ECLI:NL:GHARL:2017:1759

De door de betrokkene verzochte vergoeding voor kosten van professionele juridische bijstand is door de kantonrechter afgewezen. In dit verband stelt het hof vast dat de beroepschriften tegen de inleidende beschikking en de beslissing van de officier van justitie zijn ondertekend door de betrokkene zelf. In de beroepschriften is ook niet aangegeven dat beroep wordt ingesteld namens de betrokkene. Voorts blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter dat de betrokkene in persoon is verschenen. Op grond daarvan is het hof van oordeel dat geen sprake is van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dat de betrokkene directeur is van [naam] B.V. en dat voor de beroepschriften gebruik is gemaakt van het briefpapier van die B.V., maakt dit niet anders.

“ECLI:NL:GHARL:2017:1759” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2017:1486

Dat de kantonrechter een toe te passen bepaling buiten toepassing heeft gelaten door niet op zijn verzoek om proceskostenvergoeding in te gaan, komt er in de kern op neer dat de kantonrechter een onjuiste beslissing heeft genomen door geen proceskostenvergoeding toe te kennen. Het is vaste jurisprudentie van dit hof dat de omstandigheid dat de kantonrechter een onjuiste beslissing heeft genomen, geen grond kan vormen voor doorbreking van het appelverbod. De omstandigheid dat de beslissing van de kantonrechter verband zou houden met het buiten toepassing laten van een bepaling vormt -en in zoverre komt het hof terug op eerder arrest van het hof- geen grond om de wet terzijde te schuiven en de zaak ondanks het in de wet opgenomen verbod te behandelen.

“ECLI:NL:GHARL:2017:1486” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2017:1114

Ter beoordeling van het hof is of in dit geval sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De gemachtigde heeft aangegeven als accountant en belastingadviseur al jaren bedrijven en particulieren bij te staan in bezwaar-, beroeps- en hoger beroepszaken. Het hof is van oordeel dat uit de door de gemachtigde overgelegde informatie niet blijkt dat het verlenen van rechtsbijstand ten aanzien van het onderhavige rechtsgebied (WAHV-zaken) een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte, taakuitoefening. Ten aanzien van de gemachtigde is gebleken dat zijn werkzaamheden zich over het algemeen beperken tot zaken van fiscale aard. Het hof is daarom van oordeel dat geen sprake is geweest van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De kantonrechter heeft terecht geen aanleiding gezien hiervoor een vergoeding toe te kennen.

“ECLI:NL:GHARL:2017:1114” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2017:5

De gemachtigde stelt in zijn kostenverzoek de wegingsfactor 1,0 (gemiddeld) te hanteren, in verband met de internationale context Duits-Nederlands van de zaak. Het hof is van oordeel dat de wegingsfactor 0,5 (licht) dient te worden toegepast, nu het gewicht van de zaak dit rechtvaardigt. De omstandigheid dat de gemachtigde meer tijd nodig heeft voor proceshandelingen in verband met vertalingen doet hieraan niet af. De proceshandelingen die de gemachtigde heeft verricht met het oog op de WOB-procedure kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen in het kader van deze zaak. Het betreft hier een aparte, van de WAHV los staande procedure.

“ECLI:NL:GHARL:2017:5” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2016:9185

De betrokkene had zijn voertuig uitgeleend en heeft een schriftelijke verklaring van de bestuurder ingebracht, waarin die bestuurder erkent de bestuurder te zijn geweest. Bij oplegging van een administratieve sanctie aan de kentekenhouder, wordt aan deze niet een gedraging als bedoeld in artikel 2 van de WAHV verweten, maar op de kentekenhouder komt slechts de last te rusten het bedrag van de opgelegde administratieve sanctie voor de bestuurder, als degene die zich aan de desbetreffende gedraging heeft schuldig gemaakt, te voldoen.
De kantonrechter is slechts gehouden de proceskosten te vergoeden indien de gemachtigde voorafgaand aan de beslissing daarom heeft verzocht. Gemachtigde heeft niet om vergoeding van proceskosten verzocht.

“ECLI:NL:GHARL:2016:9185” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2016:220

Uit het dossier blijkt niet dat partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze op een openbare zitting toe te lichten. Artikel 12, eerste lid, van de WAHV is geschonden. Gelet hierop is er grond voor doorbreking van het appelverbod van artikel 14, eerste lid, WAHV. Het hof is van oordeel dat, wanneer een beroep wordt gedaan op schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling en dit beroep gegrond moet worden geacht, doorbreking van het appelverbod van artikel 14, eerste lid, WAHV is gewettigd. Van schending van het beginsel van hoor en wederhoor kan sprake zijn indien een partij niet behoorlijk is opgeroepen om te worden gehoord en de rechter niettemin een beslissing in de zaak van die partij neemt. Het hof zal op grond van artikel 20d, eerste lid, WAHV doen wat de kantonrechter had behoren te doen en daartoe de betrokkene in de gelegenheid stellen te worden gehoord door de zaak op een zitting van het hof te behandelen.

“ECLI:NL:GHARL:2016:220” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2015:9695

Naar het oordeel van het hof heeft de gemachtigde het hoger beroep onvoorwaardelijk ingetrokken en separaat verzocht om vergoeding van proceskosten. Een dergelijk verzoek om vergoeding van proceskosten kan niet op grond van artikel 13a, in samenhang met artikel 20d, vierde lid, van de WAHV worden beoordeeld, aangezien het hof niet meer dient te beslissen op het hoger beroep. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, eerste volzin, in samenhang met artikel 20d, vierde lid, van de WAHV kan de advocaat-generaal bij afzonderlijke uitspraak in de kosten worden veroordeeld, in het geval van intrekking van het hoger beroep omdat de advocaat-generaal geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen. Daarvan is in dit geval geen sprake. De advocaat-generaal heeft immers geconcludeerd tot bevestiging met verbetering van gronden van de beslissing van de kantonrechter, zodat de inleidende sanctiebeschikking volledig in stand blijft.

“ECLI:NL:GHARL:2015:9695” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2015:9033

De gedraging “niet stoppen voor rood licht” moet worden geacht te zijn verricht, indien komt vast te staan dat het desbetreffende voertuig voor rood licht niet is gestopt voor de stopstreep (vgl. HR 7 juni 1994, DD 1994, 381). Daaruit mag echter, gelet op het hiervoor aangehaalde artikel 68, eerste lid, onder c, van het RVV 1990, niet a contrario worden afgeleid dat indien de stopstreep is gepasseerd, de verplichting tot stoppen niet meer zou gelden. Ook indien op het moment waarop een bestuurder de stopstreep overschrijdt, het op enige afstand van die streep zich bevindende voor hem geldende verkeerslicht nog géén rood licht uitstraalt, kan niettemin worden gezegd dat die bestuurder “door rood licht rijdt”, wanneer hij het verkeerslicht voorbijrijdt als het inmiddels rood licht uitstraalt (HR 1 juli 1982, LJN AJ4885).
Weliswaar heeft de betrokkene voldoende aannemelijk gemaakt dat hij het verkeerslicht geel licht zag stralen toen hij de stopstreep passeerde, maar dat brengt op zichzelf niet mee dat redelijkerwijs twijfel bestaat of het verderop gelegen verkeerslicht rood licht uitstraalde, toen de betrokkene dat passeerde, gezien de afstand tussen het verkeerslicht en de stopstreep.
Voorts verzet het wettelijk systeem zich ertegen om de betrokkene, aan wie de cautie behoort te worden gegeven, als getuige te beëdigen; het stond de kantonrechter vrij de eigen verklaring van de betrokkene te waarderen zoals hij heeft gedaan.
Artikel 13a WAHV brengt mee dat in de WAHV procedure geen plaats is voor toekenning van wettelijke rente of een schadevergoeding.

“ECLI:NL:GHARL:2015:9033” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2015:7804

De kantonrechter heeft de beslissing van de officier van justitie vernietigd en de inleidende beschikking is in stand gebleven. Om die reden ziet het hof geen grond voor het oordeel dat voor het indienen van het beroepschrift tegen de inleidende beschikking een vergoeding toegekend had moeten worden. Evenmin ziet het hof grond voor het oordeel dat de kantonrechter een hogere wegingsfactor had moeten toepassen. Artikel 13a, eerste lid, van de WAHV brengt mee dat de kantonrechter een zekere beoordelingsruimte heeft bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre een verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding moet worden ingewilligd. Het antwoord op de vraag, welke wegingsfactor moet worden toegepast, is afhankelijk van het gewicht van de zaak. Het is bij uitstek de over het beroep oordelende kantonrechter die het gewicht van die zaak kan beoordelen. Deze beoordeling door de kantonrechter kan in hoger beroep slechts marginaal worden getoetst.

“ECLI:NL:GHARL:2015:7804” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2015:3993

Gemachtigde heeft aan het hof medegedeeld, dat het hoger beroep niet gehandhaafd wordt. Hierbij is verzocht om een kostenvergoeding. De advocaat-generaal kan in geval van intrekking van het beroep omdat de advocaat-generaal geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de kosten worden veroordeeld. Besluit proceskosten bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. Voor een beroepschrift ontvangen vóór 1 januari 2015 bedraagt het tarief voor rechtsbijstand per punt € 487,- en niet € 490,-. Artikel IV, vierde lid, Regeling indexering bedragen Algemene wet bestuursrecht, Besluit proceskosten bestuursrecht en de Wet griffierechten in burgerlijke zaken.

“ECLI:NL:GHARL:2015:3993” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2014:3735

Het hof dient de vraag te beantwoorden of in dit geval sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Desgevraagd heeft de gemachtigde van de betrokkene aangegeven dat hij staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en dat zijn activiteiten zijn gebaseerd op het vergaren van inkomen. Tevens heeft hij twee certificaten overgelegd, waaruit zijn juridische scholing blijkt. Uit deze overgelegde informatie blijkt niet dat het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte, taakuitoefening. Het verlenen van rechtsbijstand heeft een meer incidenteel karakter. Het hof is derhalve van oordeel dat niet sprake is geweest van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het verzoek om vergoeding zal daarom worden afgewezen. Proceskostenvergoeding gemachtigde afgewezen, hof oordeelt dat geen sprake is van beroepsmatig verleenden rechtsbijstand.

“ECLI:NL:GHARL:2014:3735” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2014:2500

Na doorbreking van het appelverbod komt het hof toe aan de beoordeling van de vraag of de officier van justitie dwangsommen heeft verbeurd aan de betrokkene wegens het niet tijdig beslissen op een verzoek van de betrokkene aan de officier van justitie om vergoeding van proceskosten. Het hof stelt vast dat het verzoek is gedaan, op het moment dat de betrokkene reeds beroep bij de kantonrechter had ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep. In de fase van het beroep bij de kantonrechter is deze echter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die aan andere partij in verband met de behandeling van het beroep, het bezwaar of het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Nu de officier van justitie niet meer bevoegd was te beslissen op het verzoek tot vergoeding van proceskosten, kan reeds daarom geen sprake zijn van het niet tijdig geven van een beschikking op aanvraag dat aanleiding zou kunnen zijn voor het verbeuren van dwangsommen op de voet van artikel 4:17 van de Awb.

“ECLI:NL:GHARL:2014:2500” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2014:137

Gronden van het beroep en wanneer op grond van artikel 6:5 juncto 6:6 Awb wel of niet de verplichting bestaat de indiener in de gelegenheid te stellen binnen een daartoe gestelde termijn (nadere) gronden op te geven. Het hof herhaalt de overwegingen uit zijn arrest van 12 januari 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:195). De door de kantonrechter gegeven motivering kan diens beslissing om de beslissing van de officier van justitie te vernietigen niet dragen. In deze zaak wordt zijn beslissing echter slechts vernietigd voor zover daarbij geen vergoeding voor proceskosten is toegekend. De officier van justitie heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard nu de verzuimbrief in strijd met 6:17 Awb niet naar de gemachtigde is gezonden. Proceskostenvergoeding.

“ECLI:NL:GHARL:2014:137” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ0609

Wil het CJIB besluiten in opdracht en onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie kunnen nemen, dan zal de bevoegdheid daartoe moeten worden gemandateerd. De algemene taakstelling, opgenomen in artikel 5 van het Bahv is daartoe onvoldoende. De bevoegdheid tot het uitvaardigen van dwangbevelen was destijds toegekend aan de officier van justitie te Leeuwarden. Niet is bij wettelijk voorschrift bepaald dat deze bevoegdheid niet kan worden gemandateerd. Het hof stelt vast dat ten tijde van de aan de procedures ten grondslag liggende dwangbevelen niet een schriftelijk mandaat was verleend aan het CJIB tot het uitoefenen van de in artikel 26, tweede lid, WAHV aan de officier van justitie te Leeuwarden toegekende bevoegdheid, zoals artikel 10:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voorschrijft. Gelet hierop moet worden vastgesteld dat de aan de procedures ten grondslag liggende dwangbevelen onbevoegdelijk zijn genomen.

“ECLI:NL:GHARL:2013:BZ0609” verder lezen

ECLI:NL:GHLEE:2008:BD5648

Het is vaste jurisprudentie van het hof dat ten aanzien van de beslissing van de kantonrechter met betrekking tot de kosten in de fase van het administratief beroep noch op grond van de WAHV noch op grond van enige andere wettelijke regeling hoger beroep openstaat (vgl. het arrest van het hof d.d. 23 december 2003, LJN: AO1866). De betrokkene klaagt echter terecht, dat de kantonrechter artikel 13a WAHV buiten toepassing heeft gelaten. Dit brengt mee, dat de betrokkene, hoewel artikel 14 WAHV niet in hoger beroep voorziet, toch daarin moet worden ontvangen. Het hof zal derhalve de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen. Inleidende beschikking is niet wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid herroepen, doch wegens een fout van het bestuursorgaan. Verzoek om vergoeding van kosten in administratief beroep moet worden afgewezen.

“ECLI:NL:GHLEE:2008:BD5648” verder lezen

ECLI:NL:GHLEE:2003:AO1866

De officier van justitie heeft inleidende beschikking ingetrokken. Indien de betrokkene het niet eens is met de beslissing van de officier van justitie omtrent de kosten of daaromtrent niet is beslist, is beroep bij de kantonrechter mogelijk. In dat geval dient de procedure ex art. 13b WAHV te worden gevolgd. Er is geen hoger beroep mogelijk tegen een beslissing als bedoeld in art. 13b WAHV. Doorbreking appelverbod nu de kantonrechter ten onrechte art. 13a WAHV en de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures buiten toepassing heeft gelaten. De inleidende beschikking is niet ingetrokken wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Voor vergoeding van de kosten gemaakt in verband met de behandeling van het administratief beroep is derhalve geen plaats.

“ECLI:NL:GHLEE:2003:AO1866” verder lezen