekend.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:935” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:6774

Uit de beslissing van de kantonrechter blijkt dat naar aanleiding van het arrest van het hof d.d. 20 februari 2014 is besloten om de zaken die betrekking hebben op verbalisantcode 404040 voor onbepaalde tijd op te schorten en deze zaken op enig moment, zodra er voldoende zittingscapaciteit is, als gegrond af te doen. In de tussenliggende periode is het hof teruggekomen op zijn eerder genoemde arrest van 20 februari 2014. Naar het oordeel van het hof is dit geen omstandigheid die aanleiding geeft een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen. De kantonrechter dient de geldende jurisprudentie toe te passen, ongeacht of deze jurisprudentie inmiddels ten nadele van de betrokkene is gewijzigd.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:6774” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:5906

Het instellen van administratief beroep kan worden beschouwd als het indienen van een aanvraag als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, Awb. Dat dit administratief beroep zich richt tegen een ambtshalve gegeven beschikking doet daaraan niet af. Bij brief heeft de gemachtigde de officier van justitie verzocht een beslissing te nemen op zijn beroepschrift en is de officier van justitie in gebreke gesteld. Volgens het zaakoverzicht van het CJIB is de beslissing van de officier van justitie echter reeds, voor het einde van de termijn, aan de betrokkene toegezonden. Het hof heeft in ECLI:NL:GHLEE:2009:BP3020 overwogen dat, gelet op de vaste werkwijze van het CJIB bij de verzending van stukken, de kans op fouten daarbij nagenoeg is uitgesloten. Op grond daarvan mag worden aangenomen dat verzending daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het ligt vervolgens op de weg van de betrokkene om de ontvangst van de beslissing van de officier van justitie op niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. De betrokkene is daar niet in geslaagd. De omstandigheid dat de beslissing niet is verzonden aan de gemachtigde, brengt niet mee dat de officier van justitie niet op het beroep heeft beslist.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:5906” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:5553

Het hof beoordeelt het systeem van sanctieoplegging in een geval waarin het APK-keuringsbewijs zijn geldigheid heeft verloren. Gelet op hetgeen het hof heeft overwogen over de bevoegdheid om een administratieve sanctie op te leggen, valt niet met het bepaalde in artikel 3 van de WAHV te verenigen, dat in gevallen waarin de gedraging op geautomatiseerde wijze is vastgesteld, op geautomatiseerde wijze een sanctie wordt opgelegd, zonder dat daarbij (enige) ruimte bestaat voor een beoordeling van, al dan niet door een betrokkene naar voren gebrachte, bijzondere omstandigheden, die meebrengen dat van het opleggen van een sanctie moet worden afgezien. Hier is sprake van een volledig geautomatiseerd proces waarin in alle zaken, doordat zij direct worden overgedragen aan het CJIB met de opdracht om in die zaken de beschikking uit te sturen, een sanctie wordt opgelegd, ook waar mogelijk sprake is van bijzondere omstandigheden en die een nadere beoordeling vergen. Dit systeem van sanctieoplegging is niet in overeenstemming met artikel 3, tweede lid, van de WAHV. Dit leidt tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat de sanctie door een bevoegde ambtenaar is opgelegd.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:5553” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:4255

Met de term ‘op eerste vordering’ wordt beoogd weggebruikers in te scherpen dat aan de vordering onverwijld gevolg moet worden gegeven zonder voorafgaande inbrenging van bezwaren of weigeringen om daaraan gevolg te geven, waardoor de opsporingsambtenaar tot herhaling van zijn vordering zou worden genoopt. De opvatting dat de bepaling zo moet worden uitgelegd dat een termijn moet worden geboden om aan de vordering te voldoen, nu de politie thans eenvoudig op elektronische wijze kan controleren of een iemand over een rijbewijs beschikt, is niet juist.
Met betrekking tot de vraag of de verbalisant onmiddellijk kon overgaan tot het opleggen van een sanctie, stelt het hof het volgende voorop. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de WAHV zijn de ambtenaren bevoegd tot het opleggen van een sanctie. Die discretionaire bevoegdheid houdt in dat de ambtenaar een zekere ruimte heeft om te beslissen of hij een sanctie oplegt dan wel volstaat met een waarschuwing. De enkele constatering dat een gedraging is verricht, kan het opleggen van een sanctie al rechtvaardigen. Het is niet aan de rechter om een oordeel te vormen over de wijze waarop de verbalisant gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid.
De verbalisant hoeft bij de toepassing van zijn bevoegdheid geen rekening te houden met de in tv-programma’s getoonde werkwijze van collega’s.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:4255” verder

ECLI:NL:GHARL:2014:8369

Sanctie ter zake van snelheidsoverschrijding geconstateerd door middel van trajectcontrole. De betrokkene stelt dat bij deze werkwijze de inleidende beschikking niet kan gelden als een beschikking in de zin van artikel 4, eerste lid, van de WAHV, omdat deze op geheel automatische wijze tot stand komt. Deze stelling berust op een onjuiste uitleg van de wet. Het hof zet de relevante wetgeving op een rij.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2014:8369” verder

ECLI:NL:GHARL:2014:4324

In onderhavige zaak is een sanctie opgelegd ter zake van “voor een bromfiets niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”. Deze gedraging is op geautomatiseerde wijze vastgesteld, waarbij in het zaakoverzicht van het CJIB de verbalisantcode 404040 is vermeld. In het arrest van het hof van 20 februari 2014 heeft het hof geoordeeld dat op basis van de in die zaak verstrekte informatie van de advocaat-generaal niet kon worden vastgesteld dat de sanctie door een bevoegde ambtenaar in de zin van artikel 3, tweede lid, WAHV is opgelegd. Het openbaar ministerie heeft in onderhavige zaak nadere informatie verschaft over de werkwijze bij het vaststellen van het onverzekerd zijn van voertuigen en het hiervoor opleggen van sancties aan de kentekenhouders. Op grond van deze nadere informatie heeft het hof vastgesteld, dat het verwerkingsproces bij de op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedraging “niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden” zodanig is ingericht dat het opleggen van de boetes aan een bevoegde ambtenaar kan worden toegerekend. Op basis van deze informatie komt het hof thans tot het oordeel dat de opgelegde sanctie door een bevoegde ambtenaar in de zin van artikel 3, tweede lid, WAHV is opgelegd.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2014:4324” verder

ECLI:NL:GHARL:2014:1236

Vervolg na tussenarrest van 7 oktober 2013 (ECLI:NL:GHARL:2013:7354). Artikel 3, tweede lid, WAHV. Bij registercontrole door de RDW kan het hof niet vaststellen dat de administratieve sanctie is opgelegd door een daartoe bevoegde ambtenaar. De RDW vermeldt bij registercontroles de verbalisantcode 404040. Uit deze code kan niet worden afgeleid welke opsporingsambtenaar de administratieve sanctie in het voorliggende geval heeft opgelegd. Volgens de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften mogen ook bij registercontroles alleen daartoe bevoegde ambtenaren een administratieve sanctie opleggen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2014:1236” verder

ECLI:NL:GHARL:2014:1243

Het hof is van oordeel dat uit het zaakoverzicht genoegzaam blijkt dat verbalisant de gedraging heeft vastgesteld en de sanctie heeft opgelegd door de gegevens met betrekking tot de gedraging aan te leveren aan het CJIB. De verwijzing van de gemachtigde naar het arrest van het hof van 6 februari 2013, waarin het hof heeft overwogen dat het CJIB ten onrechte een aan de officier van justitie toegekende bevoegdheid – te weten het uitvaardigen van dwangbevelen – uitoefende, nu een geldig mandateringsbesluit ontbrak, treft dan ook geen doel. Daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake, nu immers het CJIB niet namens de aangewezen ambtenaar de sanctie oplegt, maar slechts verantwoordelijk is voor het neerleggen van de sanctie in een beschikking en voor toezending van die beschikking aan de betrokkene.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2014:1243” verder

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ7140

Het hof stelt vast dat de officier van justitie met de motivering niet inzichtelijk maakt waarom de aangevoerde grond geen doel treft. De aangevoerde grond regardeert niet de constatering van de verbalisant. De beslissing van de officier van justitie is niet inzichtelijk gemotiveerd en voldoet niet aan artikel 7:26, eerste lid, van de Awb. De eis dat de naam van de verbalisant als bedoeld in artikel 3 WAHV die de sanctie oplegt in de beschikking moet worden vermeld vindt geen steun in het recht. De enkele omstandigheid dat de verbalisant zijn aanvullende verklaring in het proces-verbaal van bevindingen aanvangt met de mededeling dat hij zich de specifieke bekeuringsituatie niet meer kan herinneren, is onvoldoende, temeer nu de verbalisant in dat proces-verbaal vervolgens concreet en specifiek ingaat op de vraag op welke wijze hij de gedraging heeft waargenomen. Dat de verbalisant niet zelf heeft gezien dat het verkeerslicht voor de betrokkene op rood stond, leidt het hof evenmin tot twijfel.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2013:BZ7140” verder