ECLI:NL:RVS:2000:AA5845

Het recht op openbaarmaking ingevolge de WOB dient uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering, welk belang de WOB vooronderstelt. Het komt iedere burger in gelijke mate toe. Daarom kan t.a.v de openbaarheid geen onderscheid worden gemaakt naar gelang de persoon of de oogmerken van de verzoeker. Bij de te verrichten belangenafweging worden dan ook betrokken het algemene of publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie en de door de weigeringsgronden te beschermen belangen, maar niet het specifieke belang van de verzoeker. Deze belangenafweging kan niet leiden tot niet algemene openbaarmaking, d.w.z. slechts bekendmaking aan een bepaalde verzoeker met een specifiek belang. De ABRS stelt vast, dat – daargelaten de vraag of de afweging van belangen zoals die had behoren plaats te vinden, tot inwilliging van het verzoek had behoren te leiden- de door de verzoeker gevraagde gegevens met toepassing van de WOB aan de KNVB zijn verstrekt en derhalve moeten worden geacht desverzocht voor iedere burger beschikbaar te zijn. Bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd wegens strijd met het stelsel van de WOB. Belangenafweging Wob kan niet leiden tot slechts bekendmaking aan een bepaalde verzoeker met een specifiek belang.

Uitspraak

Raad van State
199900528/1.
Datum uitspraak: 25 april 2000

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:
A te B, appellant,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Zwolle van 6 mei 1999 in het geding tussen:
appellant
en
de Minister van Justitie.

1 Procesverloop

Bij brief van 10 november 199 2 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de fictieve weigering van de Minister van Justitie (hierna: de Minister) te beslissen op zijn verzoek van 11 oktober 1992 op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) om inzage in, dan wel afschrift van informatie, waaronder personalia, uit de strafdossiers van X en Y, zoals vermeld in de uitspraken van de Voorzitter van de (toenmalige) Afdeling rechtspraak van 5 maart 1990 inzake no. R02.90.0186/S29 (KG 1990, 143) en van de (toenmalige) Afdeling rechtspraak van 7 januari 1992 inzake no. R02.91.0654 (NJB/Bijlage 1992114, 12).

Bij uitspraak van 9 december 1997 inzake nos. R02.92.6320 en R02.93.0522, voor zover hier van belang, heeft de Afdeling, beslissend op het beroep van appellant, de (niet inhoudelijke) brief van de Minister van 18 november 1992 aangemerkt als een beslissing op bezwaar en dit besluit vernietigd, onder overweging dat de Minister (opnieuw) zal beslissen op het bezwaar van appellant van 10 november 1992.

Bij uitspraak van 9 november 1998, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Zwolle (hierna: de rechtbank), beslissend op het beroep van appellant tegen de fictieve weigering van de Minister om te beslissen op het bezwaar van 10 november 199 2, dit besluit vernietigd en de Minister opgedragen binnen zes weken na verzending van de uitspraak te beslissen op dit bezwaar.

Bij besluit van 17 december 1998 heeft het Hoofd Kabinet en Voorlichting namens het College van procureurs- generaal – welk besluit de Minister bij brief van 26 maart 1999, ondertekend door de secretaris-generaal, voor zijn rekening heeft genomen – het door appellant op 10 november 1992 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 6 mei 1999, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en de Minister opgedragen om met inachtneming van de uitspraak (opnieuw) te beslissen op het bezwaar van appellant van 10 november 1992. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 5 juni 1999, bij de Raad van State ingekomen op 9 juni 1999, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 30 juli 1999. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij besluit van 8 september 1999 heeft de Minister (opnieuw) beslist op het bezwaarschrift van appellant. Dit besluit is aangehecht.

Bij brief van 15 september 1999 heeft de Minister een memorie van antwoord ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft appellant bij brief van 17 oktober 1999 van repliek gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2000, waar appellant in persoon, en de Minister, vertegenwoordigd door mevrouw mr C.M. Bitter, advocaat te Den Haag, en mevrouw mr W.E. Markus-Burger, werkzaam bij het Parket-Generaal van het College van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het besluit van 17 december 1998 vernietigd wegens een bevoegdheidsgebrek en op inhoudelijke gronden omdat niet de juiste belangen zijn afgewogen zodat het besluit niet berust op een deugdelijke motivering.

2.2. Bij besluit van 8 september 1999 heeft de Minister, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, beslist op het bezwaar van appellant. Dit besluit is inhoudelijk gelijk aan het vernietigde besluit. Appellant kan met het hoger beroep dan ook niet meer bereiken dat geen materieel gelijkluidend besluit wordt genomen. Het processueel belang dat appellant had ten tijde van het instellen van het hoger beroep is derhalve verloren gegaan. Gelet hierop dient het niet-ontvankelijk te worden verklaard. De inhoudelijke kant van de zaak komt aan de orde bij de beoordeling van het beroep tegen het besluit van 8 september 1999. Dit ligt thans bij de Afdeling voor. De Afdeling ziet in dit geval, mede gelet op de wens van partijen om tot een beslechting van het geschil te komen, geen aanleiding om de beslissing op het beroep tegen dit besluit met toepassing van artikel 6:19, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) naar de rechtbank te verwijzen.

2.3. Het geschil betreft de weigering van de Minister om appellant informatie te verstrekken uit de strafdossiers van de voetbalvandalen X en Y. Bij besluiten van december 1989 heeft (de Officier van Justitie te Amsterdam namens) de Minister deze informatie verstrekt aan de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond (hierna: KNVB) op diens verzoek met het oog op een te treffen uitsluitingsmaatregel (stadionverbod).

2.4. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, of het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan welvan derden.

2.5. De Minister heeft zich in zijn besluit van 8 september 1999 op het standpunt gesteld dat het uitgangspunt van de Wob weliswaar is dat inwilliging van een verzoek algemene openbaarmaking tot gevolg heeft, maar dat in bepaalde gevallen aan een verzoeker die is belast met een specifiek publiek belang, informatie kan worden verstrekt zonder dat daarmee de informatie voor een ieder openbaar wordt. In een dergelijk geval dient, aldus de Minister, te worden beoordeeld of, in plaats van het algemene belang bij openbaarmaking, het specifieke publieke belang zwaarder dient te wegen dan de in artikel 10, tweede lid, van de Wob genoemde belangen.

Volgens de Minister is de KNVB belast met de behartiging van een dergelijk specifiek publiek belang, te weten de bestrijding van het voetbalvandalisme. Door het verstrekken van de informatie aan de KNVB wordt de KNVB in staat gesteld voetbalvandalen van wedstrijden uit te sluiten. Het publieke belang van de bestrijding van het voetbalvandalisme weegt naar het oordeel van de Minister zwaarder dan de privacy van de desbetreffende voetbalvandalen.

Aangezien appellant, aldus de Minister, niet een bijzonder, zwaarwegend publiek belang behartigt waarvoor hij de informatie nodig heeft, dient hier het publieke belang van openbaarmaking te worden afgewogen tegen de in artikel 10, tweede lid, van de Wob genoemde belangen. De in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob genoemde belangen wegen naar het oordeel van de Minister in dit geval zwaarder dan het belang van openbaarmaking, zodat de afwijzing van appellants verzoek wordt gehandhaafd.

2.6. Appellant heeft dit in het besluit van 8 september 1999 neergelegde standpunt van de Minister gemotiveerd bestreden. Appellants beroep richt zich niet tegen het besluit van 8 september 1999 voor zover daarbij zijn bezwaar, gericht tegen het niet tijdig beslissen door de Minister, gegrond is verklaard.

2.7. Het recht op openbaarmaking ingevolge de Wob dient uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering, welk belang de Wob vooronderstelt. Het komt iedere burger in gelijke mate toe. Daarom kan ten aanzien van de openbaarheid geen onderscheid worden gemaakt naar gelang de persoon of de oogmerken van de verzoeker. Bij de te verrichten belangenafweging worden dan ook betrokken het algemene of publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie en de door de (relatieve) weigeringsgronden te beschermen belangen, maar niet het specifieke belang van de verzoeker. Deze belangenafweging kan niet leiden tot niet algemene openbaarmaking, dat wil zeggen slechts bekendmaking aan een bepaalde verzoeker met een specifiek belang. De Afdeling deelt het standpunt van de Minister dan ook niet.

2.8. Bij de besluiten van december 1989 tot openbaarmaking van de in het geding zijnde informatie aan de KNVB is de Minister uitgegaan van het specifieke publieke belang van de KNVB – de bestrijding van het voetbalvandalisme – en heeft hij dit zwaarder laten wegen dan de privacy van de desbetreffende voetbalvandalen. De Afdeling stelt vast, dat – daargelaten de vraag of de afweging van belangen zoals die had behoren plaats te vinden, tot inwilliging van het verzoek had behoren te leiden – de door appellant gevraagde gegevens met toepassing van de Wob aan de KNVB zijn verstrekt en derhalve moeten worden geacht desverzocht voor iedere burger beschikbaar te zijn. Gelet hierop heeft de Minister de afwijzing van appellants verzoek tot terbeschikkingstelling van die gegevens ten onrechte gehandhaafd.

2.9. Uit het voorgaande volgt dat het beroep van appellant tegen het besluit van 8 september 1999 gegrond is en dat dit besluit, voor zover daarbij appellants bezwaar tegen het niet verstrekken van de gevraagde documenten ongegrond is verklaard, dient te worden vernietigd wegens strijd met het stelsel van de Wob. De Minister dient met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant van 10 november 1992. De Afdeling ziet in de lange duur van dit geschil aanleiding hiervoor een termijn te stellen.

2.10. De Afdeling acht termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als hierna vermeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van de Minister van Justitie van 8 september 1999 gegrond;

III. vernietigt het besluit van de Minister van Justitie van 8 september 1999, kenmerk 787820/99/BSG, voor zover daarbij het bezwaar van appellant tegen het niet verstrekken van de gevraagde documenten ongegrond is verklaard;

IV. draagt de Minister van Justitie op om binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming ervan een nieuw besluit te nemen en dit aan appellant toe te zenden;

V. veroordeelt de Minister van Justitie in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 259,40. Dit bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) te worden betaald aan appellant.

Aldus vastgesteld door mr P.J. Boukema, Voorzitter, en mr J.A.M. van Angeren en mr B. van Wagtendonk, Leden, in tegenwoordigheid van mr drs M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Boukema w.g. Broodman
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2000.

Verzonden: 25 april 2000

Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,