ECLI:NL:GHARL:2017:174

De brief waarmee de betrokkene wordt herinnerd aan het stellen van zekerheid dateert echter van 21 november, derhalve vóór de zekerheidsbrief van 17 december. Dit betekent dat de betrokkene en diens gemachtigde niet op de juiste wijze zijn gewezen op de verplichting tot zekerheidstelling. Gelet hierop moet de beslissing van de kantonrechter worden vernietigd en de zaak worden teruggewezen naar de kantonrechter.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:174” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:9760

Zekerheidsbrieven naar betrokkene en gemachtigde zijn identiek. Indien de gemachtigde namens de betrokkene beroep heeft ingesteld, is slechts de draagkracht van de betrokkene bepalend. Dat gemachtigde de bestuurder van het voertuig was en feitelijk het beroepschrift heeft ingediend, doet daaraan niet af. Door de kantonrechter is in het geheel niet gereageerd op het draagkrachtverweer. Het hof is van oordeel dat van de kantonrechter mag worden verwacht dat hij in dit geval, waarin is gebleken dat de gemachtigde naar aanleiding van de zekerheidsbrieven in de veronderstelling verkeert dat hij verplicht is om zekerheid te stellen, de gemachtigde hierover informeert en de betrokkene vervolgens een nadere termijn gunt om alsnog het volledige bedrag van de zekerheidstelling te voldoen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:9760” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:9517

Motivering van de officier van justitie behoeft niet in de vorm van een formele brief. Betrokkene geeft aan dat hij de beslissing op het administratief beroepschrift heeft ontvangen en dat hij bij dit schrijven een stukje tekst heeft ontvangen wat lijkt op de lang verwachte motivering van de officier van justitie. Dat deze beslissing niet wordt weergegeven in een formele brief en de betrokkene via de Ombudsman alsnog de formele beslissing heeft verkregen, doet hieraan niet af. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft, gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb, mede betrekking op de na het instellen van beroep genomen beslissing van de officier van justitie. Nu door de betrokkene beroep is ingesteld bij de kantonrechter, terwijl de betrokkene niet daarna daarop is gewezen, is de betrokkene niet op de juiste wijze op de hoogte gesteld van de verplichting tot zekerheidstelling en heeft de kantonrechter het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:9517” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:9028

Gemachtigde heeft binnen de termijn om zekerheid te stellen, aangegeven dat de betrokkene over een verminderde draagkracht beschikt. Daarbij is verzocht om een nadere termijn om het draagkrachtverweer te onderbouwen. De kantonrechter heeft zonder het draagkrachtverweer in zijn beschouwing te betrekken, het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De betrokkene is niet uitgenodigd voor een zitting. Acht de kantonrechter het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht ongegrond, dan dient de kantonrechter de betrokkene een nadere termijn te gunnen om alsnog het volledige bedrag van de zekerheidstelling te voldoen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:9028” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:8869

Tardief draagkrachtverweer. De gemachtigde heeft na het verstrijken van de zekerheidstermijn, aangevoerd dat de betrokkene de draagkracht mist om zekerheid te stellen. De gemachtigde heeft aangevoerd dat de betrokkene de betalingsonmacht niet eerder kon bewijzen omdat de betrokkene kort in het buitenland moest verblijven. Dit betreft een omstandigheid die voor rekening van de betrokkene moet blijven. Het had op de weg van de betrokkene gelegen om gedurende de periode dat hij in het buitenland verbleef een gemachtigde aan te wijzen die voor hem bestemde post kon openen en daarop kon reageren. Voorts had ook kunnen worden volstaan met een met redenen omkleed draagkrachtverweer, zonder de bewijstukken bij te voegen. Gelet hierop heeft de kantonrechter met het eerst gevoerde draagkrachtverweer geen rekening behoeven te houden.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:8869” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:8247

Het pro forma beroepschrift bevat een algemene ontkenning van de verweten gedraging. Verder wordt de rechtmatigheid van de gebruikte opsporingsmethode(n) betwist. Gelet hierop moet worden vastgesteld dat het beroepschrift, dat niet is aan te merken als pro forma beroepschrift, gronden bevat. Daarom bestond voor de officier van justitie niet de bevoegdheid om (na een herstel verzuim mogelijkheid) het beroep niet-ontvankelijk te verklaren in verband met het ontbreken van gronden.
Nu de op de zaak betrekking hebbende stukken op de voet van artikel 11, vierde lid, WAHV ter inzage zijn gelegd en in hoger beroep niet is verzocht om toezending daarvan, gaat het hof er van uit dat de gemachtigde van de betrokkene inmiddels over deze stukken beschikt, zodat hij in de gelegenheid is geweest om zijn bezwaren tegen de inleidende beschikking te formuleren.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:8247” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:6656

De betrokkene voert aan de inhoud van de beslissing van de kantonrechter niet te hebben begrepen, daar deze niet in het Duits is vertaald. Vooropgesteld zij dat het feit, dat een beslissing van een kantonrechter niet is vertaald in de taal die de betrokkene beheerst, niet tot gevolg heeft dat die beslissing niet in stand kan blijven. Het hof overweegt voorts dat de betrokkene in de Duitse taal op de hoogte is gesteld van de verplichting tot zekerheidstelling en dat onder de beslissing van de kantonrechter een in het Duits gestelde samenvatting en een rechtsmiddelenverwijzing staan vermeld. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding om de betrokkene een vertaling van de beslissing van de kantonrechter te doen toekomen. De kantonrechter heeft het beroep dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:6656” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:4930

In het verzoek stelt de gemachtigde dat zijn beroepschrift, dat zich richt tegen de beslissing op administratief beroep, door de officier van justitie niet tijdig is doorgezonden naar de rechtbank. Om die reden verzoekt de gemachtigde om vernietiging van de beschikking waarbij de administratieve sanctie is opgelegd. Weliswaar kan de officier van justitie met een dergelijk verzoek worden geadieerd, maar dit verzoek heeft geen wettelijke grondslag en kan niet worden aangemerkt als een aanvraag in vorenbedoelde zin. Nu er geen sprake is van het niet tijdig geven van een beschikking op aanvraag, heeft het bestuursorgaan geen dwangsom verbeurd.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:4930” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:2620

Betrokkene heeft een betalingskenmerk gebruikt dat enkel uit nullen bestond. Het CJIB heeft het bedrag vervolgens teruggestort, kennelijk zonder nader te onderzoeken voor welke zaak deze betaling was bestemd. Bij brief heeft de betrokkene de CVOM op deze gang van zaken gewezen en verzocht om daarop te reageren. Dat is niet gebeurd. Het hof oordeelt dat betrokkene tijdig heeft voldaan aan de verplichting tot zekerheidstelling. Daaraan kan niet afdoen dat de betrokkene bij de betaling niet het juiste kenmerk zou hebben opgeven. Het hof heeft eerder overwogen dat van het CJIB wordt verlangd dat voorafgaand aan een terugstorting wordt nagegaan waarop de betreffende betaling betrekking heeft en dat dit onderzoek – ook na contact met de betrokkene – niet tot resultaat heeft geleid. In zoverre heeft het CJIB een onderzoeksplicht. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat de betaling is verricht vanaf een bankrekening die op naam van de betrokkene is gesteld. Bovendien is op dezelfde dag vanaf dezelfde rekening van de betrokkene een betaling ontvangen, die door het CJIB (deels) op een andere zaak van de betrokkene is bestemd. Gegeven die omstandigheden valt niet zonder meer te begrijpen waarom het CJIB ter zake van onderhavige betaling over onvoldoende gegevens zou beschikken om te achterhalen op welke zaak de betaling betrekking had.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:2620” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:2449

De stukken zijn niet naar de rechtbank verzonden binnen de bij artikel 11, eerste lid, van de WAHV gestelde termijn. In vaste jurisprudentie heeft het hof bepaald dat in de wet geen sanctie is gesteld op de overschrijding van deze termijn en dat er geen reden is om aan de termijnoverschrijding gevolgen te verbinden wanneer niet blijkt dat de betrokkene hierdoor in enig rechtens te respecteren belang is geschaad. Het hof ziet geen aanleiding om van deze vaste jurisprudentie af te wijken, ook niet in het licht van de omstandigheid dat de overschrijding van deze termijn door de CVOM geen incident meer is, doch structureel voorkomt. Dat uit de wetgeschiedenis naar voren komt dat de wetgever ervoor gekozen heeft geen wettelijke sanctie te stellen op overschrijding van de termijn, maar om het aan de kantonrechter over te laten om daaraan de gevolgtrekking te verbinden die hij desgeraden acht, maakt niet dat er in dit geval aan de termijnoverschrijding de door de gemachtigde genoemde gevolgen moeten worden verbonden. Nu is gesteld noch gebleken dat de gemachtigde door de termijnoverschrijding in enig rechtens te respecteren belang is geschaad, kon de kantonrechter volstaan met de enkele constatering dat sprake is van een termijnoverschrijding.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:2449” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:2144

De betrokkene voert – met betrekking tot de zekerheidstelling – aan dat hij op 10 november een mededeling heeft gedaan, dat hij wegens betalingsonmacht geen zekerheid kan stellen. De betrokkene ontvang een AOW-uitkering waarop elke maand € 154,- wordt ingehouden. Op dit schrijven heeft de betrokkene geen reactie ontvangen. Gelet op voormelde zekerheidsbrieven had de betrokkene uiterlijk op 7 november zekerheid moeten stellen. Nu de betrokkene eerst na het verstrijken van deze termijn, bij brief van 10 november, heeft gereageerd op de verplichting tot zekerheidstelling, heeft de kantonrechter op deze brief geen acht hoeven slaan. Dit neemt niet weg dat de kantonrechter, in de bestreden beslissing, erop had moeten wijzen dat, nu de brief van 10 november na het verstrijken van de termijn is ingediend, niet een draagkrachtverweer is gevoerd waarmee hij rekening diende te houden.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:2144” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:2040

Het dossier bevat een niet ondertekend beroepschrift van de betrokkene. De betrokkene is in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens binnen twee weken na dagtekening van deze brief in te dienen. Niet gebleken is dat een reactie bij de rechtbank is binnengekomen. Blijkens de door de advocaat-generaal ingewonnen inlichtingen heeft de betrokkene tijdig en op de voorschreven wijze gereageerd op de brief van de griffier van de rechtbank, met dien verstande dat de betrokkene het ondertekende beroepschrift naar de CVOM in plaats van de rechtbank heeft gezonden. Ingevolge artikel 11, eerste lid, WAHV en artikel 6:15 Awb rustte op de CVOM de plicht om het alsnog ondertekende beroepschrift door te zenden naar de rechtbank. Dit is nagelaten.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:2040” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:1882

Het ligt op de weg van de betrokkene om de ontvangst van de zekerheidsbrieven op niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. Het hof neemt in aanmerking dat uit het dossier volgt dat het huisnummer van de betrokkene kennelijk vaker tot onduidelijkheid heeft geleid, gelet op de verschillende schrijfwijze van het huisnummer die is gehanteerd in correspondentie met de betrokkene. Het hof merkt hierbij op dat uit het zaakoverzicht van het CJIB voorts blijkt dat op enig moment het adres door het CJIB is aangepast in straat + huisnummer 45 4, terwijl eerdere correspondentie is verstuurd naar het adres straat + huisnummer 454. Het hof is op grond hiervan van oordeel dat de betrokkene de ontvangst van (onder meer) de zekerheidsbrieven op niet ongeloofwaardige wijze heeft ontkend. De verzending van de zekerheidsbrieven door de CVOM staat vast maar de betrokkene heeft de ontvangst van die brieven op niet ongeloofwaardige wijze betwist.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:1882” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:824

De omstandigheid dat de afdoening van verkeersrechtelijke overtredingen in een administratiefrechtelijke procedure geschiedt, neemt niet weg dat er sprake is van een ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het EVRM (vgl. EHRM 21 februari 1984, “Özturk”). Het recht op toegang tot de rechter is in de woorden van het Europese Hof niet onbegrensd (vgl. EHRM 8 juli 1986, nr. 9006/80, Lithgow vs Verenigd Koninkrijk). Naar het oordeel van het hof wordt door het vereiste van zekerheidstelling geen ongerechtvaardigde beperking gesteld aan het recht op toegang tot de rechter. Op de zekerheidstelling dient een uitzondering te worden gemaakt, indien de hoogte van het bedrag aan zekerheid een zodanige belemmering oplevert, dat zou neerkomen op een ontoelaatbare beperking van het gegarandeerde recht op toegang tot een rechterlijke instantie.
De kantonrechter heeft het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dat de betrokkene – nadat hij de gelegenheid voorbij heeft laten gaan om te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht – alsnog inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Voorts acht het hof niet aannemelijk geworden dat de betrokkene wegens zijn gezondheidstoestand niet in staat was tijdig te reageren op het verzoek om inkomensgegevens te verstrekken en zijn beroep op het ontbreken van draagkracht te onderbouwen, aangezien het schietincident waarnaar de betrokkene verwijst heeft plaatsgevonden na de zitting van de kantonrechter.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:824” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:781

Indien een gemachtigde namens de betrokkene in een procedure als de onderhavige optreedt, dienen de stukken op grond van het bepaalde in artikel 6:17 Awb in ieder geval naar de gemachtigde van de betrokkene te worden gezonden. Uit het dossier blijkt dat de beslissing van de kantonrechter is toegezonden aan het juiste adres van de GGZ-instelling. Het betreft een instelling met verschillende afdelingen en daarin werkzame personen. De brief is evenwel niet gericht aan de afdeling waarbinnen de gemachtigde werkzaam is. Evenmin is in de brief de naam van de gemachtigde opgenomen. De naam van de gemachtigde is in de beslissing van de kantonrechter ook niet opgenomen. Onder deze omstandigheden is de beslissing van de kantonrechter naar het oordeel van het hof niet op de juiste wijze bekend gemaakt en kan niet worden vastgesteld dat de beroepstermijn is aangevangen. Hetzelfde gebrek kleeft aan de verzonden zekerheidsbrieven. Gelet hierop is het hof van oordeel dat niet op de juiste wijze mededeling is gedaan van de verplichting tot zekerheidstelling als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de WAHV. Om die reden kan de bestreden beslissing niet in stand blijven en zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en de zaak terugwijzen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:781” verder

ECLI:NL:GHARL:2016:410

Uit het voorgaande volgt dat het bedrag van de zekerheidstelling uiterlijk op 10 oktober had dienen te zijn ontvangen. Uit het zaakoverzicht van het CJIB blijkt dat op 14 oktober het bedrag is ontvangen. Het bedrag van de zekerheidstelling is derhalve na afloop van de gestelde termijn ontvangen. De betrokkene is bij schrijven van de officier van justitie d.d. 9 september gewezen op de verplichting om op grond van artikel 11 van de WAHV zekerheid te stellen voor het bedrag van de sanctie en de administratiekosten. De betrokkene is bij schrijven d.d. 26 september nogmaals in de gelegenheid gesteld om binnen de termijn van twee weken na de dag van verzending van de mededeling aan deze verplichting te voldoen. Nu niet gesteld of gebleken is dat het niet tijdig voldoen aan de verplichting tot zekerheidstelling verschoonbaar is, had de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk dienen te verklaren.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2016:410” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:9743

In het dossier bevindt zich een aan de betrokkene gerichte ontvangstbevestiging, waarin de ontvangst van het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie wordt bevestigd. Het hof leidt hieruit af dat nog een geschrift moet zijn ontvangen nadat de officier van justitie een beslissing heeft genomen. Uit het dossier van het hof is niet gebleken van enig geschrift dat kan worden aangemerkt als beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie. Gelet op het voorgaande dient het er voor te worden gehouden dat de officier van justitie in strijd met artikel 11 van de WAHV het beroepschrift niet ter kennis heeft gebracht van de rechtbank dan wel dat de rechtbank in strijd met artikel 15 van de WAHV het beroepschrift niet heeft ingezonden ter griffie van het gerechtshof. Nu het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie in het ongerede is geraakt kan de beslissing van de kantonrechter tegen die beslissing niet beoordeeld worden. Dit leidt tot de conclusie dat de beslissing van zowel de kantonrechter als die van de officier van justitie vernietigd dienen te worden. Ook de initiële sanctie kan niet in stand blijven.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:9743” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:8751

De wetgever heeft ervoor gekozen bepaalde administratieve handelingen met betrekking tot het beroep bij de kantonrechter te laten verrichten door de CVOM. De gemachtigde heeft pro-forma beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie inzake een verkeersboete. In afwijking van de Algemene wet bestuursrecht, wordt het beroepschrift ingediend bij de officier van justitie die op het administratief beroep heeft beslist. Bij een beroep bij de kantonrechter is uitsluitend de kantonrechter bevoegd om vast te stellen dat de gronden van het beroep ontbreken en vervolgens de betrokkene, dan wel de gemachtigde van de betrokkene, in de gelegenheid te stellen dit verzuim te herstellen en eventueel consequenties te verbinden aan het niet (tijdig) verstrekken van de gronden van het beroep. Uit de stukken blijkt niet dat de gemachtigde de gelegenheid is geboden de gronden van het beroep aan te vullen.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:8751” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:4691

Het bedrag van te stellen zekerheid gelijktijdig is in drie zaken verlaagd tot € 75,-, zodat de totale som € 225,- bedraagt. Indien een betrokkene in de procedure bij de kantonrechter met redenen omkleed aanvoert dat hij niet in staat is zekerheid te stellen, zal de kantonrechter de betrokkene in de gelegenheid moeten stellen op een openbare zitting te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht. Niet gebleken is dat de betrokkene tijdens deze zitting, noch tijdens de eerdere zitting, voldoende in de gelegenheid is gesteld zijn draagkrachtverweer te onderbouwen. Gelet hierop, en in aanmerking genomen dat de betrokkene stelt dat hij tijdens de eerdere zitting gevraagd heeft de zekerheid op nihil te stellen, is het hof van oordeel dat de betrokkene redelijkerwijs in de veronderstelling kon komen te verkeren dat hij nogmaals in de gelegenheid zou worden gesteld om zijn financiële situatie nader toe te lichten en (nog) niet de verlaagde zekerheid heeft gesteld.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:4691” verder

ECLI:NL:GHARL:2015:2286

De betrokkene heeft in hoger beroep afschriften overgelegd van stukken met betrekking tot een aanvraag tot vermindering van de zekerheidstelling, maar deze stukken betreffen andere zaken. Volgens de gemachtigde hebben die stukken ertoe geleid dat de betrokkene in die andere zaken door de kantonrechter is gehoord met betrekking tot haar financiële situatie. Kennelijk heeft de betrokkene erop vertrouwd dat die verzonden stukken ook in deze zaken zouden leiden tot een onderzoek van de kantonrechter naar de draagkracht, zonder dat zij daartoe een nieuw verzoek zou hebben gedaan. Die veronderstelling is onjuist en dient voor rekening en risico van de betrokkene te komen.
In de deze zaken heeft de kantonrechter echter beslist zonder haar te horen en zonder acht te slaan op haar financiële situatie. Het is in strijd met de beginselen van een goede procesorde dat in hoger beroep voor het eerst wordt aangevoerd, dat zekerheidstelling niet kan plaatsvinden op grond van te geringe draagkracht. Immers, ook van een niet professionele procespartij mag worden verwacht dat op de toegezonden brieven wordt gereageerd door ofwel de gevraagde zekerheidstelling te verschaffen ofwel uiteen te zetten, waarom men hiertoe niet kan overgaan. Dat dit in andere zaken eerder is gedaan, maakt dat niet anders.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2015:2286” verder