ECLI:NL:RBGEL:2013:1011

Gemeente heeft bij de aanvraag tot bijzondere bijstand de bewindvoerder verzocht een machtiging te verstrekken. De bewindvoerder heeft verwezen naar de genoemde beschikking van de kantonrechter. Omdat geen machtiging is overgelegd, heeft de gemeente de aanvraag buiten behandeling gesteld. Namens verzoeker (rechthebbende) is aangevoerd dat de bewindvoerder op grond van artikel 1:441, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) de rechthebbende in en buiten rechte vertegenwoordigt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker, nu zijn goederen onder bewind zijn gesteld, onbekwaam is om in rechte te staan, zodat hij bij het verzoek wordt vertegenwoordigd door zijn bewindvoerder. Het verzoek is daarom ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Team bestuursrecht
zaaknummer: ARN 13/2467

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juni 2013 op het verzoek om voorlopige voorziening in het geschil tussen
[verzoeker], verzoeker,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Overbetuwe, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om een bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering buiten behandeling gesteld.

Namens verzoeker heeft zijn bewindvoerder mr. J.M. Schaeffer, werkzaam bij Gelderse Stichting tot Beheer & Bewindvoering ter bescherming van minderjarigen te Arnhem, tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2013. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn bewindvoerder. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde D.G.W. Radstaat.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Verzoeker, geboren op [geboortedag], ontvangt een Wajong-uitkering. Bij beschikking van de kantonrechter van 28 september 2010 zijn de goederen die (zullen) toebehoren aan verzoeker onder bewind gesteld en is de Gelderse Stichting tot Beheer & Bewindvoering ter bescherming van minderjarigen tot bewindvoerder benoemd.

Verzoeker heeft (laatstelijk) bij besluit van 20 februari 2012 van verweerder bijzondere bijstand ontvangen voor de kosten van bewindvoering. Bij brief van 1 februari 2013 heeft verzoekers bewindvoerder verzocht om bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering over het jaar 2013, ten bedrage van € 1.224. Bij brief van 25 februari 2013 heeft verweerder verzocht een machtiging te verstrekken. In reactie daarop heeft verzoekers bewindvoerder verwezen naar de genoemde beschikking van de kantonrechter. Omdat geen machtiging is overgelegd, heeft verweerder bij het primaire besluit verzoekers aanvraag buiten behandeling gesteld.

3. Namens verzoeker is aangevoerd dat de bewindvoerder op grond van artikel 1:441, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) de rechthebbende in en buiten rechte vertegenwoordigt. Op grond daarvan is geen machtiging nodig om bijzondere bijstand aan te vragen. Ter onderbouwing van dit standpunt is verwezen naar een brief van minister Donner op vragen van de Tweede Kamer (vergaderjaar 2005-2006, aanhangsel 3757). Door het wegvallen van de bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering wordt verzoekers maandelijkse budget negatief, aldus zijn bewindvoerder.

Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat aan het verzoek om een voorlopige voorziening geen machtiging ten grondslag ligt en dat het verzoek daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Subsidiair is namens verweerder gesteld dat bewind alleen de goederen betreft, en een aanvraag om bijzondere bijstand geen (vermogens)recht tot onderwerp heeft. Volgens verweerder mocht in dit geval toepassing worden gegeven aan de in artikel 2:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegekende discretionaire bevoegdheid.

4. De voorzieningenrechter dient allereerst te beoordelen of het verzoek om voorlopige voorziening ontvankelijk is, gelet op het feit dat een machtiging voor het indienen van dit verzoek ontbreekt.

In artikel 8:21, eerste lid, van de Awb is bepaald dat natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte te staan, in het geding worden vertegenwoordigd door hun vertegenwoordigers naar burgerlijk recht. De wettelijke vertegenwoordiger behoeft niet de machtiging van de kantonrechter, bedoeld in artikel 349 van Boek 1 van het BW. Ingevolge het tweede lid kunnen de in het eerste lid bedoelde personen zelf in het geding optreden, indien zij tot redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht

5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker, nu zijn goederen onder bewind zijn gesteld, onbekwaam is om in rechte te staan, zodat hij bij het onderhavige verzoek wordt vertegenwoordigd door zijn bewindvoerder. Het verzoek is daarom ontvankelijk.

6. Ingevolge artikel 2:1, eerste lid, van de Awb kan een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Het bestuursorgaan kan ingevolge het tweede lid van de gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.

Artikel 1:431, eerste lid, van het BW bepaalt dat indien een meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen, de kantonrechter een bewind kan instellen over één of meer van de goederen, die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren. Onder aan de meerderjarige toebehorende goederen zijn in deze titel begrepen goederen die behoren tot zijn huwelijksgemeenschap of gemeenschap van geregistreerd partnerschap en die niet uitsluitend onder het bestuur van zijn echtgenoot dan wel geregistreerd partner staan.

7. Uit de wetsgeschiedenis bij artikel 1:431 van het BW volgt dat ook toekomstige goederen onder bewind gesteld kunnen worden (MvT, 15 350, nr. 3, p. 19). Goederen zijn blijkens artikel 3:1 van het BW alle zaken en alle vermogensrechten.

8. Tussen partijen is niet in geschil dat de goederen van verzoeker onder bewind zijn gesteld. Uit artikel 1:441 van het BW volgt dat de bewindvoerder de wettelijk vertegenwoordiger is. In antwoord op vragen vanuit de Tweede Kamer heeft de minister over de bevoegdheden van de bewindvoerder aangegeven:

“Beschermingsbewind beoogt degene van wie tegenwoordige en toekomstige goederen onder bewind zijn gesteld, te beschermen tegen eigen onzorgvuldig optreden met betrekking tot diens geld en goed, niet-handelen ter zake daaronder begrepen. Dit bewind voorziet in optreden door een derde, de bewindvoerder, ter zake van de financiële huishouding van meerderjarigen die daartoe zelf vanwege hun lichamelijk of geestelijke toestand niet behoorlijk of in het geheel niet in staat zijn. Het beheer over de onder bewind staande goederen wordt voortaan door de bewindvoerder gevoerd, voor beschikkingshandelingen ten aanzien daarvan behoeft hij de medewerking van de bewindvoerder dan wel, bij weigerachtigheid of niet in staat zijn van de betrokkene om medewerking te verlenen, de machtiging van de kantonrechter. De bewindvoerder vertegenwoordigt de betrokkene tijdens het bewind in en buiten rechte bij de vervulling van zijn taak (artikel 1:441 lid 1 BW), hij is dus in zoverre diens wettelijke vertegenwoordiger. De wending «bij de vervulling van zijn taak» mag naar wij menen aldus worden opgevat dat die taak niet slechts handelingen betreft die in rechtstreeks verband staan met de onder bewind gestelde goederen, maar ook handelingen die in het belang van een ordentelijke financiële huishouding van de betrokken persoon noodzakelijk, nuttig of wenselijk zijn. (…) Blijkens de richtlijnen van het Landelijk Overleg van Kantonsectorvoorzitters (LOK) van april 2004 (te raadplegen op de site www.rechtspraak.nl) worden tot de «gewone werkzaamheden van de bewindvoerder tijdens het bewind» met name ook gerekend «het regelen van de financiële huishouding van de betrokkene, inclusief belastingaangifte box 1, het verzoeken van kwijtschelding ter zake van heffingen en het aanvragen van (bijzondere) bijstand en huursubsidie». (…) Het doen van een verzoek om bijzondere bijstand, het indienen van bezwaar tegen de weigering daarvan en ook het ondertekenen van bedoelde periodieke verklaringen in het kader van de Wet werk en bijstand past in die taak, met name in geval de betrokken persoon vanwege zijn geestelijke toestand niet in staat is machtiging te geven of zich om zijn financiële reilen en zeilen in het geheel niet bekommert. Het gaat hierbij om rechtshandelingen. (…) Indien de bewindvoerder ook ter zake van het aanvragen van bijstand e.d. als de wettelijke vertegenwoordiger van de betrokken persoon kan optreden, behoeft aan het geven van een machtiging om zich in het verkeer met een bestuursorgaan door een gemachtigde te laten vertegenwoordigen ook niet te worden toegekomen, nog ervan afgezien dat, als gezegd, de betrokkene tot het op een rechtsgeldige wijze verlenen van machtiging (óók een rechtshandeling) veelal niet in staat is, het bewind nu juist met het oog op die toestand is ingesteld. Tenslotte zij nog bedacht, dat machtiging (ook) in het bestuursrecht eerst dan aan de orde behoeft te komen, indien de betrokkene geen wettelijke vertegenwoordiger heeft, maar een ander als zijn vertegenwoordiger wil laten optreden.” (Vergaderjaar 2005–2006, Aanhangsel van de Handelingen, blz. 3757-3758).

9. Verweerder was, gelet op artikel 2:1, tweede lid, van de Awb, bevoegd om bij de aanvraag een machtiging te vragen. Uit het voorgaande volgt evenwel dat de bewindvoerder niet gehouden was die machtiging te overleggen. Het uitblijven van de machtiging heeft daarom niet mogen leiden tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag. Mutatis mutandis geldt dit ook voor het voeren van de bezwaarprocedure.

10. Anders dan verweerder meent, volgt uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 1 juni 2006 (LJN: AX7443) niet dat een aanvraag om (bijzondere) bijstand geen (vermogens)recht tot onderwerp heeft, nu die rechtsvraag niet voorlag in die procedure. In de door verweerder bedoelde passage geeft de CRvB uitleg aan artikel 25 van de Faillissementswet en gaat het erom of het recht tot de failliete boedel behoort.

De verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 22 oktober 2010 (LJN: BO1706) kan verweerder niet baten, nu in die zaak geen sprake was van bewind.

11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst het primaire besluit van 12 april 2013 tot zes weken na verzending van de beslissing op het bezwaar. De voorzieningenrechter gelast verweerder eisers aanvraag alsnog inhoudelijk in behandeling te nemen en daarop binnen twee weken een besluit te nemen.

12. Gelet op de toewijzing van het verzoek dient verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht aan hem te vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

– schorst het primaire besluit van 12 april 2013 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
– gelast verweerder eisers aanvraag in behandeling te nemen en daarover binnen twee weken een besluit te nemen;
– draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44 aan verzoeker te vergoeden;

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Vermeulen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.L. Verwijs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *