ECLI:NL:RVS:2009:BH9245

Bij twee besluiten van 24 oktober 2006 heeft de Raad voor Rechtsbijstand ‘s-Gravenhage (hierna: de Raad voor Rechtsbijstand) twee aanvragen van de vereniging ‘Vereniging Van Reizigers’ (hierna: de VVR) om gesubsidieerde rechtsbijstand afgewezen.

Uitspraak

200804696/1.
Datum uitspraak: 1 april 2009

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:
de vereniging ‘Vereniging Van Reizigers’ en de vereniging ‘Vereniging Surinaamse Nederlanders’, beide gevestigd te Nijmegen,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 23 april 2008 in zaak nr. 07/1103 in het geding tussen:
de vereniging ‘Vereniging Van Reizigers’
en
de Raad voor Rechtsbijstand ‘s-Gravenhage.

1. Procesverloop

Bij twee besluiten van 24 oktober 2006 heeft de Raad voor Rechtsbijstand ‘s-Gravenhage (hierna: de Raad voor Rechtsbijstand) twee aanvragen van de vereniging ‘Vereniging Van Reizigers’ (hierna: de VVR) om gesubsidieerde rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 25 januari 2007 heeft de Raad voor Rechtsbijstand het daartegen door de VVR gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 april 2008, verzonden op 6 mei 2008, heeft de rechtbank ‘s-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door de VVR ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de VVR en de vereniging ‘Vereniging Surinaamse Nederlanders’ (hierna: de VSN) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 juni 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 september 2008.

De Raad voor Rechtsbijstand heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak aan de orde gesteld ter zitting op 4 februari 2009. De VVR en de VSN zijn niet ter zitting verschenen. De Raad voor Rechtsbijstand is met bericht niet ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank.

De VVR heeft bij aanvraagformulieren van 20 september 2006 bij de Raad voor Rechtsbijstand twee keer een Toevoeging Civiel aangevraagd. De besluiten van 24 oktober 2006 op de aanvragen zijn alleen aan de VVR gericht. Gesteld noch gebleken is dat een belang van de VSN rechtstreeks bij deze besluiten is betrokken.

De conclusie is dat de VSN geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, gelezen in samenhang met artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De VSN komt in deze zaak mitsdien niet het recht toe hoger beroep in te stellen. De Afdeling zal het hoger beroep van de VSN niet-ontvankelijk verklaren.

2.2. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb) wordt rechtsbijstand uitsluitend verleend ter zake van in de Nederlandse rechtssfeer liggende rechtsbelangen aan natuurlijke en rechtspersonen wier financiële draagkracht de in artikel 34 genoemde bedragen niet overschrijdt.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder d, wordt rechtsbijstand niet verleend indien de daartoe strekkende aanvraag wordt gedaan door een rechtspersoon die is opgericht met het doel om een gerechtelijke procedure te voeren.

2.3. De VVR heeft de toevoegingen aangevraagd in verband met het voeren van procedures bij de rechtbank tegen de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Verkeer en Waterstaat) met als vorderingen dat onvoldoende toezicht wordt gehouden op het heffen van een brandstoftoeslag op de prijs van vliegtickets onderscheidenlijk op de hoogte van vliegtarieven voor vluchten tussen Nederland, Suriname, de Nederlandse Antillen en Aruba.

De Raad voor Rechtsbijstand heeft aan het besluit op bezwaar van 25 januari 2007, waarbij het besluit van 24 oktober 2006 is gehandhaafd, ten grondslag gelegd, samengevat weergegeven, dat de VVR, gezien haar statutaire doelstelling en de wijze waarop zij deze tracht te bereiken, onder meer is opgericht met het doel juridische procedures te voeren. Volgens de Raad voor Rechtsbijstand zijn, gezien de kwesties waarvoor de toevoegingen zijn aangevraagd, de te behartigen rechtsbelangen een rechtstreeks uitvloeisel van die statutaire doelstelling, waarbij de noodzaak van juridische bijstand in de lijn der verwachtingen lag. Gelet op artikel 12, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wrb diende volgens de Raad voor Rechtsbijstand hierom de afgifte van de toevoegingen te worden geweigerd.

2.4. De VVR betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Raad voor Rechtsbijstand haar aanvragen ten onrechte op grond van artikel 12, aanhef en onder d, van de Wrb heeft afgewezen. Zij voert aan dat zij niet is opgericht met het statutaire doel juridische procedures te voeren. Verder voert zij aan dat de afwijzing in strijd is met artikel 6 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM), omdat ten onrechte onderscheid is gemaakt tussen rechtspersonen en natuurlijke personen die een beroep doen op gefinancierde rechtsbijstand.

2.4.1. Anders dan de VVR betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat artikel 12, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wrb op haar van toepassing is. Nu de VVR ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder g, van haar statuten mede het optreden als procespartij of als procesgemachtigde als doel heeft, is de Afdeling, evenals de rechtbank, van oordeel dat de VRR mede is opgericht voor het voeren van gerechtelijke procedures. Zoals de Afdeling ook heeft overwogen in de uitspraak van 12 maart 2008 in zaak nr. 200705710/1 (ECLI:NL:RVS:2008:BC6440) doet aan dit oordeel niet af dat het voeren van dergelijke procedures niet in alle gevallen noodzakelijk is en hiernaast ook andere middelen worden ingezet. Zoals de Afdeling in die uitspraak ook heeft overwogen is in dit verband mede van belang dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wrb blijkt dat is beoogd dat een rechtspersoon slechts bij uitzondering aanspraak kan maken op van overheidswege gefinancierde rechtsbijstand (Kamerstukken II 1991-1992, 22609, nr. 3, blz. 17).

2.4.2. De rechtbank heeft verder met juistheid overwogen dat de uit artikel 6 van het EVRM volgende verplichting tot het bieden van effectieve toegang tot de rechter niet zover strekt dat daarom in dit geval aan de VVR toevoegingen hadden moeten worden toegekend. Daarbij is in aanmerking genomen dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) in de uitspraken van 15 februari 2005 inzake [partijen] tegen het Verenigd Koninkrijk, zaak nr. 68416/01, en van 13 maart 2007 inzake [partij] tegen Polen, zaak nr. 77765/01, (www.echr.coe.int) heeft overwogen dat het recht op toegang tot de rechter niet absoluut is, maar aan beperkingen mag worden onderworpen. Dergelijke beperkingen zijn volgens het EHRM niet in strijd met artikel 6 van het EVRM voor zover deze niet in essentie het recht op de toegang tot de rechter schaden, een gerechtvaardigd doel dienen en proportioneel zijn. Naar het oordeel van de Afdeling is in dit geval aan die vereisten voldaan. Daarbij is in aanmerking genomen dat rechtspersonen ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Wrb in beginsel in aanmerking komen voor gefinancierde rechtsbijstand en dat artikel 12, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wrb op zichzelf de toegang tot de rechter niet beperkt. Met de laatstvermelde bepaling wordt slechts voorkomen dat de beperkte publieke middelen voor gefinancierde rechtsbijstand moeten worden aangewend voor kosten van rechtsbijstand waarvan in redelijkheid kan worden aangenomen dat deze door de rechtspersoon zelf behoren te worden gedragen. In dit verband is van belang dat de Raad voor Rechtsbijstand onweersproken heeft gesteld dat de te behartigen rechtsbelangen waarvoor de VVR de toevoegingen heeft aangevraagd, een rechtstreeks uitvloeisel zijn van haar statutaire doelstellingen en dat de noodzaak van juridische bijstand reeds bij de oprichting van de rechtspersoon in de lijn der verwachtingen lag. Voorts is gesteld noch gebleken dat de gevolgen van de afwijzingen voor de VVR onevenredig zijn in verhouding tot het daarmee te dienen doel.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van de vereniging ‘Vereniging Surinaamse Nederlanders’ niet-ontvankelijk;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Groenendijk
voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2009

164-507.