ECLI:NL:GHARL:2017:1272

Nu het beroepschrift van de betrokkene reeds was ingetrokken, had de kantonrechter slechts te oordelen over de proceskostenvergoeding. Het hof is van oordeel dat de beslissing van de kantonrechter dient te worden gelezen als een beslissing in de zin van artikel 13b van de WAHV. Dat de kantonrechter heeft overwogen dat het niet redelijk is om de proceskosten te vergoeden, omdat het beroepschrift – waarin om proceskostenvergoeding is verzocht – te laat is ingediend maakt het voorgaande niet anders. Artikel 14, eerste lid, WAHV eist niet dat de sanctie onderwerp van geschil is geweest bij de kantonrechter. Onder deze bepaling moet worden verstaan dat hoger beroep mogelijk is indien, na de beslissing van de kantonrechter, een sanctie van meer dan € 70,- resteert. Het hof stelt vast dat aan deze voorwaarde niet is voldaan nu de sanctie, voorafgaand aan de beslissing van de kantonrechter, door de officier van justitie ongedaan is gemaakt.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:1272” verder

ECLI:NL:GHARL:2017:1119

De gemachtigde bepleit doorbreking van het appelverbod en voert daartoe aan dat sprake is van schending van het beginsel van hoor en wederhoor. De kantonrechter, die kennelijk niet kon afleiden dat sprake was van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, had volgens de gemachtigde op de zitting om verduidelijking hieromtrent moeten vragen. De zaak is blijkens het proces-verbaal van de kantonrechter behandeld op een openbare zitting. De betrokkene is op deze zitting verschenen en heeft het woord gevoerd. Daarmee is aan het vereiste van hoor en wederhoor voldaan. De stelling van de gemachtigde dat het beginsel van hoor en wederhoor verder gaat en een verplichting inhoudt voor de kantonrechter om specifieke vragen te stellen, vindt geen steun in het recht. Dat de kantonrechter in de visie van de betrokkene een onjuiste beslissing zou hebben genomen op het verzoek om een proceskostenvergoeding, rechtvaardigt geen doorbreking van het appelverbod.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:1119” verder

ECLI:NL:GHARL:2017:245

Klacht op schending van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak door de kantonrechter, nu de kantonrechter volgens betrokkene bij de beoordeling van het beroep gebruik heeft gemaakt van stukken die de betrokkene niet bekend waren. Die klacht treft echter geen doel. De verklaring van de verbalisant, die de kantonrechter heeft gebruikt bij de beoordeling van de zaak, betreft de ambtsedige verklaring die is opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB. Dit stuk bevindt zich in het dossier waarvan de betrokkene kennis heeft kunnen nemen. In de oproep voor de zitting van de kantonrechter – die de betrokkene heeft ontvangen – is hem medegedeeld dat het dossier ter inzage lag ter griffie van de rechtbank.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:245” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:8865

Hoger beroep is mogelijk wanneer de sanctie niet meer dan €70,- bedraagt en de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens te late indiening daarvan (ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0034). Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk. Artikel 14 van de WAHV bepaalt dat hoger beroep in WAHV-zaken mogelijk is in gevallen waarin de sanctie ten minste € 71,- bedraagt alsmede in gevallen waarin de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het niet (of niet tijdig) stellen van zekerheid.
Nu de betrokkene de ontvangst van de afzonderlijk verzonden motivering betwist en er geen deugdelijke verzendadministratie bestaat (ECLI:NL:GHARL:2015:4145), is de beslissing van de officier van justitie niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt, zodat hij tegen die beslissing redelijkerwijs geen beroepsgronden heeft kunnen indienen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:8865” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:7306

Betrokkene heeft in zijn brief van 14 november de rechtbank verzocht in de beslissing van de kantonrechter onjuiste vermelde bedragen te corrigeren. Deze brief kan daarmee op zichzelf wel als een hoger beroepschrift worden aangemerkt. Uit de brief van de betrokkene van 21 december blijkt dat hij het ingestelde hoger beroep niet wenst te handhaven. Voor zover bij de betrokkene door de brief van de griffier van de rechtbank het vertrouwen is gewekt dat hij door voor 17 januari te laten weten dat hij zijn hoger beroep wenste te handhaven, een situatie zou kunnen bewerkstelligen waarin tijdig hoger beroep was ingesteld, deze omstandigheid niet van dien aard is dat op grond daarvan niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep achterwege dient te blijven. Het hoger beroep van 9 januari is dus niet tijdig door de betrokkene ingesteld. In dit verband overweegt het hof dat bij een herstelbeslissing niet mee brengt dat daarmee een nieuwe beroepstermijn is gaan lopen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:7306” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:6778

De gemachtigde en de officier van justitie zijn niet uitgenodigd om ter zitting te verschijnen. Dit is onjuist. Doorbreking van het appelverbod. Nu het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet was ingetrokken, had de kantonrechter het beroep en het verzoek om schadevergoeding ter zitting moeten behandelen. De in artikel 13b, vierde lid, WAHV geregelde procedure, waarin onder omstandigheden kan worden afgezien van het houden van een zitting, is slechts van toepassing als het beroep is ingetrokken. Het beroep van de betrokkene was niet ingetrokken. De betrokkene is hangende de procedure bij de kantonrechter overleden en vervolgens heeft de officier van justitie de inleidende beschikking vernietigd.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:6778” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:4277

De kantonrechter heeft, na te hebben vastgesteld dat de inleidende beschikking is ingetrokken door de officier van justitie, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang. Om vast te kunnen stellen dat geen beroep tegen de beslissing van de kantonrechter open staat, dient vast te staan dat de inleidende beschikking ten tijde van de beslissing van de kantonrechter niet meer bestond. Uit de stukken blijkt dit niet; de door de betrokkene overgelegde stukken hebben betrekking op een andere zaak. Uit een opgevraagd recent zaakoverzicht van het CJIB blijkt dat in deze zaak geen intrekking of vernietiging van de beschikking heeft plaatsgevonden. Het appelverbod in artikel 14, eerste lid, WAHV is dan ook niet van toepassing. Het hof vernietigt de beslissing en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:4277” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:3590

De kantonrechter heeft besloten om het aanhoudingsverzoek van de officier van justitie toe te wijzen. Het hof stelt vast dat door de kantonrechter geen beslissing is genomen als bedoeld in artikel 13 van de WAHV, maar dat sprake is van een tussenbeslissing. Gelet op de systematiek van de WAHV, in het bijzonder de omstandigheid dat de mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep in artikel 14 van de WAHV afhankelijk is gesteld van de hoogte van de administratieve sanctie na de beslissing van de kantonrechter, is het hof van oordeel dat slechts hoger beroep openstaat in het geval de kantonrechter een beslissing heeft genomen als bedoeld in artikel 13 van de WAHV.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:3590” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:1225

De gemachtigde voert aan dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in het hoger beroep omdat de beslissing van de kantonrechter een nevenbeslissing is. Het hof verwerpt dit standpunt en komt onder verwijzing naar eerder gepubliceerde arresten tot het oordeel dat het hoger beroep in deze zaak ontvankelijk is. Daarbij speelt een rol dat sprake is van een nog bestaande sanctie van € 180,-; de kantonrechter heeft inmiddels, in een afzonderlijk gevoerde procedure ex artikel 9 WAHV, het beroep ongegrond verklaard. De onderhavige procedure is aangevangen met het verzoek aan de CVOM om de inleidende beschikking te vernietigen wegens het niet tijdig doorzenden van het beroep ex artikel 9 WAHV aan de rechtbank. Dit verzoek is niet gebaseerd op een wettelijke grondslag en is daarom geen aanvraag als bedoeld in artikel 4:17 Awb. Dat brengt mee dat tegen het niet tijdig beslissen op dit verzoek geen beroep bij de kantonrechter open stond. Volgt vernietiging van de beslissing van de kantonrechter en niet-ontvankelijk verklaring van het verzoekschrift.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:1225” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:220

Uit het dossier blijkt niet dat partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze op een openbare zitting toe te lichten. Artikel 12, eerste lid, van de WAHV is geschonden. Gelet hierop is er grond voor doorbreking van het appelverbod van artikel 14, eerste lid, WAHV. Het hof is van oordeel dat, wanneer een beroep wordt gedaan op schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling en dit beroep gegrond moet worden geacht, doorbreking van het appelverbod van artikel 14, eerste lid, WAHV is gewettigd. Van schending van het beginsel van hoor en wederhoor kan sprake zijn indien een partij niet behoorlijk is opgeroepen om te worden gehoord en de rechter niettemin een beslissing in de zaak van die partij neemt. Het hof zal op grond van artikel 20d, eerste lid, WAHV doen wat de kantonrechter had behoren te doen en daartoe de betrokkene in de gelegenheid stellen te worden gehoord door de zaak op een zitting van het hof te behandelen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:220” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:42

Uit het dossier blijkt dat de kantonrechter op 8 februari heeft beslist en dat de beslissing op diezelfde dag zou zijn verzonden. Verder volgt op geen enkele wijze uit het dossier dat de beslissing daadwerkelijk aan de betrokkene is toegezonden. Het hof acht dit onvoldoende om aannemelijk te achten dat verzending heeft plaatsgevonden. Uit de stukken kan derhalve niet worden afgeleid dat (en zo ja wanneer) de beroepstermijn is aangevangen. Gelet daarop kan een termijnoverschrijding niet worden vastgesteld. Dat wordt niet anders doordat de betrokkene nadien nog stukken van het CJIB heeft ontvangen, zoals een betalingsoverzicht na beroep bij de kantonrechter van het CJIB en aanmaningen. Aan die omstandigheid komt niet hetzelfde rechtsgevolg toe als aan een (rechtsgeldige) verzending van de beslissing van de kantonrechter. Door toezending van het betalingsoverzicht na beroep bij de kantonrechter vangt niet een beroepstermijn aan.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:42” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:10

Hangende de procedure bij de kantonrechter heeft de officier van justitie de inleidende beschikking vernietigd. De gemachtigde heeft de officier van justitie geantwoord dat de betrokkene het beroep bij de kantonrechter wil intrekken onder de voorwaarde van toewijzing van proceskostenvergoeding. Er is een ingebrekestelling verstuurd, maar de officier van justitie verbeurt geen dwangsom wegens het niet tijdig beslissen. De officier van justitie heeft de ambtshalve bevoegdheid tot het vergoeden van proceskosten, maar de WAHV kent niet de bevoegdheid om de officier van justitie te verzoeken van die bevoegdheid gebruik te maken. Er is geen sprake van een aanvraag van een beschikking in de zin van de Awb.
Het appelverbod wordt doorbroken omdat is verzuimd aan de gemachtigde een uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter te sturen.
In dit geval bestaat er aanleiding om alleen de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep te vergoeden. De betrokkene heeft zelf beroep bij de officier van justitie en kantonrechter ingesteld. Hangende de procedure bij de kantonrechter heeft de gemachtigde zich in het geding gevoegd. Dat de gemachtigde de betrokkene heeft geadviseerd alvorens deze zijn beroepschriften heeft ingediend, maakt dat niet anders.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:10” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:9177

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de WAHV stelt de kantonrechter alvorens te beslissen partijen in de gelegenheid om op een openbare zitting hun zienswijze nader toe te lichten. De WAHV bevat geen bepaling waarin is voorgeschreven dat partijen ter zitting van de kantonrechter nog in de gelegenheid moeten worden gesteld te reageren op elkaars standpunt of dat de betrokkene het recht heeft om het laatst te spreken. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de WAHV zijn in geval van een administratieve sanctie voorzieningen van strafrechtelijke of strafvorderlijke aard uitgesloten. Artikel 311, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, waarin is bepaald dat aan verdachte het recht wordt gelaten om het laatst te spreken, is derhalve niet van toepassing op een procedure ingevolgde de WAHV. Nu de betrokkene blijkens het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter de gelegenheid heeft gehad het woord te voeren en zijn zienswijze nader toe te lichten, is aan het vereiste van artikel 12 van de WAHV voldaan en is geen sprake van schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Van enige reden tot doorbreking van het appelverbod is in het onderhavige geval derhalve geen sprake.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:9177” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:8929

Het hof heeft in ECLI:NL:GHLEE:2010:BN3632 weliswaar geoordeeld dat hoger beroep voor de officier van justitie in een aantal gevallen ook open staat indien de kantonrechter de opgelegde sanctie op nihil heeft gesteld, maar dat is beperkt tot de situatie dat de initiële sanctie meer dan € 70,- heeft bedragen. Dat is hier niet het geval. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 van de WAHV kan tegen de beslissing van de kantonrechter alleen hoger beroep bij het hof worden ingesteld als er bij die beslissing sprake was van een sanctie van meer dan € 70,- of als de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid. Van enige reden tot doorbreking van het appelverbod is in dit geval geen sprake.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:8929” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:7843

Ingevolge het bepaalde in artikel 14 van de WAHV kan hoger beroep bij het gerechtshof worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie meer bedraagt dan € 70,-. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt € 23,-. Het hof is van oordeel dat, wanneer een beroep wordt gedaan op schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging, dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling en dit beroep gegrond moet worden geacht, doorbreking van het appelverbod van artikel 14, eerste lid, WAHV gewettigd is. Daaronder valt niet de omstandigheid dat de kantonrechter mogelijk een onjuiste beslissing heeft gegeven. De beoordeling van die beslissing kan immers slechts plaatsvinden, wanneer de wijze van totstandkomen ervan zodanig gebrekkig is, dat het appelverbod zou moeten worden doorbroken. Daarvan is in casu geen sprake. Hoger beroep is niet-onvankelijk.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:7843” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:7009

De administratieve sanctie bedraagt na de beslissing van de kantonrechter minder dan € 70,-. De sanctie is door de officier van justitie ongedaan gemaakt. Het hoger beroep van de gemachtigde dient daarom in beginsel niet-ontvankelijk te worden verklaard. In het dossier bevindt zich een aan de gemachtigde gerichte oproeping voor de zitting van 13 november 2014. Echter, niet blijkt uit een stempel, aantekening of anderszins, dat de oproeping aan de betrokkene is toegezonden. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat de gemachtigde van behoorlijk is opgeroepen voor de zitting. Aldus is gehandeld in strijd met artikel 12, eerste lid, WAHV. Na doorbreking van het appelverbod komt het hof toe aan de beoordeling van het verzoek om toekenning van een dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen en een proceskostenvergoeding voor de procedure bij de officier van justitie. Het hof is van oordeel dat de (tweede) brief als ingebrekestelling kan worden aangemerkt. Dat daarin niet uitdrukkelijk is vermeld dat het een ingebrekestelling betreft met het oog op de wet dwangsommen, zoals de gemachtigde van de advocaat-generaal ter zitting van het hof heeft aangevoerd, kan daaraan niet afdoen. Twee verschillende wegingsfactoren proceskosten voor de verschillende fasen van de procedure.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:7009” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:4281

Tegen de beslissing van de kantonrechter kan hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan € 70,-. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt € 51,-. Op grond hiervan dient het hoger beroep van de gemachtigde in beginsel niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het hof is van oordeel dat wanneer een beroep wordt gedaan op schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling en dit beroep gegrond moet worden geacht, doorbreking van het appelverbod van artikel 14, eerste lid, WAHV is gewettigd. Uit het dossier blijkt niet dat partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze op een openbare zitting toe te lichten. Dat brengt mee dat artikel 12, eerste lid, van de WAHV is geschonden. Gelet hierop is er grond voor doorbreking van het appelverbod.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:4281” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:3669

De bestreden beslissing is verzonden naar het oude adres, terwijl de betrokkene in zijn beroepschrift aan de kantonrechter een ander adres had opgegeven. Aldus is de beslissing van de kantonrechter niet op voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Dat brengt mee – gelet op het bepaalde in artikel 6:8, eerste lid, van de Awb – dat voornoemde beroepstermijn niet is aangevangen. Gelet daarop kan een termijnoverschrijding niet worden vastgesteld. Dat wordt niet anders doordat de betrokkene nadien nog een betalingsoverzicht na beroep bij de kantonrechter van het CJIB heeft ontvangen op zijn oude adres, zoals de advocaat-generaal heeft aangevoerd. Aan die omstandigheid komt niet hetzelfde rechtsgevolg toe als aan een (rechtsgeldige) verzending van de beslissing van de kantonrechter. Door toezending van het betalingsoverzicht na beroep bij de kantonrechter vangt niet een beroepstermijn aan.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:3669” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:3333

De betrokkene heeft administratief beroep ingesteld tegen de administratiekosten. Deze administratiekosten maken onderdeel uit van de beschikking waarbij aan de betrokkene een sanctie is opgelegd. Dit brengt mee dat de officier van justitie zich terecht bevoegd heeft geacht om van het geschil kennis te nemen en dat ook de kantonrechter, na het uitblijven van een beslissing op het beroep, zich bevoegd heeft geacht om een beslissing te nemen. In dit verband wijst het hof naar ECLI:NL:RVS:2013:BZ0722. Het hof is ter zake bevoegd. De omstandigheid dat de sanctie bij de kantonrechter geen onderwerp van geschil is geweest, doet daaraan niet af. Artikel 14, eerste lid, WAHV stelt die eis niet. Het hof heeft bij arrest ECLI:NL:GHARL:2013:2333 bepaald dat het hoger beroep ook betrekking kan hebben op geschillen met betrekking tot de vaststelling van de hoogte van de dwangsom ingeval van niet-tijdig beslissen op een administratief beroep. In de ingebrekestelling komt het woord ‘ingebrekestelling’ niet voor, noch wordt de officier van justitie gemaand om op het administratief beroep te beslissen. De ingebrekestelling kan, gelet op de inhoud daarvan, niet als ingebrekestelling in de zin van artikel 4:17, derde lid, Awb worden aangemerkt.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:3333” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:2162

De kantonrechter heeft het beroep van de gemachtigde tegen het niet tijdig nemen van een beslissing door de officier van justitie ongegrond verklaard en iedere verdere beslissing aangehouden. De gemachtigde heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het beroep ongegrond is verklaard en, aldus de gemachtigde, impliciet het verzoek tot vaststelling van een dwangsom is afgewezen. De door de gemachtigde bestreden beslissing tot ongegrondverklaring is niet een beslissing als bedoeld in artikel 13, eerste lid van de WAHV, maar een nevenbeslissing. Tegen een dergelijke beslissing kan eerst hoger beroep worden ingesteld indien de kantonrechter heeft beslist in de zin van artikel 13, eerste lid, van de WAHV. De inhoud van die beslissing is immers relevant voor het antwoord op de vraag of hoger beroep op grond van artikel 14 van de WAHV openstaat.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:2162” verder