ECLI:NL:GHARL:2017:5

De gemachtigde stelt in zijn kostenverzoek de wegingsfactor 1,0 (gemiddeld) te hanteren, in verband met de internationale context Duits-Nederlands van de zaak. Het hof is van oordeel dat de wegingsfactor 0,5 (licht) dient te worden toegepast, nu het gewicht van de zaak dit rechtvaardigt. De omstandigheid dat de gemachtigde meer tijd nodig heeft voor proceshandelingen in verband met vertalingen doet hieraan niet af. De proceshandelingen die de gemachtigde heeft verricht met het oog op de WOB-procedure kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen in het kader van deze zaak. Het betreft hier een aparte, van de WAHV los staande procedure.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2017:5” verder

ECLI:NL:GHARL:2014:3735

Het hof dient de vraag te beantwoorden of in dit geval sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Desgevraagd heeft de gemachtigde van de betrokkene aangegeven dat hij staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en dat zijn activiteiten zijn gebaseerd op het vergaren van inkomen. Tevens heeft hij twee certificaten overgelegd, waaruit zijn juridische scholing blijkt. Uit deze overgelegde informatie blijkt niet dat het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte, taakuitoefening. Het verlenen van rechtsbijstand heeft een meer incidenteel karakter. Het hof is derhalve van oordeel dat niet sprake is geweest van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het verzoek om vergoeding zal daarom worden afgewezen. Proceskostenvergoeding gemachtigde afgewezen, hof oordeelt dat geen sprake is van beroepsmatig verleenden rechtsbijstand.

Lees “ECLI:NL:GHARL:2014:3735” verder

ECLI:NL:RVS:2013:BZ3975

Besluit waarbij verweerder een deel van de door appellant op grond van de Wob verzochte documenten heeft verstrekt, waaronder een akte van aanstelling. Naar aanleiding van het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift is bij besluit alsnog een ontbrekend stuk, een wijzigingsbesluit, verstrekt onder toekenning van een proceskostenvergoeding met de wegingsfactor “zeer licht” (0,25). De Afdeling overweegt dat nu het primaire besluit niet strekt tot openbaarmaking van het wijzigingsbesluit, dient dit besluit te worden aangemerkt als een weigering het wijzigingsbesluit openbaar te maken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, kan het in bezwaar alsnog verstrekken van dit document niet anders worden aangemerkt dan als een openbaarmaking in de zin van de Wob. Het geschil was gelet hierop inhoudelijk van aard. De Afdeling is van oordeel dat de behandeling van een zaak in de bezwaar- en beroepsprocedure in beginsel behoort tot de categorie gemiddeld, tenzij er duidelijke redenen zijn hiervan af te wijken. Van dergelijke redenen is in de voorliggende zaak niet gebleken.

Lees “ECLI:NL:RVS:2013:BZ3975” verder

ECLI:NL:HR:2012:BX0904

De werkzaamheden van een taxateur dienen te worden aangemerkt als van bijzondere aard. De mate waarin dergelijke werkzaamheden van bijzondere aard zijn, wordt vooral bepaald door de aard van de te taxeren onroerende zaak. Naarmate de taxatie van een object naar haar aard complexer is, kan toepassing van een hoger uurtarief gerechtvaardigd zijn. Toepassing van het maximale uurtarief komt eerst in aanmerking indien het object van dien aard is dat de taxatie daarvan zeer complex is. Niet de hoogte van het in rekening gebrachte, of in de markt gangbare, uurtarief maatgevend, maar de aard van de werkzaamheden wordt bepaald door de aard van het te taxeren object. Het oordeel van het Hof dat de werkzaamheden van de taxateur niet van bijzondere aard zijn, van een onjuiste rechtsopvatting uitgaat, kan echter niet tot cassatie leiden. In het oordeel van het Hof dat aan belanghebbende een kostenvergoeding ter zake van het taxatierapport kan worden toegekend tegen een uurtarief van € 50 inclusief omzetbelasting, ligt besloten dat de werkzaamheden voor de taxatie van een woning, niet in die mate van bijzondere aard zijn dat de vergoeding moet worden gebaseerd op een ander uurtarief dan € 50 inclusief btw. De vaststelling van de hoogte van de vergoeding voor een taxatieverslag blijkt in de praktijk in procedures over de toepassing van de Wet WOZ regelmatig aanleiding te geven tot geschillen. In aanmerking genomen dat de beslissing over het te hanteren uurtarief vooral van feitelijke aard is, is het wenselijk dat de gerechten in feitelijke instantie beleid ontwikkelen voor een uniforme toepassing van bij de vaststelling van een vergoeding te hanteren uurtarieven. Deze zullen zich moeten richten naar de aard van de te taxeren objecten.

Lees “ECLI:NL:HR:2012:BX0904” verder

ECLI:NL:HR:2011:BQ1222

Op grond van het bepaalde in artikel 1, letter b, en artikel 2, lid 1, letter b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, in verbinding met artikel 8:36, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht moet een veroordeling in de kosten van een deskundigenverslag worden vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken. Krachtens artikel 3, lid 1, van laatstgenoemde wet is in artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (hierna: het Besluit) een tarief van ten hoogste € 81,23 per uur vastgesteld. In artikel 15 van het Besluit is bepaald dat de bedragen, genoemd in het Besluit, worden verhoogd met de omzetbelasting die daarover is verschuldigd. Artikel 15 brengt mee dat de voor vergoeding in aanmerking komende kosten voor de werkzaamheden van een deskundige behoren te worden verhoogd met omzetbelasting naar de op grond van de bepalingen van de Wet op de omzetbelasting 1968 toepasselijke tarieven. Gelet op de strekking van deze bepaling geldt dat echter alleen indien de aan een belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting op hem drukt, dus niet indien hij die belasting als voorbelasting in aftrek kan brengen (zie HR 9 juli 1999, nr. 34442, LJN AA2804, BNB 1999/377).

Lees “ECLI:NL:HR:2011:BQ1222” verder

ECLI:NL:RVS:2008:BD8321

Uitgangspunt van het in de bijlage bij het besluit opgenomen forfaitaire vergoedingsstelsel en in de jurisprudentie is dat voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand kosten in rekening worden gebracht. Nu sprake is van een forfaitair stelsel is voorts de hoogte van de werkelijk in rekening gebrachte kosten voor de beantwoording van de vraag of een tegemoetkoming in de gemaakte proceskosten moet worden toegekend, niet relevant. Evenmin is het aan de rechter om te treden in de beoordeling van de ter zake door de betrokkene en de gemachtigde gemaakte afspraken. Dit oordeel sluit aan bij het gestelde in de Nota van toelichting bij het Besluit (Stb. 1993, 763), dat de regeling “een eenvoudige regeling die de justitiabele zekerheid geeft en de taak van de bestuursrechter niet onnodig verzwaart” is. Het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is onjuist. Dat de gemachtigde van [appellante] het verzoek om openbaarmaking opzettelijk bij de verkeerde administratieve eenheid heeft ingediend – wat daar van zij – vormt geen grond voor een andersluidend oordeel. Dat het verzoek niet intern is doorgestuurd naar de eenheid die belast is met de behandeling van verzoeken als de onderhavige, ligt immers in de risicosfeer van de minister.

Lees “ECLI:NL:RVS:2008:BD8321” verder

ECLI:NL:RVS:2007:BB4317

Het college van B&W heeft een bouwvergunning en vrijstelling verleend voor het uitbreiden van een garage/werkplaats. De luifel vormt een onverbrekelijk geheel met (de rest van) het gebouw. Het bouwplan dient derhalve als één geheel aan de maatstaven van de Woningwet te worden getoetst. Voorts bevindt de luifel zich buiten de bebouwingsstrook. Nu het bouwplan ook op dit punt in strijd is met het bestemmingsplan, had het college het besluit moeten herroepen en de aanvraag om bouwvergunning voor het bouwplan geheel moeten afwijzen of de bij besluit verleende bouwvergunning in stand moeten laten met verlening van vrijstelling voor zowel de overschrijding van het bebouwingsvlak aan de achterzijde van de garage als voor de overschrijding van de bebouwingsstrook aan de voorzijde van de garage. Een nadere memorie moet worden aangemerkt als een nader stuk als bedoeld in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb. Het indienen van een dergelijk stuk is echter niet opgenomen als proceshandeling in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht en kan daarom geen betrekking hebben op de veroordeling in de kosten voor verlening van rechtsbijstand aan appellant in die zaak.

Lees “ECLI:NL:RVS:2007:BB4317” verder

ECLI:NL:RVS:2000:AA6889

Afwijzing verzoek om inzage in toelatingsaanvraagformulier betreffende bestrijdingsmiddel Tanalith 3485. In art. 22 van de Bestrijdingsmiddelenwet is een uitputtende bijzondere openbaarmakingsregeling vervat, die de Wob in zijn toepassing beperkt, nu met dat art. een specifiek op de bescherming van het milieu en de volksgezondheid toegesneden regeling inzake openbaarheid en geheimhouding is beoogd. Dat volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Bestrijdingsmiddelenwet.

Lees “ECLI:NL:RVS:2000:AA6889” verder