ECLI:NL:RVS:2013:BZ0722

Bij uitspraak van 23 december 2011 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het door appellant ingestelde beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een beschikking tot vaststelling van een dwangsom door de officier van justitie. De rechtbank had ambtshalve moeten bezien of zij als algemene of bijzondere bestuursrechter bevoegd was van het beroepschrift kennis te nemen. De algemene bestuursrechter van de rechtbank was niet bevoegd van het beroep van appellant kennis te nemen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft dit niet tot gevolg dat de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard, aangezien de kantonrechter van die rechtbank als bijzondere bestuursrechter wordt aangemerkt als de Wahv van toepassing is.

Uitspraak

201113419/1/A3.
Datum uitspraak: 6 februari 2013

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 23 december 2011 in zaak nr. 11-5476 in het geding tussen:
[appellant]
en
de officier van justitie, arrondissementsparket Haarlem.

Procesverloop

Bij uitspraak van 23 december 2011 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het door [appellant] ingestelde beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een beschikking tot vaststelling van een dwangsom door de officier van justitie. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 november 2012, waar [appellant] is verschenen.

Overwegingen

1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat, nu de aangevallen uitspraak is bekendgemaakt vóór 1 januari 2013 deze moet worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dit gold vóór inwerkingtreding van deze wet.

Ingevolge artikel 1:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt een tot de rechterlijke macht behorend gerecht als administratieve rechter aangemerkt voor zover hoofdstuk 8 of de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: de Wahv) van toepassing is.

Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, eerste volzin, verbeurt het bestuursorgaan indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.

Ingevolge artikel 4:18 stelt het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was.

Ingevolge artikel 4:19, eerste lid, heeft het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking op aanvraag mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

Ingevolge artikel 8:5, eerste lid, gelezen in verbinding met de bij de Awb behorende bijlage, kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit, genomen op grond van de Wahv.

Ingevolge artikel 2a van de Wahv zijn de titels 4.4, 5.1 en 5.4 van de Awb niet van toepassing op het opleggen en de inning van een administratieve sanctie en de administratiekosten op grond van deze wet.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, eerste volzin, kan tegen de oplegging van de administratieve sanctie degene tot wie de beschikking is gericht, beroep instellen bij de officier van justitie in het arrondissement waar de gedraging is verricht.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, kan degene die administratief beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie beroep instellen bij de rechtbank; het beroep wordt behandeld en beslist door de kantonrechter. Het beroepschrift wordt ingediend bij de officier van justitie die ingevolge artikel 6, eerste lid, op het administratief beroep heeft beslist. Hoofdstuk 8 van de Awb is niet van toepassing.

2. Aan [appellant] is een verkeersboete opgelegd op grond van de Wahv. Hij heeft daartegen administratief beroep ingesteld bij de officier van justitie. Bij brief van 9 juni 2011 heeft [appellant] de officier van justitie in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op dat beroep. Op 26 augustus 2011 heeft [appellant] via de kantonrechter van de rechtbank Haarlem vernomen dat op het administratief beroep is beslist.

Volgens [appellant] heeft de officier van justitie een dwangsom ten bedrage van € 1.260,00 verbeurd voor de periode 24 juni 2011 tot en met 4 augustus 2011. De officier van justitie heeft geen beschikking genomen tot vaststelling van deze dwangsom als bedoeld in artikel 4:18 van de Awb. [appellant] heeft beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het niet tijdig nemen van een dergelijk besluit.

3. De rechtbank heeft overwogen dat zij onbevoegd is van dat beroep kennis te nemen, omdat de ingebrekestelling van 9 juni 2011 was gericht tegen het uitblijven van een beslissing op grond van de Wahv en daartegen ingevolge artikel 8:5, eerste lid, van de Awb, gelezen in verbinding met de bijlage bij die wet, geen beroep bij haar openstaat.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank door aldus te overwegen heeft miskend dat zijn beroep niet was gericht tegen het uitblijven van een beslissing op zijn administratief beroep in de Wahv-procedure, maar tegen het uitblijven van een besluit tot vaststelling van de dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op dat administratief beroep. Volgens hem is de rechtbank bevoegd daarvan kennis te nemen, nu de vaststelling van een verbeurde dwangsom losstaat van de Wahv-procedure en artikel 2a van de Wahv paragraaf 4.1.3.2 van de Awb, waarin de dwangsom bij niet tijdig beslissen is geregeld, niet buiten toepassing verklaart.

4.1. Anders dan [appellant] aanvoert, bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bij haar ingestelde beroep was gericht tegen het niet tijdig nemen van een dwangsombeschikking als bedoeld in artikel 4:18 van de Awb. Zowel in overweging 1.4 als 2.4 van de aangevallen uitspraak wordt dit vermeld.

4.2. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Voor de vaststelling welke voorzieningen openstaan tegen het niet tijdig nemen van een besluit, is bepalend het antwoord op de vraag welke voorzieningen zouden openstaan, indien een reëel besluit zou zijn genomen (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 119-120 en Kamerstukken II 1990/91, 21 221, nr. 5, blz. 82). Dat betekent dat in dit geval bevoegd is de rechter die bevoegd zou zijn kennis te nemen van een beroep van [appellant] betreffende de dwangsombeschikking.

Ingevolge artikel 4:19, eerste lid, heeft het beroep tegen de beschikking op aanvraag mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom. Met deze bepaling, die met zich brengt dat tegen het oorspronkelijk bestreden besluit op de aanvraag en het hangende de procedure daartegen bijkomende besluit over de dwangsommen dezelfde rechtsgang openstaat, is beoogd de proceseconomie te dienen (Kamerstukken II 2004/05, 29 934, nr. 6, blz. 15). In dit geval is de in artikel 4:19 bedoelde beschikking op aanvraag het besluit op het administratief beroep in de Wahv-procedure. Daartegen kan, gelet op artikel 9, eerste lid, van de Wahv beroep worden ingesteld bij de rechtbank, welk beroep wordt behandeld door de kantonrechter. Naar het oordeel van de Afdeling vloeit uit deze bepaling, bezien in samenhang met de in artikel 4:19 van de Awb neergelegde systematiek, voort dat die kantonrechter ook bevoegd is kennis te nemen van een beroep betreffende een dwangsombeschikking of, zoals in dit geval, tegen het niet tijdig nemen daarvan.

Bij dit oordeel wordt in aanmerking genomen dat, anders dan [appellant] lijkt te veronderstellen, de bevoegdheid van de officier van justitie een dergelijke beschikking te nemen niet uitsluitend haar grondslag vindt in artikel 4:18 van de Awb, maar mede in het uitblijven van een besluit op grond van de Wahv, zodat een dwangsombeschikking in dit verband met een besluit op grond van de Wahv moet worden gelijkgesteld. Voorts is, zoals [appellant] terecht aanvoert, de in de Awb neergelegde regeling over de dwangsom bij niet tijdig beslissen in de Wahv niet buiten toepassing verklaard.

4.3. Het voorgaande betekent dat de algemene bestuursrechter van de rechtbank niet bevoegd was van het beroep van [appellant] kennis te nemen. Dit heeft naar het oordeel van de Afdeling evenwel niet tot gevolg dat de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard, aangezien de kantonrechter van die rechtbank, die ingevolge artikel 1:4, tweede lid, van de Awb als bijzondere bestuursrechter wordt aangemerkt als de Wahv van toepassing is, gezien het voorgaande wel bevoegd was van dat beroep kennis te nemen. De rechtbank had ambtshalve moeten bezien of zij als algemene of bijzondere bestuursrechter bevoegd was van het beroepschrift kennis te nemen. In zoverre slaagt het betoog van [appellant]. Gelet hierop behoeven de overige betogen van [appellant] geen bespreking.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

7. Redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht voor het hoger beroep terugbetaalt.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 23 december 2011 in zaak nr. 11-5476;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 227,00 (zegge: tweehonderdzevenentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Biharie, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Biharie
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2013

611.