ECLI:NL:RVS:2013:910

Bij besluit van 27 augustus 2010 heeft de minister naar aanleiding van een verzoek van RTL Nederland om verstrekking van “geanonimiseerde afschriften van alle processen-verbaal van de Rijksrecherche in het oriënterende onderzoek volgend op een aangifte van De Nederlandsche Bank op of rond 16 december 2009 van een vermoedelijke overtreding van de geheimhoudingsbepalingen uit de Wet financieel toezicht en geanonimiseerde afschriften van alle onderliggende documenten van dat onderzoek” vastgesteld dat 42 documenten onder dat verzoek vallen, daarvan 21 documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt en geweigerd 13 documenten openbaar te maken. De overige 8 documenten zijn volgens hem reeds in het bezit van RTL Nederland.

Uitspraak

201206923/1/A3.
Datum uitspraak: 28 augustus 2013

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RTL Nederland B.V., gevestigd te Hilversum,
2. de minister van Veiligheid en Justitie,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 juni 2012 in zaak nr. 11/518 in het geding tussen:
RTL Nederland
en
de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 27 augustus 2010 heeft de minister naar aanleiding van een verzoek van RTL Nederland om verstrekking van “geanonimiseerde afschriften van alle processen-verbaal van de Rijksrecherche in het oriënterende onderzoek volgend op een aangifte van De Nederlandsche Bank op of rond 16 december 2009 van een vermoedelijke overtreding van de geheimhoudingsbepalingen uit de Wet financieel toezicht en geanonimiseerde afschriften van alle onderliggende documenten van dat onderzoek” vastgesteld dat 42 documenten onder dat verzoek vallen, daarvan 21 documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt en geweigerd 13 documenten openbaar te maken. De overige 8 documenten zijn volgens hem reeds in het bezit van RTL Nederland.

Bij besluit van 14 december 2010 heeft de minister het door RTL Nederland daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, omdat is gebleken dat nog 17 documenten onder het verzoek vallen. Daarvan heeft hij 1 document geheel openbaar gemaakt, 8 documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt en geweigerd 5 documenten openbaar te maken. Volgens hem zijn 3 documenten reeds openbaar dan wel in het bezit van RTL Nederland.

Voor het overige heeft hij het besluit van 27 augustus 2010, onder aanvulling van de motivering, gehandhaafd.

Bij uitspraak van 7 juni 2012 heeft de rechtbank het door RTL Nederland daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 14 december 2010 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben RTL Nederland en de minister hoger beroep ingesteld.

RTL Nederland en de minister hebben verweerschriften ingediend.

RTL Nederland heeft de Afdeling toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

RTL Nederland en de minister hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juli 2013, waar RTL Nederland, vertegenwoordigd door R.B.W. Lukassen, werkzaam bij RTL Nieuws, bijgestaan door R.J.E. Vleugels, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.S. van Muiswinkel, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft een ieder recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) verstrekt een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie overeenkomstig deze wet en gaat het daarbij uit van het algemeen belang van openbaarheid van informatie.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het derde lid behoeft de verzoeker bij zijn verzoek geen belang te stellen.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

[…];

c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;

[…];

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

[…];

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, wordt in geval van een verzoek om informatie uit documenten opgesteld ten behoeve van intern beraad geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.

2. De documenten waarvan RTL Nederland openbaarmaking heeft verzocht, zien op het zogenoemde “onderzoek Barcelona”. In dit Rijksrecherche-onderzoek stond de vraag centraal hoe RTL Nieuws in december 2009 de beschikking heeft gekregen over vertrouwelijke stukken van De Nederlandsche Bank (hierna: DNB) met betrekking tot de DSB Bank.

De minister heeft aan de weigering de nog niet in het bezit van RTL Nederland zijnde documenten openbaar dan wel geheel openbaar te maken ten grondslag gelegd dat op die documenten dan wel gedeelten daarvan een of meer van de weigeringsgronden van toepassing zijn als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, e en g, van de Wob en artikel 11, eerste lid, van de Wob.

3. De rechtbank heeft overwogen dat RTL Nederland niet aannemelijk heeft gemaakt dat onder de minister meer documenten berusten dan de 59 die hij naar aanleiding van het verzoek van RTL Nederland heeft geïnventariseerd. Ten aanzien van een aantal passages in de documenten nrs. 1, 18 en 36 heeft de minister zich volgens de rechtbank in redelijkheid niet op het standpunt kunnen stellen dat openbaarmaking daarvan achterwege dient te blijven op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob. Openbaarmaking van de overige geweigerde informatie mag achterwege blijven, aldus de rechtbank.

Ten aanzien van de positie van RTL Nederland

4. RTL Nederland betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zij, althans haar organisatieonderdeel RTL Nieuws, een ‘eerst betrokkene’ is bij de verzochte informatie en derhalve een bijzondere positie inneemt. Volgens haar had de rechtbank hiermee rekening dienen te houden door bij de beoordeling de toepasselijkheid van de Wet politiegegevens of daaraan verwante wetten te betrekken waarin onderscheid wordt gemaakt tussen categorieën van betrokkenen. Indien zij als eerst betrokkene niet op grond van een bijzondere wet toegang zou hebben tot de verzochte informatie, had de rechtbank met inachtneming van het beginsel dat eerst betrokkenen recht hebben op een ruimere toegang tot informatie dan derden een ‘geclausuleerde’, uitsluitend op haar betrekking hebbende, Wob-uitspraak moeten doen, aldus RTL Nederland.

4.1. Uit de bewoordingen van het verzoek van RTL Nederland blijkt onmiskenbaar dat dit strekt tot openbaarmaking van de verzochte informatie op grond van de Wob. De rechtbank heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien te beoordelen of de minister die informatie aan RTL Nederland had dienen te verstrekken op grond van een andere wettelijke regeling.

Het betoog faalt in zoverre.

4.2. RTL Nederland heeft haar stelling dat de Nederlandse wetgeving en het EVRM meebrengen dat eerst betrokkenen via de Wob in bijzondere situaties recht hebben op informatie waarop derden geen recht hebben, ter zitting gemotiveerd met een verwijzing naar uitspraken van de Afdeling uit onder meer 1988 en 1994 over verzoeken om inzage in dossiers van de voormalige Binnenlandse Veiligheidsdienst (hierna: de BVD).

4.2.1. De Afdeling gaat ervan uit dat RTL Nederland doelt op de uitspraak van de voormalige Afdeling rechtspraak van 28 februari 1988 in de zaken nrs. R01.87.0003 tot en met R01.87.0017 (tB/S 1988, 27, niet gepubliceerd op kilese.nl) en de uitspraak van de Afdeling van 16 juni 1994 in zaak nr. R01.91.1588 (AB 1995, 238, niet gepubliceerd op kilese.nl).

In eerstgenoemde uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de minister van Binnenlandse Zaken op grond van artikel 4, aanhef en onder b, van de Wob, waarin destijds was bepaald dat het verstrekken van informatie achterwege blijft indien dit de veiligheid van de staat zou kunnen schaden, terecht heeft geweigerd appellanten mede te delen of bij de BVD documenten met op hen betrekking hebbende persoonsgegevens berusten en hun inzage in die documenten te verlenen.

Appellanten hebben hun zaken voorgelegd aan de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens (hierna: de ECRM). De ECRM heeft op 3 december 1991 een rapport uitgebracht. Volgens de ECRM was het aannemelijk dat de BVD informatie over appellanten had verzameld en opgeslagen, hetgeen een inbreuk vormde op artikel 8, eerste lid, van het EVRM. Volgens de ECRM was deze inbreuk niet gerechtvaardigd, onder meer omdat Nederland niet bij wet voldoende duidelijk had gemaakt in welke omstandigheden en onder welke voorwaarden de BVD bevoegd was een onderzoek in te stellen. De ECRM was van oordeel dat het verzoek om toegang tot de BVD-dossiers geen aparte vraag onder artikel 8 van het EVRM aan de orde stelde. Het rapport van de ECRM is voorgelegd aan het Comité van Ministers van de Raad van Europa, dat in zijn 498e bijeenkomst in 1993 een schending van artikel 8 van het EVRM heeft geconstateerd.

Op 1 februari 1988 is de Wet inlichtingen- en veiligheidsdiensten (hierna: de Wiv (oud)) in werking getreden. In de uitspraken van 24 november 1992 in de zaken nrs. R01.91.1113 en R01.91.1486 (AB 1994, 343 en 344) heeft de Afdeling overwogen dat in de artikelen 16 en 17 van die wet een uitputtende regeling inzake openbaarmaking van door de BVD verzamelde persoonsgegevens is vervat, welke als bijzondere regeling voorrang heeft boven de Wob. In de door RTL Nederland bedoelde uitspraak van de Afdeling van 16 juni 1994 heeft zij, onder verwijzing naar het rapport van de ECRM van 3 december 1991, evenwel overwogen dat artikel 16 van de Wiv (oud) in strijd is met onder meer artikel 8 van het EVRM. Volgens de Afdeling kon schending van het EVRM ten aanzien van appellant, die had verzocht om inzage in een eventueel door de BVD over hem aangelegd dossier, slechts worden voorkomen door artikel 16 van de Wiv (oud) buiten toepassing te laten en het bestreden besluit, waarbij dat verzoek was afgewezen, aan de Wob te toetsen. Bij die toetsing dienden volgens de Afdeling de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 8 van het EVRM in acht te worden genomen. De minister diende met een op het concrete geval toegesneden motivering uiteen te zetten of de veiligheid van de staat zich verzette tegen het beantwoorden van de vraag of tot het verzamelen en registreren van persoonsgegevens van appellant was overgegaan, dan wel tegen het geheel of gedeeltelijk aan appellant verstrekken van inzage in die gegevens, zo die bestonden.

Naar aanleiding van de uitspraak van 16 juni 1994 is de Wiv (oud) vervangen door de Wiv 2002. De Wiv 2002 voorziet sedert 29 mei 2002 in een gesloten verstrekkingenregime dat van de Wob afwijkt en daarop voorrang heeft.

4.2.2. In haar uitspraak van 25 april 2000 in zaak nr. 199900528/1 (ECLI:NL:RVS:2000:AA5845) heeft de Afdeling overwogen dat het recht op openbaarmaking ingevolge de Wob uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering dient, welk belang de Wob vooronderstelt. Dat recht komt iedere burger in gelijke mate toe. Derhalve kan ten aanzien van openbaarheid geen onderscheid worden gemaakt naar gelang de persoon of de oogmerken van de verzoeker. Bij de te verrichten belangenafweging worden slechts het publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie en de door de weigeringsgronden te beschermen belangen betrokken, niet het specifieke belang van de verzoeker. Deze belangenafweging kan niet leiden tot niet algemene, selectieve informatieverstrekking, dat wil zeggen dat zij niet tot openbaarmaking aan slechts een bepaalde verzoeker kan leiden.

Dit is vaste rechtspraak.

4.2.3. De Afdeling ziet in hetgeen RTL Nederland heeft aangevoerd over de zaken betreffende verzoeken om inzage in BVD-dossiers geen aanleiding thans anders te oordelen dan in haar vaste rechtspraak sedert de uitspraak van 25 april 2000. Daargelaten dat de uitspraken uit 1988 en 1994 over de verzoeken om inzage in BVD-dossiers dateren van vóór de uitspraak van 25 april 2000, zagen op specifieke gevallen en door inwerkingtreding van de Wiv 2002 sedert 29 mei 2002 achterhaald zijn, kan daaruit niet worden afgeleid dat informatie die op grond van de Wob aan eerst betrokkenen openbaar is gemaakt, uitsluitend aan hen is verstrekt en niet voor een ieder openbaar is geworden.

RTL Nederland heeft verder niet gemotiveerd waarom artikel 8 van het EVRM op de onderhavige situatie van toepassing is en op welke wijze daaruit volgt dat zij via de Wob recht heeft op informatie die niet aan anderen verstrekt mag worden. Dit kan uit het rapport van de ECRM van 3 december 1991 niet worden afgeleid, reeds omdat dat zag op verzoeken van eerst betrokkenen om inzage in over hen opgemaakte BVD-dossiers – hetgeen hier niet het geval is – en de ECRM zich in haar rapport niet heeft uitgelaten over het verzoek om toegang tot informatie. Overigens heeft de Afdeling in haar uitspraak van 1 december 2010 in zaak nr. 201000882/1/H3 (ECLI:NL:RVS:2010:BO5710) overwogen dat artikel 8 van het EVRM niet vereist dat alle verzochte gegevens openbaar worden gemaakt. Die bepaling biedt staten die partij zijn bij het verdrag de mogelijkheid aan het openbaar maken van gegevens en documenten beperkingen te verbinden. De Wob voorziet in dergelijke beperkingen.

4.3. Gezien het voorgaande heeft de rechtbank aan de stelling van RTL Nederland dat zij eerst betrokkene is bij de verzochte informatie, wat daarvan ook zij, derhalve terecht niet de waarde toegekend die RTL Nederland daaraan gehecht wenst te zien.

Het betoog faalt ook in zoverre.

5. RTL Nederland heeft eerst ter zitting bij de Afdeling betoogd dat op een Wob-verzoek als het onderhavige, dat is ingediend voor journalistieke doeleinden, het door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) geformuleerde “noodzakelijkheidsvereiste” van toepassing is.

Nog daargelaten dat het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom dit betoog niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, en RTL Nederland dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, zal de Afdeling dit betoog buiten beschouwing laten nu RTL Nederland dit niet concreet heeft toegelicht.

Ten aanzien van het aantal documenten

6. RTL Nederland betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de minister niet alle documenten die onder de reikwijdte van het verzoek vallen, bij zijn besluitvorming heeft betrokken. Volgens RTL Nederland heeft de rechtbank in dat verband ten onrechte overwogen dat zij aannemelijk dient te maken dat onder de minister meer relevante documenten berusten. Zij acht dat onjuist nu in de wel verstrekte documenten wordt verwezen naar documenten die verstrekt noch geweigerd zijn.

6.1. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de door hem geïnventariseerde 59 documenten alle onder hem berustende documenten zijn die op het “onderzoek Barcelona” zien en hij niet de beschikking heeft over meer documenten. Ter zitting bij de rechtbank heeft hij toegelicht dat de documenten waarnaar in een aantal documenten wordt verwezen, reeds deel uitmaken van die 59 documenten. Hierover kan bij RTL Nederland verwarring zijn ontstaan doordat sommige documenten onder verschillende benamingen worden vermeld, aldus de minister.

Gezien deze toelichting, komt de mededeling van de minister dat geen andere op het Wob-verzoek betrekking hebbende stukken bij hem berusten niet ongeloofwaardig voor. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het daarom aan RTL Nederland is om aannemelijk te maken dat er meer relevante documenten onder de minister berustten. Dat het voor RTL Nederland wellicht niet direct duidelijk was naar welke van de geïnventariseerde 59 documenten wordt verwezen, brengt niet met zich dat er meer dan 59 documenten onder de reikwijdte van het verzoek vallen. RTL Nederland heeft dat ook anderszins niet aannemelijk gemaakt.

Het betoog faalt.

Ten aanzien van de weigering tot openbaarmaking van informatie

7. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat hij ten aanzien van alle niet openbaar gemaakte informatie de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob heeft ingeroepen. De rechtbank heeft daardoor ten onrechte niet beoordeeld of de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat openbaarmaking van de door de rechtbank genoemde passages in de documenten nrs. 1, 18 en 36 op die grond achterwege dient te blijven.

RTL Nederland betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat openbaarmaking van de overige geweigerde informatie achterwege mag blijven. Volgens haar heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom bepaalde weigeringsgronden zich voordoen en waarom de in die gronden genoemde belangen zwaarder wegen dan het algemene belang bij openbaarheid. Bovendien kunnen de ingeroepen gronden niet leiden tot een weigering gehele documenten of passages openbaar te maken.

7.1. In het besluit van 14 december 2010 heeft de minister medegedeeld dat na het primaire besluit van 27 augustus 2010 een oud-bestuurder van de DSB Bank aangifte tegen DNB heeft gedaan. Volgens hem verzet het opsporings- en eventuele vervolgingsbelang zich als gevolg hiervan tegen de openbaarmaking van de bij laatstgenoemd besluit geweigerde informatie, zodat aan de weigering die informatie openbaar te maken mede artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob ten grondslag wordt gelegd. Hij heeft de motivering van het besluit van 27 augustus 2010 hiermee aangevuld.

De minister voert terecht aan dat de rechtbank dit niet heeft onderkend, nu zij in de aangevallen uitspraak artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob alleen noemt bij de documenten nrs. 46 en 48 tot en met 59. De Afdeling zal in het navolgende beoordelen of openbaarmaking van de door de rechtbank genoemde passages in de documenten nrs. 1, 18 en 36 desalniettemin in redelijkheid niet achterwege kon blijven. Gezien het betoog van RTL Nederland zal de Afdeling tevens beoordelen of de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat de overige geweigerde informatie niet openbaar behoefde te worden gemaakt.

8. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de door de minister vertrouwelijk overgelegde documenten.

De minister heeft aan de weigering bepaalde passages uit de documenten nrs. 1, 18, 19, 20, 26, 27, 28, 29, 31, 36, 37, 38 en 46 openbaar te maken ten grondslag gelegd dat op die passages de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, e en g, van de Wob van toepassing zijn. Hij heeft aan de weigering bepaalde passages uit de documenten nrs. 30, 32, 34, 41, 42, 53, 55, 57, 58 en 59 openbaar te maken ten grondslag gelegd dat op die passages de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, e en g, en artikel 11, eerste lid, van de Wob van toepassing zijn. Aan de weigering bepaalde passages uit de documenten nrs. 33, 35, 39, 40, 52 en 54 openbaar te maken heeft hij ten grondslag gelegd dat op die passages de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c en e, van de Wob van toepassing zijn.

De minister heeft aan de weigering de documenten nrs. 2, 3, 12, 13, 14, 15, 17, 21, 22, 23, 24, 48, 49 en 50 openbaar te maken ten grondslag gelegd dat daarop de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, e en g, van de Wob van toepassing zijn. Hij heeft aan de weigering de documenten nrs. 16, 25 en 56 openbaar te maken ten grondslag gelegd dat daarop de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, e en g, en artikel 11, eerste lid, van de Wob van toepassing zijn. Aan de weigering document nr. 51 openbaar te maken heeft hij ten grondslag gelegd dat daarop de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c en g, van de Wob van toepassing zijn.

9. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 februari 2011 in zaak nr. 201006133/1/H3, ECLI:NL:RVS:2011:BP4737), kan, hoewel in beginsel per document of onderdeel daarvan moet worden gemotiveerd op welke grond openbaarmaking daarvan achterwege wordt gelaten, daarvan onder omstandigheden worden afgezien als dat zou leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen. Dat afzien kan, indien meer dan één weigeringsgrond van toepassing is geacht op een document dat uit verschillende onderdelen bestaat, slechts indien voldoende kenbaar is welke weigeringsgrond op welk onderdeel ziet.

De minister heeft bij de besluiten van 27 augustus 2010 en 14 december 2010 een lijst gevoegd waarin hij per document heeft vermeld welke weigeringsgrond of -gronden hij heeft toegepast. Daarnaast heeft hij in de besluiten zelf per weigeringsgrond in meer algemene bewoordingen toegelicht waarom die grond zich volgens hem in de desbetreffende documenten voordoet en, voor zover hij zich beroept op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, e of g, van de Wob, waarom het publieke belang bij openbaarmaking niet opweegt tegen de daar genoemde belangen. Naar het oordeel van de Afdeling kan in dit geval uit de niet openbaar gemaakte passages en documenten, bezien in samenhang met de aard van de ingeroepen weigeringsgronden en de algemene toelichting op de weigeringsgronden, steeds per onderdeel van een document worden afgeleid welke weigeringsgrond de minister heeft toegepast.

Anders dan RTL Nederland aanvoert, heeft de rechtbank dan ook terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de minister met de door hem gevolgde werkwijze niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt welke gronden en belangenafweging hij aan het niet openbaar maken van de desbetreffende passages en documenten ten grondslag heeft gelegd.

10. Het verzoek van RTL Nederland ziet op geanonimiseerde afschriften van de gevraagde documenten. Dit betekent volgens haar dat de minister wordt verzocht “bijvoorbeeld namen van betrokken ambtenaren en privé-personen weg te laten, ongeacht de vraag of zij met naam en toenaam worden vermeld vanwege hun beroepsmatig functioneren”. Ter zitting heeft RTL Nederland desgevraagd toegelicht dat haar verzoek ook niet ziet op gegevens die direct herleidbaar zijn tot een bepaalde persoon, zoals telefoonnummers, faxnummers en e-mailadressen. Gelet hierop heeft de rechtbank zich terecht onthouden van een oordeel over de vraag of de minister die gegevens in redelijkheid in de verstrekte documenten heeft kunnen weglakken.

Het voorgaande brengt verder mee dat het betoog van RTL Nederland voor zover dat ziet op de documenten nrs. 19, 20, 26, 27, 28, 29, 31, 33, 35, 37, 38, 39, 40, 52 en 54 zien geen bespreking behoeft, nu in die documenten alleen dergelijke gegevens zijn weggelakt. Voor zover de rechtbank toch een oordeel over die documenten heeft gegeven, acht de Afdeling dat ten overvloede gedaan.

11. De Afdeling stelt voorts vast dat de niet openbaar gemaakte passage in de tweede alinea op blz. 087 van document nr. 18 overeenkomt met de wel openbaar gemaakte passage in de tweede alinea op blz. 007 van document nr. 1 onder het kopje “Bijzonder onderzoek verricht door DNB”. Gelet hierop valt niet in te zien dat de belangen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder c, e en g, van de Wob bij openbaarmaking van die passage geschaad worden.

Evenmin valt in te zien waarom openbaarmaking van document nr. 17 dient te worden geweigerd op grond van de belangen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder c, e en g, van de Wob, aangezien de daarin neergelegde informatie grotendeels overeenkomt met de wel openbaar gemaakte informatie zoals neergelegd in document nr. 1.

12. Ten aanzien van de overige documenten overweegt de Afdeling als volgt.

12.1. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat het Rijksrechercheonderzoek en de daaraan ten grondslag liggende stukken van belang kunnen zijn voor enige naar aanleiding van de aangifte van de oud-bestuurder van de DSB Bank te nemen beslissing. Openbaarmaking van informatie uit dat onderzoek schaadt het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten, zodat hierop de in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob neergelegde weigeringsgrond van toepassing is. Aan dit belang dient een zwaarder gewicht te worden toegekend dan aan het publieke belang bij openbaarheid van die informatie, aldus de minister.

De Afdeling begrijpt dit standpunt aldus dat deze weigeringsgrond volgens de minister integraal van toepassing is op alle niet openbaar gemaakte passages en documenten, ook voor zover de minister ten aanzien van die passages en documenten tevens een of meer andere weigeringsgronden heeft ingeroepen.

12.2. RTL Nederland voert terecht aan dat ten tijde van het verzoek van RTL Nederland en het besluit van 27 augustus 2010 het “onderzoek Barcelona” reeds was afgerond en de zaaksofficier van justitie had besloten het op grond van de onderzoeksbevindingen niet opportuun te achten nader onderzoek in te stellen. De minister heeft evenwel onweersproken gesteld dat na dit besluit een aangifte tegen DNB is gedaan, waarbij de bevindingen uit het “onderzoek Barcelona” van belang kunnen zijn. Anders dan RTL Nederland aanvoert mocht de minister, gezien de volledige heroverweging die ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Awb in bezwaar dient plaats te vinden, deze nieuwe aangifte bij de beoordeling van het bezwaar betrekken.

De enkele omstandigheid dat aangifte tegen DNB is gedaan, brengt evenwel niet mee dat het openbaar maken van de gevraagde informatie reeds daarom met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob mocht worden geweigerd. Daarvoor dient eveneens aannemelijk te zijn dat het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten aan de orde is bij openbaarmaking van die informatie. Voorts dient aan dat belang in redelijkheid een zwaarder gewicht te kunnen worden toegekend dan aan het publieke belang bij openbaarheid. Te dien aanzien overweegt de Afdeling als volgt.

12.3. Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob beoogt te voorkomen dat de opsporing en vervolging van strafbare feiten zou kunnen worden gefrustreerd door openbaarmaking van gegevens die opsporingsambtenaren of het Openbaar Ministerie inmiddels hebben vergaard (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, blz. 35). Zoals volgt uit de rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraken van 15 november 2006 in zaak nr. 200704168/1, ECLI:NL:RVS:2008:BC3024) kan dit belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten zich voordoen, indien de gevraagde informatie aanleiding is geweest voor en is gebruikt ten behoeve van een lopend onderzoek, dan wel niet op voorhand onaannemelijk is dat een eerder onderzoek zal worden hervat. Het kan daarbij ook gaan om onderzoeken voordat een beslissing tot vervolging is genomen.

12.4. De documenten nrs. 1 (blz. 005-006), 2, 3, 12 tot en met 16, 18 (blz. 086), 21 tot en met 25, 34, 36, 48 en 50, dan wel de niet openbaar gemaakte passages daarvan, bevatten informatie over de aangifte van DNB, getuigenverhoren en -verklaringen en verzamelde bewijsstukken. De documenten nrs. 30, 32, 34, 41, 42, 46, 49, 51, 53, 55, 56, 57, 58 en 59, dan wel de niet openbaar gemaakte passages daarvan, bevatten gedetailleerde informatie over de wijze waarop het “onderzoek Barcelona” is uitgevoerd.

De stelling van de minister dat deze informatie van belang kan zijn voor enige naar aanleiding van de nieuwe aangifte te nemen beslissing en openbaarmaking hiervan ertoe kan leiden dat de opsporing en vervolging van strafbare feiten wordt gefrustreerd, komt de Afdeling – gelet op de aard van deze informatie – aannemelijk voor. Gelet hierop en gezien de hiervoor onder 12.3. vermelde rechtspraak heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat bij openbaarmaking van deze informatie het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder c, van de Wob aan de orde is. De minister heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit belang zwaarder dient te wegen dan het publieke belang bij openbaarmaking van deze informatie. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de minister het “Relaas proces-verbaal”, waarin een algemeen overzicht is gegeven van de bevindingen uit het “onderzoek Barcelona”, grotendeels openbaar heeft gemaakt, zodat ook zonder openbaarmaking van alle aan dat onderzoek ten grondslag liggende informatie het door de Wob vooronderstelde publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering in voldoende mate is gediend.

Conclusie ten aanzien van de weigering tot openbaarmaking van informatie

13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank, zij het deels op andere gronden, terecht tot het oordeel is gekomen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat openbaarmaking van de documenten nrs. 2, 3, 12, 13, 14, 15, 16, 21, 22, 23, 24, 25, 30, 32, 34, 41, 42, 46, 48, 49, 50, 51, 53, 55, 56, 57, 58 en 59, geheel dan wel gedeeltelijk achterwege diende te blijven.

De rechtbank is verder, zij het op andere gronden, terecht tot het oordeel gekomen dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat openbaarmaking van de passage in de tweede alinea op blz. 087 van document nr. 18 achterwege diende te blijven op de door hem genoemde gronden.

De rechtbank heeft evenwel ten onrechte niet onderkend dat de minister evenmin deugdelijk heeft gemotiveerd waarom openbaarmaking van document nr. 17 op die gronden geheel achterwege diende te blijven. Het betoog van RTL Nederland slaagt in zoverre.

De rechtbank is voorts ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat openbaarmaking van de verklaring op blz. 005-006 van document nr. 1, de verklaring op blz. 086 van document nr. 18 en de passages in document nr. 36 achterwege diende te blijven. Het betoog van de minister slaagt in zoverre.

14. Gezien het voorgaande behoeven de overige door RTL Nederland en de minister aangevoerde gronden, die zien op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob en artikel 11, eerste lid, van de Wob geen bespreking.

15. De hoger beroepen zijn gegrond. Nu echter de beslissing van de rechtbank juist is, dient de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

16. Uit hetgeen onder 11 is overwogen, volgt dat de minister openbaarmaking van de informatie neergelegd in document nr. 17 en in de tweede alinea op blz. 087 van document nr. 18 in redelijkheid niet achterwege heeft kunnen laten op grond van de belangen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder c, e en g, van de Wob. Ter zitting bij de Afdeling heeft de gemachtigde van de minister desgevraagd medegedeeld dat het niet openbaar maken van die informatie hoogstwaarschijnlijk op een vergissing berust.

De Afdeling ziet hierin, mede gelet op het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil, aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De Afdeling zal het verzoek van RTL Nederland om openbaarmaking van document nr. 17 en de passage in de tweede alinea op blz. 087 van document nr. 18 inwilligen en de minister gelasten dat document en die passage alsnog te verstrekken aan RTL Nederland, onder weglakking van de daarin voorkomende persoonsgegevens. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

De Afdeling zal voorts bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het door de rechtbank vernietigde besluit van 14 december 2010, zodat de minister geen nieuw besluit op het bezwaar van RTL Nederland behoeft te nemen.

17. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. bevestigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 juni 2012 in zaak nr. 11/518;

III. willigt het verzoek van RTL Nederland om openbaarmaking van document nr. 17 en de passage in de tweede alinea op blz. 087 van document nr. 18 in;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het door de rechtbank vernietigde besluit van de minister van Veiligheid en Justitie van 14 december 2010, kenmerk 5678594/10;

V. gelast de minister van Veiligheid en Justitie om binnen twee weken na de verzending van deze uitspraak document nr. 17 en de passage in de tweede alinea op blz. 087 van document nr. 18 te verstrekken aan RTL Nederland B.V., onder weglakking van de daarin voorkomende persoonsgegevens;

VI. veroordeelt de minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RTL Nederland B.V. in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de minister van Veiligheid en Justitie aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RTL Nederland B.V. het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 466,00 (zegge: vierhonderdzesenzestig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Biharie, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Biharie
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2013

611.