ECLI:NL:RVS:2004:AP3399

Appellant heeft in zijn bezwaarschrift tegen het besluit van 18 juli 2002 om vergoeding van zijn proceskosten in de voorprocedure verzocht. Derhalve kan niet worden staande gehouden dat appellant geen belang heeft bij het verkrijgen van een oordeel op zijn bezwaar. De burgemeester heeft bij de bestreden beslissing op bezwaar derhalve het bezwaar van appellant ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en heeft voorts, in strijd met artikel 7:15 van de Awb, nagelaten te beoordelen of het verzoek om vergoeding van proceskosten voor inwilliging in aanmerking komt. De rechtbank heeft het beroep op dit punt dan ook ten onrechte ongegrond verklaard.

Uitspraak

200305761/1.
Datum uitspraak: 23 juni 2004

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 2 juli 2003 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Woudrichem.

1. Procesverloop

Op 16 juli 2002 om 15.45 uur heeft het college van burgemeester en wethouders van Woudrichem (hierna: het college) aan appellant medegedeeld dat de door de brandweer bij een inspectiebezoek op 15 juli 2002 aan zijn bedrijf, hotel-restaurant [naam], geconstateerde tekortkomingen voor wat betreft het hotelgedeelte dermate ernstig zijn dat het heeft besloten spoedeisende bestuursdwang toe te passen en het hotel te sluiten totdat zodanige maatregelen zijn genomen dat aan een aantal nader aangeduide vereisten wordt voldaan. Het college heeft dit besluit op 17 juli 2002 op schrift gesteld (hierna: besluit I).

Bij besluit van 17 juli 2002 heeft het college appellant op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en afdeling 5.3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) onder aanzegging van bestuursdwang aangeschreven om binnen dertig dagen na dagtekening van deze brief een aantal nader aangeduide maatregelen te treffen (hierna: besluit II).

Bij besluit van 18 juli 2002 heeft de burgemeester van Woudrichem (hierna: de burgemeester) op grond van artikel 174 van de Gemeentewet appellant gelast het hotelgedeelte van zijn bedrijf gesloten te houden tot nader order (hierna: besluit III).

Bij afzonderlijke besluiten van 12 november 2002 heeft het college het tegen besluit I gemaakte bezwaar ongegrond verklaard onder aanvulling van de grondslag van het besluit en het tegen besluit II gemaakte bezwaar ongegrond verklaard onder wijziging van de grondslag van het besluit en de verzoeken om schadevergoeding en vergoeding van de in de bezwaarschriftenfase gemaakte kosten met betrekking tot deze besluiten afgewezen. Eveneens bij besluit van 12 november 2002 heeft de burgemeester besluit III ingetrokken en het tegen dat besluit gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 2 juli 2003, verzonden op 18 juli 2003, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het tegen deze besluiten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 1 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 28 augustus 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 3 november 2003 hebben het college en de burgemeester van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 maart 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door C.N. Verhagen, gemachtigde, en mr. A.C.R. Molenaar, advocaat te Amstelveen, en het college en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. drs. K.D. Meersma, advocaat te Amsterdam en R. Bayens, J. Gelderblom en J. Pot, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders, indien een gebouw, niet zijnde een woning, woonkeet of woonwagen, wegens strijd met de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften of uit anderen hoofde noodzakelijk voorzieningen behoeft dan wel wegens strijd met de in artikel 2, tweede lid, bedoelde voorschriften voorzieningen behoeft, degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het treffen van die voorzieningen bevoegd is, aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven voorzieningen te treffen.

Ingevolge artikel 17, derde lid, van de Woningwet, kunnen burgemeester en wethouders, indien een gebouw als bedoeld in het eerste lid, wordt gebruikt op een wijze die niet in overeenstemming is met de desbetreffende voorschriften van de bouwverordening, de hoofdgebruiker of elke afzonderlijke gebruiker aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn het gebruik in overeenstemming met die voorschriften te brengen.

Ingevolge artikel 17, vierde lid, van de Woningwet, kunnen burgemeester en wethouders, indien de aanschrijving, bedoeld in het derde lid, geschiedt met het oog op gevaar of ernstige hinder, tevens bepalen dat gedurende de in dat lid bedoelde termijn het gebruik van het gebouw moet worden gestaakt.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Woningwet, voorzover hier van belang, gaan burgemeester en wethouders, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet over tot toepassing van bestuursdwang in geval van strijd met een bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur gegeven voorschrift omtrent bouwwerken of standplaatsen en een in de bouwverordening gegeven voorschrift omtrent bestaande bouwwerken, dan nadat zij de aanschrijving hebben uitgevaardigd.

Ingevolge artikel 174 van de Gemeentewet is de burgemeester belast met het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven.

Ingevolge artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet, is de burgemeester bevoegd bij de uitoefening van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, de bevelen te geven die met het oog op de bescherming van veiligheid en gezondheid nodig zijn.

Ten aanzien van de besluiten I en II

2.2. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college zich, gelet op de aard van de overtredingen, zoals neergelegd in het rapport van de brandweer over de bevindingen tijdens een controle op 15 juli 2002, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake was van een spoedeisend geval in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Woningwet en dat het onmiddellijk sluiten van het hotelgedeelte van het hotel-restaurant op 16 juli 2002, zonder voorafgaande aanschrijving, geboden was.

Het betoog van appellant dat geen sprake was van een spoedeisend geval omdat tussen de controles door de brandweer op 15 juli 2002 en 22 juli 2002 in het hotelgedeelte van het pand geen veranderingen zijn aangebracht en de brandweer na de controle op 22 juli 2002 akkoord ging met openstelling van het hotelgedeelte, mist feitelijke grondslag. Uit het rapport van laatstgenoemde controle blijkt immers dat op 22 juli 2002 aan punt 4 en 5 van de aanschrijving was voldaan en dat voor de overige punten een gelijkwaardige oplossing is gezocht teneinde de sluiting van het hotelgedeelte op te heffen. Daarbij zij overigens nog opgemerkt dat het college bij de bestreden beslissing op bezwaar terecht heeft gesteld dat uit de toelichting op het Bouwbesluit volgt dat het niet aan hem maar aan de bouwer is om zodanige gelijkwaardige oplossing te bieden.

2.3. Niet in geschil is dat sprake is van overtreding van een aantal in het Bouwbesluit en de gemeentelijke bouwverordening neergelegde voorschriften. Het college was dan ook bevoegd appellant aan te schrijven om binnen 30 dagen de daarin genoemde voorzieningen te treffen. Dat, naar appellant stelt, de daarin geconstateerde gebreken binnen 2,5 uur waren verholpen, doet aan die bevoegdheid niet af.

2.4. Het betoog van appellant dat de besluiten I en II in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zijn genomen, faalt. Nu het bij de controle inzake brandveiligheid gaat om de vraag of de feitelijke situatie in overeenstemming is met de voorschriften in het Bouwbesluit en de gemeentelijke bouwverordening, kan appellant niet worden gevolgd in zijn betoog dat de brandweer gehouden was voorafgaande aan deze controle het bouwdossier te raadplegen. Of de feitelijke situatie in overeenstemming is met de verleende bouwvergunning is bij een dergelijke controle immers niet aan de orde. De gestelde omstandigheid dat de brandweer de verkeerde bouwtekening zou hebben geraadpleegd, doet, wat daarvan ook zij, aan de bevindingen van het onderzoek niet af. Appellant heeft deze bevindingen ook niet betwist. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het onderzoek niet zorgvuldig is geweest. De omstandigheid dat appellant bij die controle niet aanwezig was is in dit verband niet relevant.

De omstandigheid dat het college appellant niet (eerder) heeft gewezen op het ontbreken van de ingevolge de gemeentelijke bouwverordening vereiste gebruiksvergunning en niet eerder handhavend is opgetreden, ontslaat appellant, anders dan hij meent, niet van de verplichting om te voldoen aan de in het Bouwbesluit en de gemeentelijke bouwverordening neergelegde voorschriften. Dit behoort immers tot zijn verantwoordelijkheid als exploitant van een horeca-inrichting. Terecht heeft de rechtbank in dit verband overwogen dat de noodzaak van het optreden tegen de brandgevaarlijke situatie werd veroorzaakt door de situatie zelf en niet door het passieve controlebeleid van het college op het gebied van de brandveiligheid.

2.5. Het betoog van appellant dat de rechtbank ten onrechte niet heeft geoordeeld dat het college hem nadeelcompensatie had moeten toekennen, faalt evenzeer. Nu appellant het verzoek om nadeelcompensatie in zijn bezwaarschriften, strekkend tot vernietiging van de besluiten I en II, heeft opgenomen, kan dit verzoek niet anders worden begrepen dan als een verzoek om het toekennen van nadeelcompensatie in het kader van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Het rechtsbeginsel van gelijkheid voor de openbare lasten biedt daarvoor, anders dan appellant betoogt, geen grondslag. Het college heeft zich, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, bij de bestreden beslissingen op bezwaar terecht op het standpunt gesteld dat voor het toekennen van nadeelcompensatie geen grond is. Niet valt in te zien waarom de kosten van de vereiste brandveiligheidsvoorzieningen niet door appellant moeten worden gedragen, nu deze niet buiten het normale ondernemersrisico vallen. Het college was dan ook gerechtigd tot sluiting van het hotelgedeelte over te gaan zonder het omzetverlies als gevolg van die sluiting te compenseren.

2.6. Voorzover appellant betoogt dat het college zijn verzoek om vergoeding van kosten als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb ten onrechte heeft afgewezen, overweegt de Afdeling dat bij de bestreden beslissingen op bezwaar de besluiten I en II niet zijn herroepen, zodat, gelet op artikel 7:15, tweede lid, van de Awb deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Ten aanzien van besluit III

2.7. Bij beslissing van 12 november 2002 heeft de burgemeester het besluit van 18 juli 2002 ingetrokken. De burgemeester heeft in dit besluit tevens het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 juli 2002 wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard.

2.8. Appellant heeft in zijn bezwaarschrift tegen het besluit van 18 juli 2002 om vergoeding van zijn proceskosten in de voorprocedure verzocht. Derhalve kan niet worden staande gehouden dat appellant geen belang heeft bij het verkrijgen van een oordeel op zijn bezwaar. De burgemeester heeft bij de bestreden beslissing op bezwaar derhalve het bezwaar van appellant ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en heeft voorts, in strijd met artikel 7:15 van de Awb, nagelaten te beoordelen of het verzoek om vergoeding van proceskosten voor inwilliging in aanmerking komt. De rechtbank heeft het beroep op dit punt dan ook ten onrechte ongegrond verklaard.

2.9. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voorzover het beroep met betrekking tot de beslissing op bezwaar van de burgemeester aangaande besluit III ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling dat beroep alsnog gegrond verklaren. De bestreden beslissing op bezwaar van 12 november 2002 komt eveneens voor vernietiging in aanmerking.

2.10. De burgemeester dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 2 juli 2003, 02/2500, 02/2501 en 02/2502 GEMWT, voorzover deze betrekking heeft op het besluit van de burgemeester van Woudrichem van 12 november 2002;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de burgemeester van Woudrichem van 12 november 2002;

V. veroordeelt de burgemeester van Woudrichem in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1288,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Woudrichem te worden betaald aan appellant;

VI. gelast dat de gemeente Woudrichem aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 284,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Roelfsema

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2004

53-398.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *